ΑΡΙΘΜΟΙ
Chapter 35
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΑΡΙΘΜΟΙ 35

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν ἐπὶ δυσμῶν Μωὰβ παρὰ τὸν Ἰορδάνην κατὰ Ἱεριχὼ λέγων·
1Nog sprak Jahweh tot Moses in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho:
2σύνταξον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ καὶ δώσουσι τοῖς Λευίταις ἀπὸ τῶν κλήρων κατασχέσεως αὐτῶν πόλεις κατοικεῖν καὶ τὰ προάστεια τῶν πόλεων κύκλῳ αὐτῶν δώσουσι τοῖς Λευίταις,
2Beveel de Israëlieten, dat zij van hun erfbezit steden aan de Levieten geven, om daar te wonen, en dat zij ook de weidegronden rond die steden aan de Levieten afstaan.
3καὶ ἔσονται αὐτοῖς αἱ πόλεις κατοικεῖν, καὶ τὰ ἀφορίσματα αὐτῶν ἔσται τοῖς κτήνεσιν αὐτῶν καὶ πᾶσι τοῖς τετράποσιν αὐτῶν.
3Die steden zullen hun tot woonplaats dienen en de weidegronden zullen voor hun kudde, hun lastdieren en al hun vee zijn bestemd.
4καὶ τὰ συγκυροῦντα τῶν πόλεων, ἃς δώσετε τοῖς Λευίταις, ἀπὸ τείχους τῆς πόλεως καὶ ἔξω δισχιλίους πήχεις κύκλῳ·
4De weidegronden van de steden, die gij aan de Levieten zult geven, moeten aan alle kanten van de stadsmuur af tot de buitenste rand duizend el breed zijn.
5καὶ μετρήσεις ἔξω τῆς πόλεως τὸ κλίτος τὸ πρὸς ἀνατολὰς δισχιλίους πήχεις καὶ τὸ κλίτος τὸ πρὸς λίβα δισχιλίους πήχεις καὶ τὸ κλίτος τὸ πρὸς θάλασσαν δισχιλίους πήχεις καὶ τὸ κλίτος τὸ πρὸς βορρᾶν δισχιλίους πήχεις, καὶ ἡ πόλις μέσον τούτου ἔσται ὑμῖν καὶ τὰ ὅμορα τῶν πόλεων.
5Gij moet buiten de stad de oostgrens op twee duizend ellen uitmeten, de zuidgrens op twee duizend ellen, de westgrens op twee duizend ellen en de noordgrens op twee duizend ellen met de stad als middelpunt; dit zullen hun weidegronden zijn, die bij de steden horen.
6καὶ τὰς πόλεις δώσετε τοῖς Λευίταις, τὰς ἓξ πόλεις τῶν φυγαδευτηρίων, ἃς δώσετε φυγεῖν ἐκεῖ τῷ φονεύσαντι, καὶ πρὸς ταύταις τεσσαράκοντα καὶ δύο πόλεις·
6De steden, die gij aan de Levieten moet afstaan, zullen vooreerst de zes vrijsteden zijn, die gij als vluchtplaats moet aanwijzen voor hem, die iemand heeft gedood; en daarenboven moet ge hun nog twee en veertig andere steden afstaan.
7πάσας τὰς πόλεις δώσετε τοῖς Λευίταις τεσσαράκοντα καὶ ὀκτὼ πόλεις, ταύτας, καὶ τὰ προάστεια αὐτῶν.
7In het geheel moet ge dus acht en veertig steden met hun weidegronden aan de Levieten afstaan.
8καὶ τὰς πόλεις, ἃς δώσετε ἀπὸ τῆς κατασχέσεως υἱῶν Ἰσραήλ, ἀπὸ τῶν τὰ πολλὰ πολλά. καὶ ἀπὸ τῶν ἐλαττόνων ἐλάττω· ἕκαστος κατὰ τὴν κληρονομίαν αὐτοῦ, ἣν κατακληρονομήσουσι δώσουσιν ἀπὸ τῶν πόλεων τοῖς Λευίταις.
8Deze steden, die ge van het bezit der Israëlieten zult afnemen, moeten in een grote stam talrijker en in een kleine stam minder talrijk zijn; ieder moet naar verhouding van zijn bezit, dat hij kreeg, enige steden aan de Levieten afstaan.
9Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
9Jahweh sprak tot Moses:
10λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· ὑμεῖς διαβαίνετε τὸν Ἰορδάνην εἰς γῆν Χαναὰν
10Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer gij over de Jordaan het land Kanaän zijt binnengetrokken,
11καὶ διαστελεῖτε ὑμῖν αὐτοῖς πόλεις· φυγαδευτήρια ἔσται ὑμῖν φυγεῖν ἐκεῖ τὸν φονευτήν, πᾶς ὁ πατάξας ψυχὴν ἀκουσίως.
11dan moet gij enige steden aanwijzen, die u als vrijsteden zullen dienen, waarheen iemand vluchten kan, die een ander zonder opzet heeft gedood.
12καὶ ἔσονται αἱ πόλεις ὑμῖν φυγαδευτήρια ἀπὸ τοῦ ἀγχιστεύοντος τὸ αἷμα, καὶ οὐ μὴ ἀποθάνῃ ὁ φονεύων ἕως ἂν στῇ ἔναντι τῆς συναγωγῆς εἰς κρίσιν.
12Naar die steden zult ge de wijk kunnen nemen voor den bloedwreker, zodat hij, die een ander gedood heeft, niet zal sterven, eer hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan.
13καὶ αἱ πόλεις ἃς δώσετε, τὰς ἓξ πόλεις, φυγαδευτήρια ἔσονται ὑμῖν·
13Gij moet zes van zulke steden, die tot vrijsteden voor u zijn bestemd, aanwijzen:
14τὰς τρεῖς πόλεις δώσετε πέραν τοῦ Ἰορδάνου καὶ τὰς τρεῖς πόλεις δώσετε ἐν γῇ Χαναάν·
14drie steden in het Overjordaanse, en drie steden in het land Kanaän: dat zullen de vrijsteden zijn.
15φυγαδεῖον ἔσται τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ, καὶ τῷ προσηλύτῳ καὶ τῷ παροίκῳ τῷ ἐν ὑμῖν ἔσονται αἱ πόλεις αὗται εἰς φυγαδευτήριον, φυγεῖν ἐκεῖ παντὶ πατάξαντι ψυχὴν ἀκουσίως.
15Zowel voor de Israëlieten als voor den vreemdeling en den inboorling in uw midden, zullen die zes steden als wijkplaats dienen, zodat ieder, die zonder opzet een mens heeft gedood, daarheen kan vluchten.
16ἐὰν δὲ ἐν σκεύει σιδήρου πατάξῃ αὐτόν, καὶ τελευτήσῃ, φονευτής ἐστι· θανάτῳ θανατούσθω ὁ φονευτής.
16Wanneer iemand een ander met een ijzeren voorwerp zo slaat, dat hij sterft, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood worden gebracht.
17ἐὰν δὲ ἐν λίθῳ ἐκ χειρός, ἐν ᾧ ἀποθανεῖται ἐν αὐτῷ, πατάξῃ αὐτόν, καὶ ἀποθάνῃ, φονευτής ἐστι· θανάτῳ θανατούσθω ὁ φονευτής.
17Heeft hij een steen in zijn hand, waarmee men iemand dodelijk kan treffen, en slaat hij hem zo dat hij sterft, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood worden gebracht.
18ἐὰν δὲ ἐν σκεύει ξυλίνῳ ἐκ χειρός, ἐξ οὗ ἀποθανεῖται ἐν αὐτῷ, πατάξῃ αὐτόν, καὶ ἀποθάνῃ, φονευτής ἐστι· θανάτῳ θανατούσθω ὁ φονευτής.
18Of heeft hij een houten voorwerp in zijn hand, waarmee men iemand dodelijk kan treffen, en slaat hij hem zo, dat hij sterft, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood worden gebracht.
19ὁ ἀγχιστεύων τὸ αἷμα, οὗτος ἀποκτενεῖ τὸν φονεύσαντα· ὅταν συναντήσῃ αὐτῷ, οὗτος ἀποκτενεῖ αὐτόν.
19Dan mag de bloedwreker den moordenaar doden, waar hij hem aantreft.
20ἐὰν δὲ δι' ἔχθραν ὤσῃ αὐτὸν καὶ ἐπιρρίψῃ ἐπ' αὐτὸν πᾶν σκεῦος ἐξ ἐνέδρου, καὶ ἀποθάνῃ,
20Wanneer iemand een ander uit haat een stoot toebrengt, of uit moordzucht naar hem gooit, zodat hij sterft,
21ἢ διὰ μῆνιν ἐπάταξεν αὐτὸν τῇ χειρί, καὶ ἀποθάνῃ, θανάτῳ θανατούσθω ὁ πατάξας, φονευτής ἐστι· θανάτῳ θανατούσθω ὁ φονεύων· ὁ ἀγχιστεύων τὸ αἷμα ἀποκτενεῖ τὸν φονεύσαντα ἐν τῷ συναντῆσαι αὐτῷ.
21of uit vijandschap hem zo met de vuist slaat, dat hij sterft, dan is hij ook een moordenaar, en moet ter dood worden gebracht; de bloedwreker mag den moordenaar doden, waar hij hem aantreft.
22ἐὰν δὲ ἐξάπινα οὐ δι' ἔχθραν ὤσῃ αὐτὸν ἢ ἐπιρρίψῃ ἐπ' αὐτὸν πᾶν σκεῦος οὐκ ἐξ ἐνέδρου
22Maar wanneer hij hem zonder voorbedachte rade en zonder vijandschap een stoot toebrengt, of zonder opzet om te doden een of ander ding naar hem gooit,
23ἢ παντὶ λίθῳ, ἐν ᾧ ἀποθανεῖται ἐν αὐτῷ, οὐκ εἰδώς, καὶ ἐπιπέσῃ ἐπ' αὐτόν, καὶ ἀποθάνῃ, αὐτὸς δὲ οὐκ ἐχθρὸς αὐτοῦ ἦν, οὐδὲ ζητῶν κακοποιῆσαι αὐτόν,
23of uit onoplettendheid een steen, waarmee men iemand dodelijk kan treffen, op hem laat vallen, zodat hij sterft; dus zonder hem vijandig gezind te zijn en zonder hem kwaad te willen,
24καὶ κρινεῖ ἡ συναγωγὴ ἀνὰ μέσον τοῦ πατάξαντος καὶ ἀνὰ μέσον τοῦ ἀγχιστεύοντος τὸ αἷμα, κατὰ τὰ κρίματα ταῦτα,
24dan zal de gemeenschap tussen hem, die de dood heeft toegebracht en den bloedwreker recht spreken naar de volgende bepalingen.
25καὶ ἐξελεῖται ἡ συναγωγὴ τὸν φονεύσαντα ἀπὸ τοῦ ἀγχιστεύοντος τὸ αἷμα, καὶ ἀποκαταστήσουσιν αὐτὸν ἡ συναγωγὴ εἰς τὴν πόλιν τοῦ φυγαδευτηρίου αὐτοῦ, οὗ κατέφυγε, καὶ κατοικήσει ἐκεῖ ἕως ἂν ἀποθάνῃ ὁ ἱερεὺς ὁ μέγας, ὃν ἔχρισαν αὐτὸν τῷ ἐλαίῳ τῷ ἁγίῳ.
25De gemeenschap moet hem, die de dood heeft veroorzaakt, tegen den bloedwreker beschermen, en hem doen terugkeren naar de vrijstad, waarheen hij gevlucht was, en waar hij moet blijven wonen tot aan de dood van den hogepriester, dien men met de heilige olie heeft gezalfd.
26ἐὰν δὲ ἐξόδῳ ἐξέλθῃ ὁ φονεύσας τὰ ὅρια τῆς πόλεως εἰς ἣν κατέφυγεν ἐκεῖ,
26Zo hij buiten de grens van de vrijstad komt, waarheen hij gevlucht is,
27καὶ εὕρῃ αὐτὸν ὁ ἀγχιστεύων τὸ αἷμα ἔξω τῶν ὁρίων τῆς πόλεως καταφυγῆς αὐτοῦ καὶ φονεύσῃ ὁ ἀγχιστεύων τὸ αἷμα τὸν φονεύσαντα, οὐκ ἔνοχός ἐστιν·
27en de bloedwreker vindt hem buiten de grens van zijn vrijstad en doodt hem, dan treft den bloedwreker geen bloedschuld;
28ἐν γὰρ τῇ πόλει τῆς καταφυγῆς κατοικείτω, ἕως ἂν ἀποθάνῃ ὁ ἱερεὺς ὁ μέγας, καὶ μετὰ τὸ ἀποθανεῖν τὸν ἱερέα τὸν μέγαν ἐπαναστραφήσεται ὁ φονεύσας εἰς τὴν γῆν τῆς κατασχέσεως αὐτοῦ.
28want de ander had tot aan de dood van den hogepriester in zijn vrijstad moeten blijven. Eerst na de dood van den hogepriester kan hij, die gedood heeft, naar zijn grondbezit terugkeren.
29καὶ ἔσται ταῦτα ὑμῖν εἰς δικαίωμα κρίματος εἰς τὰς γενεὰς ὑμῶν ἐν πάσαις ταῖς κατοικίαις ὑμῶν.
29Deze rechtsbepalingen zullen voor u blijven gelden van geslacht tot geslacht, overal waar gij woont.
30πᾶς πατάξας ψυχήν, διὰ μαρτύρων φονεύσεις τὸν φονεύσαντα, καὶ μάρτυς εἷς οὐ μαρτυρήσει ἐπὶ ψυχὴν ἀποθανεῖν.
30Wanneer iemand een mens heeft vermoord, dan zal men den moordenaar op het woord van getuigen ter dood brengen; maar één getuige zal niet voldoende zijn, om een mens te doen sterven.
31καὶ οὐ λήψεσθε λύτρα περὶ ψυχῆς παρὰ τοῦ φονεύσαντος τοῦ ἐνόχου ὄντος ἀναιρεθῆναι· θανάτῳ γὰρ θανατωθήσεται.
31Gij moogt voor het leven van een moordenaar, die des doods schuldig is, geen losgeld aannemen; want hij moet ter dood worden gebracht.
32οὐ λήψεσθε λύτρα τοῦ φυγεῖν εἰς πόλιν τῶν φυγαδευτηρίων, τοῦ πάλιν κατοικεῖν ἐπὶ τῆς γῆς, ἕως ἂν ἀποθάνῃ ὁ ἱερεὺς ὁ μέγας.
32Evenmin moogt gij voor iemand, die naar een vrijstad gevlucht is, losgeld aannemen, om vóór de dood van den hogepriester terug te keren en zijn land te bewonen.
33καὶ οὐ μὴ φονοκτονήσητε τὴν γῆν, εἰς ἣν ὑμεῖς κατοικεῖτε· τὸ γὰρ αἷμα τοῦτο φονοκτονεῖ τὴν γῆν, καὶ οὐκ ἐξιλασθήσεται ἡ γῆ ἀπὸ τοῦ αἵματος τοῦ ἐκχυθέντος ἐπ' αὐτῆς, ἀλλ' ἐπὶ τοῦ αἵματος τοῦ ἐκχέοντος.
33Neen, gij moogt het land, waar gij woont, niet ontwijden! Want bloed ontwijdt het land; en voor het land, waarop bloed is vergoten, kan geen verzoening worden verkregen, dan door het bloed van hem, die het vergoten heeft.
34καὶ οὐ μιανεῖτε τὴν γῆν, ἐφ' ἧς κατοικεῖτε ἐπ' αὐτῆς, ἐφ' ἧς ἐγὼ κατασκηνῶ ἐν ὑμῖν· ἐγὼ γάρ εἰμι Κύριος κατασκηνῶν ἐν μέσῳ τῶν υἱῶν Ἰσραήλ.
34Bezoedelt dus het land niet, waar gij woont, en waarin ook Ik woon; want Ik, Jahweh, woon te midden van Israëls kinderen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.