Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And they went in to Raguel, and Raguel received them with joy.
1Daarna gingen zij bij Raguël binnen, die hen vol vreugde ontving.
2And Raguel looking upon Tobias, said to Anna his wife: How like is this young man to my cousin?
2Toen Raguël nu Tobias goed aankeek, zei hij tot Anna, zijn vrouw: Wat lijkt die jongeman op mijn neef!
3And when he had spoken these words, he said: Whence are ye young men our brethren?
3Daarom vroeg hij: Waar komt gij vandaan, jonge mannen, onze broeders? Zij antwoordden: Wij zijn uit de stam van Neftali, en behoren tot de ballingen van Ninive.
4But they said: We are of the tribe of Nephtali, of the captiveof Ninive.
4Raguël vroeg verder: Kent gij dan Tobit, mijn broeder? Zij zeiden: Welzeker.
5And Raguel said to them: Do you know Tobias my brother? And they said: We know him.
5En toen Raguël nu veel goeds over hem begon te vertellen, sprak de engel tot hem: Die Tobit, naar wien gij vraagt, is zijn vader.
6And when he was speaking many good things of him, the angel said to Raguel: Tobias concerning whom thou inquirest is this young man’s father.
6Toen sprong Raguël op en kuste hem onder tranen; wenend viel hij hem om de hals en riep uit:
7And Raguel went to him, and kissed him with tears, and weeping upon his neck, said: A blessing be upon thee, my son, because thou art the son of a good and most virtuous man.
7Wees gezegend, mijn zoon; want gij zijt het kind van een goed en voortreffelijk man.
8And Anna his wife, and Sara their daughter wept.
8Ook Anna, zijn vrouw, en Sara, hun dochter, begonnen te schreien.
9And after they had spoken, Raguel commanded a sheep to be killed, and a feast to be prepared. And when he desired them to sit down to dinner,
9Nadat zij waren uitgesproken, liet Raguël een ram slachten en een feestmaal bereiden. Maar toen hij hen uitnodigde, zich aan tafel te zetten,
10Tobias said: I will not eat nor drink here this day, unless thou first grant me my petition, and promise to give me Sara thy daughter.
10sprak Tobias: Ik eet of drink hier niet vandaag, vóórdat gij mijn verzoek hebt ingewilligd en mij belooft, Sara, uw dochter, te geven.
11Now when Raguel heard this he was afraid, knowing what had happened to those seven husbands, that went in unto her: and he began to fear lest it might happen to him also in like manner: and as he was in suspense, and gave no answer to his petition,
11Toen Raguël dat hoorde, werd hij dodelijk verschrikt; want hij wist, wat die zeven mannen was overkomen, die bij haar waren binnengegaan; daarom beving hem de vrees, dat ook hem wellicht hetzelfde zou overkomen. Daar hij dus aarzelde en op die vraag maar geen antwoord gaf,
12The angel said to him: Be not afraid to give her to this man, for to him who feareth God is thy daughter due to be his wife: therefore another could not have her.
12sprak de engel hem toe: Wees niet bevreesd, haar aan hem hier te geven; want omdat hij God vreest, is uw dochter voor hem tot vrouw bestemd; daarom juist kon geen ander haar bezitten.
13Then Raguel said: I doubt not but God hath regarded my prayers and tears in his sight.
13Toen sprak Raguël: Nu weet ik zeker, dat God mijn gebeden en mijn tranen voor zijn aanschijn heeft aanvaard.
14And I believe he hath therefore made you come to me, that this maid might be married to one of her own kindred, according to the law of Moses: and now doubt not but I will give her to thee.
14En ik ben er van overtuigd, dat Hij u daarom tot mij heeft gezonden, opdat zij in de echt verbonden zou worden met haar bloedverwant, zoals de wet van Moses dat eist; twijfel er daarom niet aan, ik geef haar aan u.
15And taking the right hand of his daughter, he gave it into the right hand of Tobias, saying: The God of Abraham, and the God of Isaac, and the God of Jacob be with you, and may he join you together, and fulfill his blessing in you.
15Toen nam hij de rechterhand van zijn dochter, legde die in de rechterhand van Tobias, en sprak: De God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob zij met u, en Hij verenige u; moge Hij zijn zegen ten volle over u uitstorten!
16And taking paper they made a writing of the marriage.
16En zij namen perkament en maakten de huwelijksoorkonde op.
17And afterwards they made merry, blessing God.
17Daarna gingen zij aan tafel en prezen God.
18And Raguel called to him Anna his wife, and bade her prepare another chamber.
18Intussen riep Raguël zijn vrouw Anna binnen, en zeide haar, de andere kamer gereed te maken.
19And she brought Sara her daughter in thither, and she wept.
19Toen zij echter haar dochter Sara daar binnen bracht, begon deze te schreien.
20And she said to her: Be of good cheer, my daughter: the Lord of heaven give thee joy for the trouble thou hast undergone.
20Maar zij sprak tot haar: Houd moed, mijn kind; de Heer des Hemels zal u vreugde geven in ruil voor al het verdriet, dat gij verduurd hebt.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.