Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1But after this, when there was a festival of the Lord, and a good dinner was prepared in Tobias’s house,
1Naderhand, toen er eens op een feestdag des Heren in het huis van Tobit een feestmaaltijd was aangericht,
2He said to his son: Go, and bring some of our tribe that fear God, to feast with us.
2zeide hij tot zijn zoon: Ga enkele godvrezende stamgenoten van ons uitnodigen, om bij ons te komen eten.
3And when he had gone, returning he told him, that one of the children of Israel lay slain in the street. And he forthwith leaped up from his place at the table, and left his dinner, and came fasting to the body:
3Deze deed het, en vertelde hem bij zijn terugkomst, dat er op straat een Israëliet vermoord lag. Onmiddellijk stond hij van tafel op, liet de maaltijd onaangeroerd, en ging zonder gegeten te hebben naar het lijk;
4And taking it up carried it privately to his house, that after the sun was down, he might bury him cautiously.
4hij nam het op en bracht het heimelijk in zijn huis, om het na zonsondergang behoedzaam te begraven.
5And when he had hid the body, he ate bread with mourning and fear,
5En eerst na het lijk te hebben verborgen, nam hij zijn maaltijd in droefheid en vrees,
6Remembering the word which the Lord spoke by Amos the prophet: Your festival days shall be turned into lamentation and mourning.
6het woord indachtig, dat de Heer door den profeet Amos gesproken had: Uw feestdagen zullen verkeren in geweeklaag en rouw.
7So when the sun was down, he went and buried him.
7En na zonsondergang ging hij hem begraven.
8Now all his neighbours blamed him, saying: Once already commandment was given for thee to be slain because of this matter, and thou didst scarce escape the sentence of death, and dost thou again bury the dead?
8Maar al zijn bloedverwanten keurden het af en zeiden hem: Men heeft al eens bevel gegeven, u hiervoor te doden, en nauwelijks zijt gij aan dit doodvonnis ontsnapt; en nu begraaft gij wederom de doden!
9But Tobias fearing God more than the king, carried off the bodies of them that were slain, and hid them in his house, and at midnight buried them.
9Tobit echter vreesde God meer dan den koning; hij bleef de lijken van vermoorden ophalen, verborg ze in zijn huis en begroef ze in het holst van de nacht.
10Now it happened one day, that being wearied with burying, he came to his house, and cast himself down by the wall and slept,
10Nu gebeurde het eens, dat hij vermoeid van het begraven thuis kwam, zich tegen de muur te rusten legde en insliep;
11And as he was sleeping, hot dung out of a swallow’s nest fell upon his eyes, and he was made blind.
11en terwijl hij sliep, viel hem uit een zwaluwnest warme drek op de ogen, zodat hij blind werd.
12Now this trial the Lord therefore permitted to happen to him, that an example might be given to posterity of his patience, as also of holy Job.
12De Heer liet toe, dat deze beproeving hem trof, om de lateren een voorbeeld van geduld te geven, zoals dat van den heiligen Job.
13For whereas he had always feared God from his infancy, and kept his commandments, he repined not against God because the evil of blindness had befallen him,
13Want ofschoon hij van zijn prilste jeugd steeds godvrezend was geweest en Gods geboden had onderhouden, en nu met blindheid was geslagen, morde hij toch niet tegen God;
14But continued immoveable in the fear of God, giving thanks to God all the days of his life.
14neen, onwankelbaar bleef hij in de vreze Gods volharden, en God danken alle dagen van zijn leven.
15For as the kings insulted over holy Job: so his relations and kinsmen mocked at his life, saying:
15Maar zoals de stamvorsten den zaligen Job hadden gehoond, zo werd ook hij door zijn verwanten en vrienden om zijn levenswandel bespot. Ze zeiden:
16Where is thy hope, for which thou gavest alms, and buriedst the dead?
16Waar blijft nu uw hoop, waarvoor gij aalmoezen hebt gegeven en begrafenissen hebt verzorgd?
17But Tobias rebuked them, saying: Speak not so:
17Doch Tobit berispte hen en gaf hun ten antwoord: Spreekt toch niet zo;
18For we are the children of the saints, and look for that life which God will give to those that never change their faith from him.
18want wij zijn van het geslacht der heiligen en verwachten het leven, dat God zal schenken aan hen, die hun trouw jegens Hem nimmer breken4.
19Now Anna his wife went daily to weaving work, and she brought home what she could get for their living by the labour of her hands.
19Intussen ging Anna, zijn vrouw, dagelijks uit weven en bracht dan de eetwaren thuis, die zij voor haar handenarbeid had kunnen bekomen.
20Whereby it came to pass, that she received a young kid, and brought it home:
20Nu gebeurde het eens, dat zij een geitebokje kreeg en meebracht naar huis.
21And when her husband heard it bleating, he said: Take heed, lest perhaps it be stolen: restore ye it to its owners, for it is not lawful for us either to eat or to touch any thing that cometh by theft.
21Doch toen haar man het hoorde blaten, zeide hij: Wees voorzichtig, het kon wel eens gestolen zijn; geef het liever aan den eigenaar terug, want iets, dat gestolen is, mogen we niet eten of behouden.
22At these words his wife being angry answered: It is evident thy hope is come to nothing, and thy alms now appear.
22Maar zijn vrouw gaf hem kwaad ten antwoord: Het is nu wel duidelijk genoeg, dat uw hoop niets meer waard is, en wat er van uw aalmoezen terechtkomt!
23And with these, and other such like words she upbraided him.
23En op een dergelijke manier bleef zij hem verwijten doen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.