ΑΡΙΘΜΟΙ
Chapter 5
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΑΡΙΘΜΟΙ 5

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
1Jahweh sprak tot Moses:
2πρόσταξον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ καὶ ἐξαποστειλάτωσαν ἐκ τῆς παρεμβολῆς πάντα λεπρὸν καὶ πάντα γονορρυῆ καὶ πάντα ἀκάθαρτον ἐπὶ ψυχῇ·
2Beveel de Israëlieten, dat zij alle melaatsen, allen die aan vloeiing lijden, en allen, die zich aan een lijk verontreinigd hebben, uit het kamp verwijderen.
3ἀπὸ ἀρσενικοῦ ἕως θηλυκοῦ ἐξαποστείλατε ἔξω τῆς παρεμβολῆς, καὶ οὐ μὴ μιανοῦσι τὰς παρεμβολὰς αὐτῶν, ἐν οἷς ἐγὼ καταγίνομαι ἐν αὐτοῖς.
3Zowel mannen als vrouwen moet ge buiten het kamp sturen, opdat ze hun kamp, waar Ik te midden van hen woon, niet verontreinigen.
4καὶ ἐποίησαν οὕτως οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ καὶ ἐξαπέστειλαν αὐτοὺς ἔξω τῆς παρεμβολῆς· καθὰ ἐλάλησε Κύριος Μωυσῇ, οὕτως ἐποίησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ.
4De Israëlieten deden het, en zonden ze buiten het kamp; zoals Jahweh het Moses bevolen had, voerden de Israëlieten het uit.
5καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
5Jahweh sprak tot Moses:
6λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραὴλ λέγων· ἀνὴρ ἢ γυνή, ὅς τις ἂν ποιήσῃ ἀπὸ πασῶν τῶν ἁμαρτιῶν τῶν ἀνθρωπίνων, καὶ παριδὼν παρίδῃ καὶ πλημμελήσῃ ἡ ψυχὴ ἐκείνη,
6Zeg aan de Israëlieten: Wanneer een man of vrouw een zonde tegen den evenmens begaat, waardoor hij zich aan Jahweh vergrijpt en schuld op zich laadt,
7ἐξαγορεύσει τὴν ἁμαρτίαν, ἣν ἐποίησε, καὶ ἀποδώσει τὴν πλημμέλειαν τὸ κεφάλαιον καὶ τὸ ἐπίπεμπτον αὐτοῦ προσθήσει ἐπ' αὐτό, καὶ ἀποδώσει, τίνι ἐπλημμέλησεν αὐτῷ.
7dan moeten zij de zonde, die ze hebben begaan, bekennen, de volle waarde van het ontvreemde vergoeden, het vijfde gedeelte er aan toevoegen, en het teruggeven aan wien het ontvreemd werd.
8ἐὰν δὲ μὴ ᾖ τῷ ἀνθρώπῳ ὁ ἀγχιστεύων, ὥστε ἀποδοῦναι αὐτῷ τὸ πλημμέλημα πρὸς αὐτόν, τὸ πλημμέλημα τὸ ἀποδιδόμενον Κυρίῳ τῷ ἱερεῖ ἔσται, πλὴν τοῦ κριοῦ τοῦ ἱλασμοῦ, δι' οὗ ἐξιλάσεται ἐν αὐτῷ περὶ αὐτοῦ.
8Wanneer die man geen losser heeft, aan wien het ontvreemde kan worden teruggegeven, dan moet het ontvreemde aan Jahweh worden vergoed, en met den ram der verzoening aan den priester worden gegeven, die verzoening voor hem verkrijgt.
9καὶ πᾶσα ἀπαρχὴ κατὰ πάντα τὰ ἁγιαζόμενα ἐν υἱοῖς Ἰσραήλ, ὅσα ἐὰν προσφέρωσι Κυρίῳ, τῷ ἱερεῖ αὐτῷ ἔσται.
9Bovendien zullen alle heilige cijnzen, die de Israëlieten aan Jahweh brengen, den priester behoren.
10καὶ ἑκάστου τὰ ἡγιασμένα αὐτοῦ ἔσται· καὶ ἀνήρ, ὃς ἂν δῷ τῷ ἱερεῖ, αὐτῷ ἔσται.
10Ook de gewijde zaken, die iemand aan den priester geeft, zullen voor dezen zijn.
11Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
11Jahweh sprak tot Moses:
12λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ, καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτούς· ἀνδρὸς ἀνδρός, ἐὰν παραβῇ ἡ γυνὴ αὐτοῦ, καὶ ὑπεριδοῦσα παρίδῃ αὐτὸν
12Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer een vrouw zich heeft misdragen en aan haar man ontrouw is geweest,
13καὶ κοιμηθῇ τις μετ' αὐτῆς κοίτην σπέρματος, καὶ λάθῃ ἐξ ὀφθαλμῶν τοῦ ἀνδρὸς αὐτῆς καὶ κρύψῃ, αὐτὴ δὲ ᾖ μεμιασμένη καὶ μάρτυς μὴ ἦν μετ' αὐτῆς, καὶ αὐτὴ μὴ ᾖ συνειλημμένη,
13doordat een andere man gemeenschap met haar heeft gehad, maar het voor haar man verborgen is gebleven, daar zij zich in het geheim heeft bezoedeld, en er ook geen getuige tegen haar opstaat, daar zij niet op heterdaad is betrapt;
14καὶ ἐπέλθῃ αὐτῷ πνεῦμα ζηλώσεως καὶ ζηλώσῃ τὴν γυναῖκα αὐτοῦ, αὐτὴ δὲ μεμίανται, ἢ ἐπέλθῃ αὐτῷ πνεῦμα ζηλώσεως καὶ ζηλώσῃ τὴν γυναῖκα αὐτοῦ, αὐτὴ δὲ μὴ ᾖ μεμιασμένη,
14of wanneer de man jaloers wordt, zodat hij zijn vrouw gaat verdenken, die zich inderdaad heeft bezoedeld: of wanneer hij jaloers wordt, zodat hij zijn vrouw gaat verdenken, ofschoon zij zich niet heeft bezoedeld:
15καὶ ἄξει ὁ ἄνθρωπος τὴν γυναῖκα αὐτοῦ πρὸς τὸν ἱερέα καὶ προσοίσει τὸ δῶρον περὶ αὐτῆς, τὸ δέκατον τοῦ οἰφὶ ἄλευρον κρίθινον, οὐκ ἐπιχεεῖ ἐπ' αὐτὸ ἔλαιον, οὐδὲ ἐπιθήσει ἐπ' αὐτὸ λίβανον· ἔστι γὰρ θυσία ζηλοτυπίας, θυσία μνημοσύνου, ἀναμιμνήσκουσα ἁμαρτίαν.
15dan moet die man zijn vrouw voor den priester leiden. Hij moet voor haar een tiende efa gerst als haar offergave brengen, maar er geen olie over uitgieten en er geen wierook aan toe voegen; want het is een spijsoffer der jaloersheid, een herinneringsoffer, dat zonde doet gedenken.
16καὶ προσάξει αὐτὴν ὁ ἱερεὺς καὶ στήσει αὐτὴν ἔναντι Κυρίου,
16De priester moet haar naar voren doen komen, om haar voor het aanschijn van Jahweh te plaatsen.
17καὶ λήψεται ὁ ἱερεὺς ὕδωρ καθαρὸν ζῶν ἐν ἀγγείῳ ὀστρακίνῳ καὶ τῆς γῆς τῆς οὔσης ἐπὶ τοῦ ἐδάφους τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου, καὶ λαβὼν ὁ ἱερεὺς ἐμβαλεῖ εἰς τὸ ὕδωρ.
17Dan moet de priester heilig water in een aarden vat nemen, wat stof van de vloer van de tabernakel rapen, en dat in het water doen.
18καὶ στήσει ὁ ἱερεὺς τὴν γυναῖκα ἔναντι Κυρίου καὶ ἀποκαλύψει τὴν κεφαλὴν τῆς γυναικὸς καὶ δώσει ἐπὶ τὰς χεῖρας αὐτῆς τὴν θυσίαν τοῦ μνημοσύνου, τὴν θυσίαν τῆς ζηλοτυπίας, ἐν δὲ τῇ χειρὶ τοῦ ἱερέως ἔσται τὸ ὕδωρ τοῦ ἐλεγμοῦ τοῦ ἐπικαταρωμένου τούτου.
18Vervolgens moet de priester de vrouw voor het aanschijn van Jahweh plaatsen, haar hoofdhaar losmaken en het spijsoffer ter herinnering in haar handen leggen: het is een spijsoffer van ijverzucht. En terwijl de priester het bittere vloekwater in de hand houdt,
19καὶ ὁρκιεῖ αὐτὴν ὁ ἱερεύς, καὶ ἐρεῖ τῇ γυναικί· εἰ μὴ κεκοίμηταί τις μετὰ σοῦ, εἰ μὴ παραβέβηκας μιανθῆναι ὑπὸ τὸν ἄνδρα τὸν σεαυτῆς, ἀθῴα ἴσθι ἀπὸ τοῦ ὕδατος τοῦ ἐλεγμοῦ τοῦ ἐπικαταρωμένου τούτου·
19zal hij de vrouw bezweren en tot haar zeggen: Zo geen man gemeenschap met u heeft gehad, zo ge u niet misdragen en bezoedeld hebt, sinds ge uw man behoort, zult ge door dit bittere vloekwater niet worden gedeerd!
20εἰ δὲ σὺ παραβέβηκας ὕπανδρος οὖσα, ἢ μεμίανσαι καὶ ἔδωκέ τις τὴν κοίτην αὐτοῦ ἐν σοί, πλὴν τοῦ ἀνδρός σου·
20Maar wanneer ge u misdragen en bezoedeld hebt, sinds ge uw man behoort, doordat een andere man dan de uwe gemeenschap met u heeft gehad,
21καὶ ὁρκιεῖ ὁ ἱερεὺς τὴν γυναῖκα ἐν τοῖς ὅρκοις τῆς ἀρᾶς ταύτης, καὶ ἐρεῖ ὁ ἱερεὺς τῇ γυναικί· δῴη σε Κύριος ἐν ἀρᾷ καὶ ἐνόρκιον ἐν μέσῳ τοῦ λαοῦ σου, ἐν τῷ δοῦναι Κύριον τὸν μηρόν σου διαπεπτωκότα, καὶ τὴν κοιλίαν σου πεπρησμένην,
21—nu zal de priester over de vrouw de vervloeking uitspreken en tot de vrouw zeggen—”dan zal Jahweh u tot een vloek en een verwensing maken onder uw volk, door uw heup te doen invallen en uw buik te doen zwellen.
22καὶ εἰσελεύσεται τὸ ὕδωρ τὸ ἐπικαταρώμενον τοῦτο εἰς τὴν κοιλίαν σου πρῆσαι γαστέρα καὶ διαπεσεῖν μηρόν σου. καὶ ἐρεῖ ἡ γυνή· γένοιτο, γένοιτο.
22Dit vloekwater zal in uw binnenste dringen, om uw buik te doen zwellen en uw heup te doen invallen!” En de vrouw moet antwoorden: Amen, Amen!
23καὶ γράψει ὁ ἱερεὺς τὰς ἀρὰς ταύτας εἰς βιβλίον, καὶ ἐξαλείψει εἰς τὸ ὕδωρ τοῦ ἐλεγμοῦ τοῦ ἐπικαταρωμένου.
23Dan moet de priester deze vervloekingen op een blad schrijven, ze in het bittere vloekwater uitwissen,
24καὶ ποτιεῖ τὴν γυναῖκα τὸ ὕδωρ τοῦ ἐλεγμοῦ τοῦ ἐπικαταρωμένου, καὶ εἰσελεύσεται εἰς αὐτὴν τὸ ὕδωρ τὸ ἐπικαταρώμενον τοῦ ἐλεγμοῦ.
24om het die vrouw te laten drinken, zodat het bittere vloekwater in haar binnenste dringt.
25καὶ λήψεται ὁ ἱερεὺς ἐκ χειρὸς τῆς γυναικὸς τὴν θυσίαν τῆς ζηλοτυπίας καὶ ἐπιθήσει τὴν θυσίαν ἔναντι Κυρίου καὶ προσοίσει αὐτὴν πρὸς τὸ θυσιαστήριον,
25Daarna moet de priester het spijsoffer van jaloersheid uit de hand van de vrouw nemen, het Jahweh als strekoffer aanbieden en naar het altaar brengen;
26καὶ δράξεται ὁ ἱερεὺς ἀπὸ τῆς θυσίας τὸ μνημόσυνον αὐτῆς καὶ ἀνοίσει αὐτὸ ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον καὶ μετὰ ταῦτα ποτιεῖ τὴν γυναῖκα τὸ ὕδωρ.
26dan moet de priester van het spijsoffer een handvol als reukoffer nemen, en op het altaar in rook doen opgaan. Tenslotte zal hij de vrouw het water laten drinken.
27καὶ ἔσται, ἐὰν ᾖ μεμιασμένη καὶ λήθῃ λάθη τὸν ἄνδρα αὐτῆς, καὶ εἰσελεύσεται εἰς αὐτὴν τὸ ὕδωρ τοῦ ἐλεγμοῦ τὸ ἐπικαταρώμενον, καὶ πρησθήσεται τὴν κοιλίαν, καὶ διαπεσεῖται ὁ μηρὸς αὐτῆς, καὶ ἔσται ἡ γυνὴ εἰς ἀρὰν τῷ λαῷ αὐτῆς.
27Heeft hij haar het water doen drinken, dan zal, zo zij zich bezoedeld heeft en haar man ontrouw is geweest, haar buik zwellen en haar heup invallen, zodra het bittere vloekwater in haar binnenste dringt, en die vrouw zal een vloek worden onder haar volk.
28ἐὰν δὲ μὴ μιανθῇ ἡ γυνὴ καὶ καθαρὰ ᾖ, καὶ ἀθῴα ἔσται καὶ ἐκσπερματιεῖ σπέρμα.
28Maar zo die vrouw zich niet heeft bezoedeld, doch rein is, dan blijft ze ongedeerd, en wordt met kinderen gezegend.
29οὗτος ὁ νόμος τῆς ζηλοτυπίας, ᾧ ἂν παραβῇ ἡ γυνὴ ὕπανδρος οὖσα καὶ μιανθῇ·
29Dit is dus de wet op de jaloersheid: Wanneer een vrouw zich heeft misdragen en bezoedeld, sinds ze aan haar man behoort,
30ἢ ἄνθρωπος, ᾧ ἐὰν ἐπέλθῃ ἐπ' αὐτὸν πνεῦμα ζηλώσεως καὶ ζηλώσῃ τὴν γυναῖκα αὐτοῦ, καὶ στήσῃ τὴν γυναῖκα αὐτοῦ ἔναντι Κυρίου, καὶ ποιήσῃ αὐτῇ ὁ ἱερεὺς πάντα τὸν νόμον τοῦτον·
30of wanneer een man jaloers wordt, en hij zijn vrouw gaat verdenken, dan zal hij zijn vrouw voor het aanschijn van Jahweh plaatsen, en de priester zal heel deze wet op haar toepassen.
31καὶ ἀθῷος ἔσται ὁ ἄνθρωπος ἀπὸ ἁμαρτίας, καὶ ἡ γυνὴ ἐκείνη λήψεται τὴν ἁμαρτίαν αὐτῆς.
31De man zal dan vrij zijn van schuld, maar de vrouw zal haar schuld moeten boeten.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.