Tobit 3
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Then Tobias sighed, and began to pray with tears,
1Toen begon Tobit te zuchten en onder tranen te bidden:
2Saying: Thou art just, O Lord, and all thy judgments are just, and all thy ways mercy, and truth, and judgment:
2Gij zijt rechtvaardig, o Heer, en rechtvaardig is geheel uw gericht; al uw wegen zijn barmhartigheid, waarheid en recht.
3And now, O Lord, think of me, and take not revenge of my sins, neither remember my offenses, nor those of my parents.
3Wees dus mijner gedachtig, o Heer, neem geen wraak over mijn zonden, en wil mijn overtredingen en die van mijn vaderen niet meer gedenken.
4For we have not obeyed thy commandments, therefore are we delivered to spoil and to captivity, and death, and are made a fable, and a reproach to all nations, amongst which thou hast scattered us.
4Omdat wij niet gehoorzaamd hebben aan uw geboden, daarom werden wij overgeleverd aan plundering, verbanning en dood, aan bespotting en hoon voor alle volkeren, waaronder Gij ons hebt verstrooid.
5And now, O Lord, great are thy judgments, because we have not done according to thy precepts, and have not walked sincerely before thee:
5Ja, Heer; zwaar zijn uw straffen, omdat wij niet geleefd hebben naar uw geboden en niet in oprechtheid voor uw ogen hebben gewandeld.
6And now, O Lord, do with me according to thy will, and command my spirit to be received in peace: for it is better for me to die, than to live.
6Welnu dan, Heer; doe met mij wat Gij wilt, maar laat mijn geest opgenomen worden in vrede; want sterven is mij liever dan leven.
7Now it happened on the same day, that Sara daughter of Raguel, in Rages a city of the Medes, received a reproach from one of her father’s servant maids,
7Nu gebeurde het dezelfde dag, dat Sara, de dochter van Raguël in Ekbátana, de stad der Meden, eveneens verwijten moest horen van één der dienstmeisjes van haar vader.
8Because she had been given to seven husbands, and a devil named Asmodeus had killed them, at their first going in unto her.
8Want zij was aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest, Asmodéus genaamd had hen gedood, zodra zij bij haar waren binnengekomen.
9So when she reproved the maid for her fault, she answered her, saying: May we never see son, or daughter of thee upon the earth, thou murderer of thy husbands.
9Toen zij nu dat meisje berispte over een fout van haar gaf het haar ten antwoord: Ik hoop, dat we van u nooit een zoon of een dochter te zien krijgen op aarde, moordenares van uw mannen.
10Wilt thou kill me also, as thou hast already killed seven husbands? At these words she went into an upper chamber of her house: and for three days and three nights did neither eat nor drink:
10Of wilt ge ook mij soms vermoorden, zoals ge reeds zeven mannen vermoord hebt? Op dat gezegde ging zij naar het bovenvertrek van haar huis en gebruikte drie dagen geen eten of drinken,
11But continuing in prayer with tears besought God, that he would deliver her from this reproach.
11maar bleef volharden in gebed en smeekte God onder tranen, haar van die smaad te bevrijden.
12And it came to pass on the third day, when she was making an end of her prayer, blessing the Lord,
12Toen zij op de derde dag haar gebed beëindigde, loofde zij den Heer,
13She said: Blessed is thy name, O God of our fathers: who when thou hast been angry, wilt shew mercy, and in the time of tribulation forgivest the sins of them that call upon thee.
13en sprak: Gezegend is uw Naam, o God onzer vaderen, Gij, d ie weer barmhartigheid toont, als uw toorn is bevredigd, en in dagen van lijden de zonden vergeeft aan hen, die U aanroepen.
14To thee, O Lord, I turn my face, to thee I direct my eyes.
14Tot U wend ik mijn aangezicht, Heer, op U richt ik mijn ogen.
15I beg, O Lord, that thou loose me from the bond of this reproach, or else take me away from the earth.
15Ik bid U, Heer, mij uit de boeien dezer schande te bevrijden, of anders mij weg te nemen van de aarde.
16Thou knowest, O Lord, that I never coveted a husband, and have kept my soul clean from all lust.
16Gij weet, Heer, dat ik nooit een man heb begeerd, en mijn ziel rein heb bewaard van iedere lust.
17Never have I joined myself with them that play: neither have I made myself partaker with them that walk in lightness.
17Nooit heb ik aan uitspattingen meegedaan en nooit omgang gezocht met lichtzinnige mensen.
18But a husband I consented to take, with thy fear, not with my lust.
18Ik heb slechts een man willen nemen in vreze voor U, en niet om mijn hartstocht te volgen.
19And either I was unworthy of them, or they perhaps were not worthy of me: because perhaps thou hast kept me for another man.
19Maar òfwel ik was hunner niet waardig, of zij waren wellicht mijner niet waardig, omdat Gij mij misschien voor een anderen man hebt bestemd.
20For thy counsel is not in man’s power.
20Want uw raadsbesluit kan niemand doorgronden.
21But this every one is sure of that worshippeth thee, that his life, if it be under trial, shall be crowned: and if it be under tribulation, it shall be delivered: and if it be under correction, it shall be allowed to come to thy mercy.
21Doch hiervan is ieder, die U eert, overtuigd: als hij in zijn leven beproefd wordt, zal hij worden gekroond; als hij in kwelling mocht zijn, zal hij worden bevrijd; en als hij straf ondergaat, zal hij de weg naar uw barmhartigheid vinden.
22For thou art not delighted in our being lost: because after a storm thou makest a calm, and after tears and weeping thou pourest in joyfulness.
22Want Gij vindt geen behagen in ons verderf; maar na de storm geeft Gij rust, en na wenen en schreien weer blijdschap.
23Be thy name, O God of Israel, blessed for ever.
23God van Israël, uw Naam zij gezegend voor eeuwig!
24At that time the prayers of them both were heard in the sight of the glory of the most high God:
24En hun beider gebed vond gelijktijdig verhoring bij de Majesteit van den allerhoogsten God. Rafaël, de heilige engel des Heren, werd gezonden, om hen beiden te genezen, wier gebed terzelfder tijd voor het aanschijn des Heren was uitgesproken.
25And the holy angel of the Lord, Raphael was sent to heal them both, whose prayers at one time were rehearsed in the sight of the Lord.
no verse 25 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.