King James Version with Apocrypha
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1After these things Tobias went his way, praising God that he had given him a prosperous journey, and blessed Raguel and Edna his wife, and went on his way till they drew near unto Nineve.
1Op hun terugreis kwamen zij op de elfde dag bij Charan, dat halverwege in de richting van Ninive ligt.
2Then Raphael said to Tobias, Thou knowest, brother, how thou didst leave thy father:
2Toen sprak de engel: Tobias, mijn broeder, gij weet in welke toestand gij uw vader hebt achtergelaten.
3Let us haste before thy wife, and prepare the house.
3Als gij het goedvindt, laat ons dan vooruitgaan; de slaven kunnen met uw vrouw en het vee langzaam achter ons aankomen.
4And take in thine hand the gall of the fish. So they went their way, and the dog went after them.
4Nadat zij daartoe waren besloten, zeide Rafaël tot Tobias: Neem wat gal van de vis met u mee; want gij zult het nodig hebben. Daarom nam Tobias wat van die gal, en toen gingen zij op weg.
5Now Anna sat looking about toward the way for her son.
5Intussen zat Anna iedere dag langs de weg op een top van een berg, vanwaar zij een ruim vergezicht had.
6And when she espied him coming, she said to his father, Behold, thy son cometh, and the man that went with him.
6En toen zij op diezelfde plaats weer eens zat uit te zien naar zijn komst, zag zij haar zoon reeds in de verte aankomen. Zij herkende hem terstond, en haastig ging zij het nieuws aan haar man vertellen, en riep: Luister, uw zoon komt er aan!
7Then said Raphael, I know, Tobias, that thy father will open his eyes.
7Onderwijl sprak Rafaël tot Tobias: Als gij binnenkomt in uw huis, aanbid dan onmiddellijk den Heer, uw God, en breng Hem uw dank. Ga dan naar uw vader, en kus hem.
8Therefore anoint thou his eyes with the gall, and being pricked therewith, he shall rub, and the whiteness shall fall away, and he shall see thee.
8Bestrijk aanstonds zijn ogen met de gal van de vis, die gij bij u hebt; want ge kunt er zeker van zijn, dat zijn ogen terstond zullen opengaan, zodat uw vader het licht van de hemel kan zien en zich in uw aanblik verheugen.
9Then Anna ran forth, and fell upon the neck of her son, and said unto him, Seeing I have seen thee, my son, from henceforth I am content to die. And they wept both.
9De hond, die hen onderweg vergezeld had, liep hen intussen vooruit, en als bode van het blijde nieuws kwispelde hij vrolijk met zijn staart.
10Tobit also went forth toward the door, and stumbled: but his son ran unto him,
10Toen stond zijn blinde vader op en strompelend begon hij te lopen; hij strekte de handen uit naar zijn kind en liep zo zijn zoon tegemoet.
11And took hold of his father: and he strake of the gall on his fathers’ eyes, saying, Be of good hope, my father.
11Hij omhelsde hem en kuste hem; zijn vrouw deed evenzo, en beiden begonnen te schreien van blijdschap.
12And when his eyes began to smart, he rubbed them;
12Nadat zij God hadden aanbeden en gedankt gingen zij zitten.
13And the whiteness pilled away from the corners of his eyes: and when he saw his son, he fell upon his neck.
13Toen nam Tobias wat van de gal van de vis en streek het zijn vader op de ogen.
14And he wept, and said, Blessed art thou, O God, and blessed is thy name for ever; and blessed are all thine holy angels:
14En na ongeveer een half uur wachten begon de witte vlek, als het velletje van een ei, uit de ogen los te laten.
15For thou hast scourged, and hast taken pity on me: for, behold, I see my son Tobias. And his son went in rejoicing, and told his father the great things that had happened to him in Media.
15Tobias pakte het vast, en trok het zijn vader van de ogen. Op hetzelfde ogenblik ontving deze het gezicht terug.
16Then Tobit went out to meet his daughter in law at the gate of Nineve, rejoicing and praising God: and they which saw him go marvelled, because he had received his sight.
16Toen verheerlijkten zij God, hijzelf met zijn vrouw, en allen, die hem kenden.
17But Tobias gave thanks before them, because God had mercy on him. And when he came near to Sara his daughter in law, he blessed her, saying, Thou art welcome, daughter: God be blessed, which hath brought thee unto us, and blessed be thy father and thy mother. And there was joy among all his brethren which were at Nineve.
17En Tobit sprak: Ik loof U, Heer God van Israël; want wel hebt Gij mij gekastijd, maar mij ook genezen; want zie, nu aanschouw ik weer Tobias, mijn zoon.
18And Achiacharus, and Nasbas his brother’s son, came:
18Zeven dagen later kwam ook Sara, de vrouw van zijn zoon, behouden aan, met al de slaven, het vee en de kamelen, en met al het geld, zowel dat van de vrouw als hetgeen hij van Gabaël had terugontvangen.
19And Tobias’ wedding was kept seven days with great joy.
19Hij verhaalde zijn ouders al de weldaden, die God hem bewezen had door den man, die hem vergezeld had,
no verse 20 in this text
20Nu kwamen ook Achior en Nabat, de neven van Tobias, vol blijdschap hem bezoeken, om hem geluk te wensen met al de weldaden, die God hem had bewezen.
no verse 21 in this text
21En zij vierden zeven dagen feest, en allen waren met grote blijdschap vervuld.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.