Acts 11
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the apostles and brethren, who were in Judea, heard that the Gentiles also had received the word of God.
1De apostelen en de broeders, die in Judea waren, vernamen dus, dat ook de heidenen het woord Gods hadden ontvangen.
2And when Peter was come up to Jerusalem, they that were of the circumcision contended with him,
2En toen Petrus te Jerusalem kwam, begonnen de broeders uit de besnijdenis hem verwijten te doen,
3Saying: Why didst thou go in to men uncircumcised, and didst eat with them?
3en zeiden: Gij zijt bij onbesnedenen binnengegaan, en hebt met hen gegeten!
4But Peter began and declared to them the matter in order, saying:
4Nu gaf Petrus hun een geregeld verslag van de aanvang af, en zeide:
5I was in the city of Joppe praying, and I saw in an ecstasy of mind a vision, a certain vessel descending, as it were a great sheet let down from heaven by four corners, and it came even unto me.
5Ik was in de stad Joppe bezig met bidden, toen ik in geestverrukking het volgende visioen zag: een soort zak, als een groot laken, werd aan de vier uiteinden afgelaten, daalde neer uit de hemel, en kwam naar mij toe.
6Into which looking, I considered, and saw fourfooted creatures of the earth, and beasts, and creeping things, and fowls of the air:
6Toen ik er heel aandachtig naar keek, zag ik de viervoetige landdieren en de wilde beesten, het kruipend gedierte en de vogels uit de lucht.
7And I heard also a voice saying to me: Arise, Peter; kill and eat.
7Ook hoorde ik een stem, die tot mij sprak: Sta op, Petrus, slacht en eet.
8And I said: Not so, Lord; for nothing common or unclean hath ever entered into my mouth.
8Maar ik zeide: Onmogelijk, Heer; want nog nooit is er iets mijn mond ingegaan, wat bezoedeld is, of onrein.
9And the voice answered again from heaven: What God hath made clean, do not thou call common.
9Een tweede maal weerklonk een stem uit de hemel: Wat God rein heeft verklaard, moogt gij niet bezoedeld noemen.
10And this was done three times: and all were taken up again into heaven.
10Dit gebeurde tot driemaal toe; daarna werd alles weer naar de hemel opgetrokken.
11And behold, immediately there were three men come to the house wherein I was, sent to me from Caesarea.
11En zie, op hetzelfde ogenblik stonden er drie mannen, die van Cesarea tot mij waren gezonden, voor het huis, waar ik verblijf hield.
12And the Spirit said to me, that I should go with them, nothing doubting. And these six brethren went with me also: and we entered into the man’s house.
12En de Geest zeide mij, zonder enig bedenken met hen mee te gaan. Ook deze zes broeders gingen met mij mee, en we kwamen in het huis van dien man.
13And he told us how he had seen an angel in his house, standing, and saying to him: Send to Joppe, and call hither Simon, who is surnamed Peter,
13Deze verhaalde ons, hoe hij in zijn huis den engel had zien staan. die hem zeide: Zend enige mannen naar Joppe, om Simon te ontbieden, die ook Petrus wordt genoemd;
14Who shall speak to thee words, whereby thou shalt be saved, and all thy house.
14hij zal woorden tot u spreken, waardoor ge gered zult worden, met heel uw gezin.
15And when I had begun to speak, the Holy Ghost fell upon them, as upon us also in the beginning.
15Toen ik nu begon te spreken, daalde de Heilige Geest op hen neer, juist zoals vroeger op ons.
16And I remembered the word of the Lord, how that he said: John indeed baptized with water, but you shall be baptized with the Holy Ghost.
16En ik herinnerde mij het woord, dat de Heer heeft gesproken “Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest worden gedoopt”.
17If then God gave them the same grace, as to us also who believed in the Lord Jesus Christ; who was I, that could withstand God?
17Als God dan aan hen dezelfde gave geschonken heeft als aan ons, die in den Heer Jesus Christus geloven, wie was ik dan wel, dat ik God zou kunnen tegenwerken?
18Having heard these things, they held their peace, and glorified God, saying: God then hath also to the Gentiles given repentance unto life.
18Toen ze dit hadden gehoord, berustten zij er in, verheerlijkten God, en zeiden: Dus heeft God ook aan de heidenen de bekering ten leven geschonken.
19Now they who had been dispersed by the persecution that arose on occasion of Stephen, went about as far as Phenice and Cyprus and Antioch, speaking the word to none, but to the Jews only.
19Intussen waren zij, die zich hadden verspreid om de vervolging, door het optreden van Stéfanus ontstaan, tot Fenicië, Cyprus, en Antiochië doorgedrongen, en hadden aan niemand het woord verkondigd, dan aan de Joden alleen.
20But some of them were men of Cyprus and Cyrene, who, when they were entered into Antioch, spoke also to the Greeks, preaching the Lord Jesus.
20Maar na hun komst te Antiochië, begonnen sommigen van hen, de Cypriërs en de Cyreneërs, zich ook tot de heidenen te richten, en hun den Heer Jesus te verkondigen
21And the hand of the Lord was with them: and a great number believing, were converted to the Lord.
21En de hand des Heren was met hen: een groot aantal werd gelovig, en bekeerde zich tot den Heer.
22And the tidings came to the ears of the church that was at Jerusalem, touching these things: and they sent Barnabas as far as Antioch.
22Zodra het gerucht hiervan de kerk van Jerusalem ter ore kwam, vaardigde men Bárnabas naar Antiochië af.
23Who, when he was come, and had seen the grace of God, rejoiced: and he exhorted them all with purpose of heart to continue in the Lord.
23Toen hij daar aankwam, en hij Gods genade zag, was hij verheugd, en spoorde allen aan, den Heer trouw te blijven, door de goede gesteltenis van hun hart;
24For he was a good man, and full of the Holy Ghost and of faith. And a great multitude was added to the Lord.
24want hij was een vroom man, vol van den Heiligen Geest en van geloof. En een grote schare werd voor den Heer gewonnen.
25And Barnabas went to Tarsus to seek Saul: whom, when he had found, he brought to Antioch.
25Vervolgens vertrok hij naar Tarsus, om Saul op te zoeken; hij trof hem daar aan, en bracht hem naar Antiochië.
26And they conversed there in the church a whole year; and they taught a great multitude, so that at Antioch the disciples were first named Christians.
26Een vol jaar bleven ze in deze gemeente bij elkander, en gaven ze onderricht aan een talrijke schare. Te Antiochië werden de leerlingen voor het eerst christenen genoemd.
27And in these days there came prophets from Jerusalem to Antioch:
27In die dagen kwamen er profeten van Jerusalem te Antiochië aan.
28And one of them named Agabus, rising up, signified by the Spirit, that there should be a great famine over the whole world, which came to pass under Claudius.
28Een van hen, Agabus genaamd, trad op, en maakte door den Geest bekend, dat er een grote hongersnood over de hele wereld zou komen; wat dan ook onder Cláudius is gebeurd.
29And the disciples, every man according to his ability, purposed to send relief to the brethren who dwelt in Judea:
29De leerlingen besloten, om elk naar vermogen een ondersteuning te zenden aan de broeders, die in Judea woonden.
30Which also they did, sending it to the ancients, by the hands of Barnabas and Saul.
30Dat hebben ze dan ook gedaan, en ze aan de priesters toegezonden door bemiddeling van Bárnabas en Saul.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.