ΤΩΒΙΤ
Chapter 11
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἐπορεύετο μέχρις οὗ ἐγγίσαι αὐτοὺς εἰς Νινευῆ. καὶ εἶπε Ραφαὴλ πρὸς Τωβίαν· οὐ γινώσκεις, ἀδελφέ, πῶς ἀφῆκας τὸν πατέρα σου;
1Op hun terugreis kwamen zij op de elfde dag bij Charan, dat halverwege in de richting van Ninive ligt.
2προδράμωμεν ἔμπροσθεν τῆς γυναικός σου καὶ ἑτοιμάσωμεν τὴν οἰκίαν·
2Toen sprak de engel: Tobias, mijn broeder, gij weet in welke toestand gij uw vader hebt achtergelaten.
3λαβὲ δὲ παρὰ χεῖρα τὴν χολὴν τοῦ ἰχθῦος. καὶ ἐπορεύθησαν, καὶ συνῆλθεν ὁ κύων ὄπισθεν αὐτῶν.
3Als gij het goedvindt, laat ons dan vooruitgaan; de slaven kunnen met uw vrouw en het vee langzaam achter ons aankomen.
4καὶ Ἄννα ἐκάθητο περιβλεπομένη εἰς τὴν ὁδὸν τὸν παῖδα αὐτῆς·
4Nadat zij daartoe waren besloten, zeide Rafaël tot Tobias: Neem wat gal van de vis met u mee; want gij zult het nodig hebben. Daarom nam Tobias wat van die gal, en toen gingen zij op weg.
5καὶ προσενόησεν αὐτὸν ἐρχόμενον καὶ εἶπε τῷ πατρὶ αὐτοῦ· ἰδοὺ ὁ υἱός μου ἔρχεται καὶ ὁ ἄνθρωπος ὁ πορευθεὶς μετ᾿ αὐτοῦ.
5Intussen zat Anna iedere dag langs de weg op een top van een berg, vanwaar zij een ruim vergezicht had.
6καὶ Ραφαὴλ εἶπεν· ἐπίσταμαι ἐγὼ ὅτι ἀνοίξει τοὺς ὀφθαλμοὺς ὁ πατήρ σου.
6En toen zij op diezelfde plaats weer eens zat uit te zien naar zijn komst, zag zij haar zoon reeds in de verte aankomen. Zij herkende hem terstond, en haastig ging zij het nieuws aan haar man vertellen, en riep: Luister, uw zoon komt er aan!
7σὺ ἔγχρισον τὴν χολὴν εἰς τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ, καὶ δηχθεὶς διατρίψει καὶ ἀποβαλεῖται τὰ λευκώματα καὶ ὄψεταί σε.
7Onderwijl sprak Rafaël tot Tobias: Als gij binnenkomt in uw huis, aanbid dan onmiddellijk den Heer, uw God, en breng Hem uw dank. Ga dan naar uw vader, en kus hem.
8καὶ προσδραμοῦσα Ἄννα ἐπέπεσεν ἐπὶ τὸν τράχηλον τοῦ υἱοῦ αὐτῆς καὶ εἶπεν αὐτῷ· εἶδόν σε, παιδίον, ἀπὸ τοῦ νῦν ἀποθανοῦμαι καὶ ἔκλαυσαν ἀμφότεροι.
8Bestrijk aanstonds zijn ogen met de gal van de vis, die gij bij u hebt; want ge kunt er zeker van zijn, dat zijn ogen terstond zullen opengaan, zodat uw vader het licht van de hemel kan zien en zich in uw aanblik verheugen.
9καὶ Τωβὶτ ἐξήρχετο πρὸς τὴν θύραν καὶ προσέκοπτεν, ὁ δὲ υἱὸς αὐτοῦ προσέδραμεν αὐτῷ
9De hond, die hen onderweg vergezeld had, liep hen intussen vooruit, en als bode van het blijde nieuws kwispelde hij vrolijk met zijn staart.
10καὶ ἐπελάβετο τοῦ πατρὸς αὐτοῦ καὶ προσέπασε τὴν χολὴν ἐπὶ τοὺς ὀφθαλμοὺς τοῦ πατρὸς αὐτοῦ λέγων· θάρσει, πάτερ.
10Toen stond zijn blinde vader op en strompelend begon hij te lopen; hij strekte de handen uit naar zijn kind en liep zo zijn zoon tegemoet.
11ὡς δὲ συνεδήχθησαν, διέτριψε τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ, καὶ ἐλεπίσθη ἀπὸ τῶν κάνθων τῶν ὀφθαλμῶν αὐτοῦ τὰ λευκώματα.
11Hij omhelsde hem en kuste hem; zijn vrouw deed evenzo, en beiden begonnen te schreien van blijdschap.
12καὶ ἰδὼν τὸν υἱὸν αὐτοῦ ἐπέπεσεν ἐπὶ τὸν τράχηλον αὐτοῦ
12Nadat zij God hadden aanbeden en gedankt gingen zij zitten.
13καὶ ἔκλαυσε καὶ εἶπεν· εὐλογητὸς εἶ, ὁ Θεός, καὶ εὐλογητὸν τὸ ὄνομά σου εἰς τοὺς αἰῶνας, καὶ εὐλογημένοι πάντες οἱ ἅγιοί σου ἄγγελοι· ὅτι ἐμαστίγωσας καὶ ἠλέησάς με, ἰδοὺ βλέπω Τωβίαν τὸν υἱόν μου.
13Toen nam Tobias wat van de gal van de vis en streek het zijn vader op de ogen.
14καὶ εἰσῆλθεν ὁ υἱὸς αὐτοῦ χαίρων καὶ ἀπήγγειλε τῷ πατρὶ αὐτοῦ τὰ μεγαλεῖα τὰ γενόμενα αὐτῷ ἐν τῇ Μηδίᾳ.
14En na ongeveer een half uur wachten begon de witte vlek, als het velletje van een ei, uit de ogen los te laten.
15καὶ ἐξῆλθε Τωβὶτ εἰς συνάντησιν τῇ νύμφῃ αὐτοῦ χαίρων καὶ εὐλογῶν τὸν Θεὸν πρὸς τῇ πύλῃ Νινευῆ· καὶ ἐθαύμαζον οἱ θεωροῦντες αὐτὸν πορευόμενον, ὅτι ἔβλεψε.
15Tobias pakte het vast, en trok het zijn vader van de ogen. Op hetzelfde ogenblik ontving deze het gezicht terug.
16καὶ Τωβὶτ ἐξωμολογεῖτο ἐνώπιον αὐτοῦ, ὅτι ἠλέησεν αὐτοὺς ὁ Θεός· καὶ ὡς ἤγγισε Τωβὶτ Σάρρᾳ τῇ νύμφῃ αὐτοῦ, κατευλόγησεν αὐτὴν λέγων· ἔλθοις ὑγιαίνουσα, θύγατερ· εὐλογητὸς ὁ Θεός, ὃς ἤγαγέ σε πρὸς ἡμᾶς, καὶ ὁ πατήρ σου καὶ ἡ μήτηρ σου. καὶ ἐγένετο χαρὰ πᾶσι τοῖς ἐν Νινευῆ ἀδελφοῖς αὐτοῦ.
16Toen verheerlijkten zij God, hijzelf met zijn vrouw, en allen, die hem kenden.
17καὶ παρεγένετο Ἀχιάχαρος καὶ Νασβὰς ὁ ἐξάδελφος αὐτοῦ,
17En Tobit sprak: Ik loof U, Heer God van Israël; want wel hebt Gij mij gekastijd, maar mij ook genezen; want zie, nu aanschouw ik weer Tobias, mijn zoon.
18καὶ ἤχθη ὁ γάμος Τωβία μετ᾿ εὐφροσύνης ἡμέρας ἑπτά.
18Zeven dagen later kwam ook Sara, de vrouw van zijn zoon, behouden aan, met al de slaven, het vee en de kamelen, en met al het geld, zowel dat van de vrouw als hetgeen hij van Gabaël had terugontvangen.
no verse 19 in this text
19Hij verhaalde zijn ouders al de weldaden, die God hem bewezen had door den man, die hem vergezeld had,
no verse 20 in this text
20Nu kwamen ook Achior en Nabat, de neven van Tobias, vol blijdschap hem bezoeken, om hem geluk te wensen met al de weldaden, die God hem had bewezen.
no verse 21 in this text
21En zij vierden zeven dagen feest, en allen waren met grote blijdschap vervuld.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.