ΑΡΙΘΜΟΙ 20
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἦλθον οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ πᾶσα ἡ συναγωγὴ εἰς τὴν ἔρημον Σίν, ἐν τῷ μηνὶ τῷ πρώτῳ, καὶ κατέμεινεν ὁ λαὸς ἐν Κάδης, καὶ ἐτελεύτησεν ἐκεῖ Μαριὰμ καὶ ἐτάφη ἐκεῖ.
1Toen in de eerste maand heel de gemeenschap der Israëlieten in de woestijn Sin was gekomen, vestigde het volk zich te Kadesj. Daar stierf Mirjam, en werd zij begraven.
2καὶ οὐκ ἦν ὕδωρ τῇ συναγωγῇ, καὶ ἠθροίσθησαν ἐπὶ Μωυσῆν καὶ Ἀαρών.
2Eens toen de gemeenschap geen water had, liep men tegen Moses en Aäron te hoop.
3καὶ ἐλοιδορεῖτο ὁ λαὸς πρὸς Μωυσῆν λέγοντες· ὄφελον ἀπεθάνομεν ἐν τῇ ἀπωλείᾳ τῶν ἀδελφῶν ἡμῶν ἔναντι Κυρίου·
3Het volk zocht twist met Moses, en zei: Ach, waren we maar gestorven, toen onze broeders omkwamen voor het aanschijn van Jahweh!
4καὶ ἱνατί ἀνηγάγετε τὴν συναγωγὴν Κυρίου εἰς τὴν ἔρημον ταύτην ἀποκτεῖναι ἡμᾶς καὶ τὰ κτήνη ἡμῶν;
4Waarom hebt gij de gemeente van Jahweh naar deze woestijn gevoerd, om ons hier met ons vee te doen omkomen!
5καὶ ἱνατί τοῦτο; ἀνηγάγετε ἡμᾶς ἐξ Αἰγύπτου παραγενέσθαι εἰς τὸν τόπον τὸν πονηρὸν τοῦτον, τόπος οὗ οὐ σπείρεται, οὐδὲ συκαῖ, οὐδὲ ἄμπελοι, οὔτε ροαί, οὔτε ὕδωρ ἐστὶ πιεῖν.
5Waarom hebt gij ons uit Egypte geleid, om ons naar deze dorre streek te brengen, waar geen plek is, om te zaaien, waar geen vijg is, geen wijnstok of granaat, zelfs geen water om te drinken!
6καὶ ἦλθε Μωυσῆς καὶ Ἀαρὼν ἀπὸ προσώπου τῆς συναγωγῆς ἐπὶ τὴν θύραν τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου καὶ ἔπεσον ἐπὶ πρόσωπον, καὶ ὤφθη ἡ δόξα Κυρίου πρὸς αὐτούς.
6Toen liepen Moses en Aäron van de gemeente weg naar de ingang van de openbaringstent, en vielen op hun aangezicht neer. De heerlijkheid van Jahweh verscheen hun,
7καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
7en Jahweh sprak tot Moses:
8λάβε τὴν ράβδον σου καὶ ἐκκλησίασον τὴν συναγωγὴν σὺ καὶ Ἀαρὼν ὁ ἀδελφός σου καὶ λαλήσατε πρὸς τὴν πέτραν ἐναντίον αὐτῶν, καὶ δώσει τὰ ὕδατα αὐτῆς, καὶ ἐξοίσετε αὐτοῖς ὕδωρ ἐκ τῆς πέτρας, καὶ ποτιεῖτε τὴν συναγωγὴν καὶ τὰ κτήνη αὐτῶν.
8Neem de staf, en roep met uw broeder Aäron de gemeenschap bijeen, en gebied in hun bijzijn de rots, water te geven. Gij moet voor hen water uit de rots doen vloeien, en de gemeente en haar vee te drinken geven.
9καὶ ἔλαβε Μωυσῆς τὴν ράβδον τὴν ἀπέναντι Κυρίου, καθὰ συνέταξε Κύριος,
9Moses nam dus de staf voor het aanschijn van Jahweh weg, zoals Hij hem bevolen had,
10καὶ ἐξεκλησίασε Μωυσῆς καὶ Ἀαρὼν τὴν συναγωγὴν ἀπέναντι τῆς πέτρας καὶ εἶπε πρὸς αὐτούς· ἀκούσατέ μου, οἱ ἀπειθεῖς· μὴ ἐκ τῆς πέτρας ταύτης ἐξάξομεν ὑμῖν ὕδωρ;
10riep met Aäron de gemeente bijeen voor de rots en sprak tot haar: Luistert, rebellen! Kunnen wij wel uit deze rots voor u water doen vloeien!
11καὶ ἐπάρας Μωυσῆς τὴν χεῖρα αὐτοῦ ἐπάταξε τὴν πέτραν τῇ ράβδῳ δίς, καὶ ἐξῆλθεν ὕδωρ πολύ, καὶ ἔπιεν ἡ συναγωγὴ καὶ τὰ κτήνη αὐτῶν.
11Daarbij hief Moses zijn hand op, en sloeg twee maal met zijn staf op de rots; toen vloeide er water in overvloed uit, zodat de gemeenschap met haar vee kon drinken.
12καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Μωυσῆν καὶ Ἀαρών· ὅτι οὐκ ἐπιστεύσατε ἁγιάσαι με ἐναντίον τῶν υἱῶν Ἰσραήλ, διὰ τοῦτο οὐκ εἰσάξετε ὑμεῖς τὴν συναγωγὴν ταύτην εἰς τὴν γῆν, ἣν δέδωκα αὐτοῖς.
12Maar Jahweh sprak tot Moses en Aäron: Omdat gij Mij niet hebt geloofd, en Mij voor de ogen van de Israëlieten niet als heilig behandeld hebt, zult gij deze gemeente niet binnenleiden in het land, dat Ik hun heb geschonken.
13τοῦτο τὸ ὕδωρ ἀντιλογίας, ὅτι ἐλοιδορήθησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἔναντι Κυρίου καὶ ἡγιάσθη ἐν αὐτοῖς.
13Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten met Jahweh hebben getwist, en Hij Zich aan hen als heilig toonde.
14Καὶ ἀπέστειλε Μωυσῆς ἀγγέλους ἐκ Κάδης πρὸς βασιλέα Ἐδὼμ λέγων· τάδε λέγει ὁ ἀδελφός σου Ἰσραήλ· σὺ ἐπίστῃ πάντα τὸν μόχθον τὸν εὑρόντα ἡμᾶς,
14Van Kadesj uit zond Moses gezanten naar den koning van Edom met de boodschap: Zo spreekt uw broeder Israël! Gij kent alle wederwaardigheden, die wij hebben ondervonden.
15καὶ κατέβησαν οἱ πατέρες ἡμῶν εἰς Αἴγυπτον, καὶ παρῳκήσαμεν ἐν Αἰγύπτῳ ἡμέρας πλείους, καὶ ἐκάκωσαν ἡμᾶς οἱ Αἰγύπτιοι καὶ τοὺς πατέρας ἡμῶν,
15Onze vaderen zijn naar Egypte getrokken, en wij hebben lange tijd in Egypte gewoond. Maar de Egyptenaren hebben ons evenals onze vaderen mishandeld.
16καὶ ἀνεβοήσαμεν πρὸς Κύριον, καὶ εἰσήκουσε Κύριος τῆς φωνῆς ἡμῶν καὶ ἀποστείλας ἄγγελον ἐξήγαγεν ἡμᾶς ἐξ Αἰγύπτου, καὶ νῦν ἐσμεν ἐν Κάδης πόλει, ἐκ μέρους τῶν ὁρίων σου·
16Wij hebben tot Jahweh geroepen, en Hij heeft ons gehoord, en zijn engel gezonden, om ons uit Egypte te leiden. Nu zijn wij in Kadesj, een stad aan de grens van uw gebied,
17παρελευσόμεθα διὰ τῆς γῆς σου, οὐ διελευσόμεθα δι' ἀγρῶν, οὐδὲ δι' ἀμπελώνων, οὐδὲ πιόμεθα ὕδωρ ἐκ λάκκου σου, ὁδῷ βασιλικῇ πορευσόμεθα, οὐκ ἐκκλινοῦμεν δεξιὰ οὐδὲ εὐώνυμα, ἕως ἂν παρέλθωμεν τὰ ὅριά σου.
17en wij zouden graag door uw land trekken. Wij zullen niet door uw velden en wijngaarden gaan, en geen water drinken uit uw putten, maar de koninklijke weg blijven houden, zonder rechts of links af te wijken, zolang wij door uw gebied trekken.
18καὶ εἶπε πρὸς αὐτὸν Ἐδώμ· οὐ διελεύσῃ δι' ἐμοῦ, εἰ δὲ μή, ἐν πολέμῳ ἐξελεύσομαι εἰς συνάντησίν σοι.
18Maar Edom gaf hem ten antwoord: Gij moogt er bij mij niet door; anders trek ik u met het zwaard tegemoet.
19καὶ λέγουσιν αὐτῷ οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ· παρά τὸ ὄρος παρελευσόμεθα, ἐὰν δὲ τοῦ ὕδατός σου πίωμεν ἐγώ τε καὶ τὰ κτήνη μου, δώσω τιμήν σοι· ἀλλὰ τὸ πρᾶγμα οὐδέν ἐστι, παρὰ τὸ ὄρος παρελευσόμεθα.
19De Israëlieten drongen bij hem aan: Wij zullen de gebaande wegen houden, en mocht ik of mijn vee van uw water drinken, dan zal ik daarvoor betalen. Het heeft toch niets te betekenen, dat ik te voet er doorheen trek.
20ὁ δὲ εἶπεν· οὐ διελεύσῃ δι' ἐμοῦ. καὶ ἐξῆλθεν Ἐδὼμ εἰς συνάντησιν αὐτῷ ἐν ὄχλῳ βαρεῖ καὶ ἐν χειρὶ ἰσχυρᾷ.
20Hij antwoordde: Ge komt er niet door! En Edom trok hem met veel volk en sterk gewapend tegemoet.
21καὶ οὐκ ἠθέλησεν Ἐδὼμ δοῦναι τῷ Ἰσραὴλ παρελθεῖν διὰ τῶν ὁρίων αὐτοῦ· καὶ ἐξέκλινεν Ἰσραὴλ ἀπ' αὐτοῦ.
21Daar Edom dus aan Israël de doortocht weigerde door zijn gebied, moest Israël om hem heen trekken.
22Καὶ ἀπῇραν ἐκ Κάδης· καὶ παρεγένοντο οἱ υἱοὶ Ἰσραήλ, πᾶσα ἡ συναγωγὴ εἰς Ὢρ τὸ ὄρος.
22Toen heel de gemeenschap der Israëlieten van Kadesj was opgetrokken, bereikten zij de berg Hor.
23καὶ εἶπε Κύριος πρὸς Μωυσῆν καὶ Ἀαρὼν ἐν Ὢρ τῷ ὄρει ἐπὶ τῶν ὁρίων τῆς γῆς Ἐδὼμ λέγων·
23En op de berg Hor, aan de grens van het land van Edom, sprak Jahweh tot Moses en Aäron:
24προστεθήτω Ἀαρὼν πρὸς τὸν λαὸν αὐτοῦ, ὅτι οὐ μὴ εἰσέλθητε εἰς τὴν γῆν, ἣν δέδωκα τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ, διότι παρωξύνατέ με ἐπὶ τοῦ ὕδατος τῆς λοιδορίας.
24Aäron zal bij zijn volk worden verzameld; want hij zal het land, dat Ik de Israëlieten heb gegeven, niet binnengaan, omdat gij beiden u bij het water van Meriba tegen mijn bevel hebt verzet.
25λάβε τὸν Ἀαρὼν καὶ Ἐλεάζαρ τὸν υἱὸν αὐτοῦ καὶ ἀναβίβασον αὐτοὺς εἰς Ὢρ τὸ ὄρος ἔναντι πάσης τῆς συναγωγῆς
25Neem Aäron en zijn zoon Elazar met u mee, en laat ze de berg Hor bestijgen.
26καὶ ἔκδυσον Ἀαρὼν τὴν στολὴν αὐτοῦ καὶ ἔνδυσον Ἐλεάζαρ τὸν υἱὸν αὐτοῦ, καὶ Ἀαρὼν προστεθεὶς ἀποθανέτω ἐκεῖ.
26Ontdoe Aäron van zijn gewaden, en bekleed er zijn zoon Elazar mee. Dan zal Aäron daar bij zijn volk worden verzameld en daar sterven.
27καὶ ἐποίησε Μωυσῆς καθὰ συνέταξε Κύριος αὐτῷ, καὶ ἀνεβίβασεν αὐτὸν εἰς Ὢρ τὸ ὄρος ἐναντίον πάσης τῆς συναγωγῆς.
27Moses deed, wat Jahweh hem had bevolen, en ten aanschouwen van heel de gemeenschap bestegen zij de berg Hor.
28καὶ ἐξέδυσε τὸν Ἀαρὼν τὰ ἱμάτια αὐτοῦ καὶ ἐνέδυσεν αὐτὰ Ἐλεάζαρ τὸν υἱὸν αὐτοῦ· καὶ ἀπέθανεν Ἀαρὼν ἐπὶ τῆς κορυφῆς τοῦ ὄρους, καὶ κατέβη Μωυσῆς καὶ Ἐλεάζαρ ἐκ τοῦ ὄρους.
28Moses ontdeed Aäron van zijn gewaden, en bekleedde er zijn zoon Elazar mee. En Aäron stierf daar op de top van de berg. Toen Moses en Elazar van de berg afdaalden,
29καὶ εἶδε πᾶσα ἡ συναγωγή, ὅτι ἀπελύθη Ἀαρών, καὶ ἔκλαυσαν τὸν Ἀαρὼν τριάκοντα ἡμέρας πᾶς οἶκος Ἰσραήλ.
29en heel de gemeenschap zag, dat Aäron gestorven was, beweende heel het huis van Israël Aäron dertig dagen lang.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.