Acts 19
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And it came to pass, while Apollo was at Corinth, that Paul having passed through the upper coasts, came to Ephesus, and found certain disciples.
1Terwijl Apollo reeds te Korinte vertoefde, trok Paulus de hogerop gelegen streken door, en kwam te Éfese aan. Daar trof hij enige leerlingen aan,
2And he said to them: Have you received the Holy Ghost since ye believed? But they said to him: We have not so much as heard whether there be a Holy Ghost.
2tot wie hij zeide: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, toen gij gelovig werdt? Maar ze antwoordden hem: Neen: we hebben zelfs niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest bestaat.
3And he said: In what then were you baptized? Who said: In John’s baptism.
3Hij zeide: Met welk doopsel zijt gij dan gedoopt? Ze antwoordden: Met het doopsel van Johannes
4Then Paul said: John baptized the people with the baptism of penance, saying: That they should believe in him who was to come after him, that is to say, in Jesus.
4Nu sprak Paulus: Johannes heeft inderdaad met een doopsel van bekering gedoopt, maar hij sprak daarbij tot het volk, dat ze moesten geloven in Hem, die na hem zou komen; dat is in Jesus.
5Having heard these things, they were baptized in the name of the Lord Jesus.
5Toen ze dit hadden gehoord, lieten ze zich dopen in de naam van den Heer Jesus.
6And when Paul had imposed his hands on them, the Holy Ghost came upon them, and they spoke with tongues and prophesied.
6Paulus legde hun de handen op, en de Heilige Geest kwam over hen neer; en ze spraken in talen en profeteerden
7And all the men were about twelve.
7In het geheel waren het twaalf man ongeveer.
8And entering into the synagogue, he spoke boldly for the space of three months, disputing and exhorting concerning the kingdom of God.
8Drie maanden lang ging hij naar de synagoge, en trad er met vrijmoedigheid op; hij disputeerde er over het koninkrijk Gods, en bracht overtuigende bewijzen naar voren.
9But when some were hardened, and believed not, speaking evil of the way of the Lord, before the multitude, departing from them, he separated the disciples, disputing daily in the school of one Tyrannus.
9Maar toen sommigen zich verhardden en niet wilden geloven, en daarenboven voor de menigte de Weg begonnen te lasteren, scheidde hij zich van hen af, en verzamelde zijn leerlingen afzonderlijk in de school van Tyrannus, waar hij dagelijks onderricht gaf.
10And this continued for the space of two years, so that all they who dwelt in Asia, heard the word of the Lord, both Jews and Gentiles.
10Dit duurde zo twee jaren lang, zodat alle bewoners van Azië, Joden als heidenen, het woord des Heren vernamen.
11And God wrought by the hand of Paul more than common miracles.
11En God deed buitengewone wonderen door de handen van Paulus;
12So that even there were brought from his body to the sick, handkerchiefs and aprons, and the diseases departed from them, and the wicked spirits went out of them.
12zodat zelfs als men de doeken en gordels, die zijn lichaam hadden aangeraakt, op de zieken legde, de kwalen hen verlieten, en de boze geesten op de vlucht gingen.
13Now some also of the Jewish exorcists who went about, attempted to invoke over them that had evil spirits, the name of the Lord Jesus, saying: I conjure you by Jesus, whom Paul preacheth.
13Ook enige rondtrekkende joodse duivelbezweerders beproefden eens de naam van den Heer Jesus aan te roepen over hen, die door boze geesten waren bezeten. Ze zeiden: Ik bezweer u bij Jesus, dien Paulus preekt.
14And there were certain men, seven sons of Sceva, a Jew, a chief priest, that did this.
14Het waren de zeven zonen van een joodsen opperpriester Skevas die dit deden.
15But the wicked spirit, answering, said to them: Jesus I know, and Paul I know; but who are you?
15Maar de boze geest antwoordde hun: Jesus ken ik, en Paulus ken ik ook; maar wie zijt gij?
16And the man in whom the wicked spirit was, leaping upon them, and mastering them both, prevailed against them, so that they fled out of that house naked and wounded.
16En de man met den bozen geest sprong op hen los, overmeesterde en mishandelde hen, zodat ze naakt en gewond het huis uit vluchtten.
17And this became known to all the Jews and the Gentiles that dwelt at Ephesus; and fear fell on them all, and the name of the Lord Jesus was magnified.
17Dit werd bekend aan alle Joden en heidenen, die in Éfese woonden; allen werden van vrees vervuld, en de naam van den Heer Jesus werd verheerlijkt.
18And many of them that believed, came confessing and declaring their deeds.
18Velen van hen, die geloofden, kwamen openlijk belijden, wat ze misdaan hadden.
19And many of them who had followed curious arts, brought together their books, and burnt them before all; and counting the price of them, they found the money to be fifty thousand pieces of silver.
19Anderen, die met toverkunsten hadden omgegaan, brachten de boeken, en verbrandden ze voor aller ogen; de waarde ervan werd op een bedrag van vijftig duizend zilverstukken geschat.
20So mightily grew the word of God, and was confirmed.
20Zo groeide het Woord door ‘s Heren kracht, en werd het machtig.
21And when these things were ended, Paul purposed in the spirit, when he had passed through Macedonia and Achaia, to go to Jerusalem, saying: After I have been there, I must see Rome also.
21Toen deze zaak was geregeld, maakte Paulus het plan, om over Macedónië en Achaja naar Jerusalem te gaan; en hij voegde er aan toe: Als ik daar ben geweest, moet ik ook Rome bezoeken.
22And sending into Macedonia two of them that ministered to him, Timothy and Erastus, he himself remained for a time in Asia.
22Hij zond twee van zijn helpers, Timóteus en Erastus, naar Macedónië vooruit, terwijl hij zelf nog enige tijd in Azië bleef.
23Now at that time there arose no small disturbance about the way of the Lord.
23Maar juist in deze tijd brak er een geweldige op. schudding los aangaande de Weg
24For a certain man named Demetrius, a silversmith, who made silver temples for Diana, brought no small gain to the craftsmen;
24Er was namelijk een zekere zilversmid, Demétrius genaamd, die zilveren tempeltjes van Diana vervaardigde, en de kunstenaars daarmee veel geld liet verdienen.
25Whom he calling together, with the workmen of like occupation, said: Sirs, you know that our gain is by this trade;
25Deze mannen en ook de werklieden in dat bedrijf riep hij bijeen, en zeide: Mannen! Gij weet, dat we aan dit bedrijf onze welstand hebben te danken.
26And you see and hear, that this Paul by persuasion hath drawn away a great multitude, not only of Ephesus, but almost of all Asia, saying: They are not gods which are made by hands.
26Nu ziet gij en hoort gij, hoe deze Paulus niet slechts te Éfese, maar in bijna gans Azië heel wat mensen door zijn redeneren er afkerig van maakt. Want hij beweert: Wat met de hand wordt gemaakt, zijn geen goden.
27So that not only this our craft is in danger to be set at nought, but also the temple of great Diana shall be reputed for nothing; yea, and her majesty shall begin to be destroyed, whom all Asia and the world worshippeth.
27We lopen dus gevaar, dat niet alleen ons bedrijf in miscrediet komt, maar dat ook de tempel van Diana, de grote godin, in minachting geraakt; ja, dat zij zelf, die door heel Azië en heel de wereld vereerd wordt, van haar majesteit zal worden beroofd.
28Having heard these things, they were full of anger, and cried out, saying: Great is Diana of the Ephesians.
28Toen ze dit hoorden, werden ze woedend, en schreeuwden het uit: Groot is de Diana der Efesiërs.
29And the whole city was filled with confusion; and having caught Gaius and Aristarchus, men of Macedonia, Paul’s companions, they rushed with one accord into the theatre.
29En de hele stad kwam in rep en roer. Als één man stormde alles naar het theater en men sleepte ook de Macedoniërs Cajus en Aristarchus, de reisgenoten van Paulus, daar heen.
30And when Paul would have entered in unto the people, the disciples suffered him not.
30Paulus wilde zich onder het volk begeven, maar de leerlingen hielden hem tegen;
31And some also of the rulers of Asia, who were his friends, sent unto him, desiring that he would not venture himself into the theatre.
31ook enigen der Asiarchen die hem genegen waren, lieten hem dringend verzoeken, zich niet in het theater te wagen.
32Now some cried one thing, some another. For the assembly was confused, and the greater part knew not for what cause they were come together.
32De vergadering zelf was in de grootste verwarring; de een riep dit, de ander dat; de meesten wisten niet eens, waarom ze saamgekomen waren.
33And they drew forth Alexander out of the multitude, the Jews thrusting him forward. And Alexander beckoning with his hand for silence, would have given the people satisfaction.
33Nu drongen de Joden een zekeren Alexander uit de menigte naar voren, om uitleg te geven. Alexander wenkte met de hand om stilte, en wilde een pleidooi tot het volk beginnen.
34But as soon as they perceived him to be a Jew, all with one voice, for the space of about two hours, cried out: Great is Diana of the Ephesians.
34Maar zodra ze bespeurden, dat hij een jood was, begonnen ze allemaal te loeien, en schreeuwden bijna twee uren lang: Groot is de Diana der Efesiërs.
35And when the town clerk had appeased the multitudes, he said: Ye men of Ephesus, what man is there that knoweth not that the city of the Ephesians is a worshipper of the great Diana, and of Jupiter’s offspring.
35De stadssecretaris bracht eindelijk de menigte tot bedaren, en sprak: Efesiërs, wie ter wereld zou niet weten, dat de stad der Efesiërs de grote Diana vereert en haar beeld, dat uit de hemel is gevallen?
36For as much therefore as these things cannot be contradicted, you ought to be quiet, and to do nothing rashly.
36Daar dit dus vaststaat, moet gij u rustig houden, en niet onberaden te werk gaan.
37For you have brought hither these men, who are neither guilty of sacrilege, nor of blasphemy against your goddess.
37Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die geen heiligschenners zijn, en geen lasteraars van uw godin.
38But if Demetrius and the craftsmen that are with him, have a matter against any man, the courts of justice are open, and there are proconsuls: let them accuse one another.
38Wanneer Demétrius en zijn vakgenoten klachten tegen iemand hebben, welnu er worden rechtszittingen gehouden en er zijn proconsuls; laat ze elkaar voor het gerecht dagen.
39And if you inquire after any other matter, it may be decided in a lawful assembly.
39En zo gij nog iets anders verlangt, dan zal het in een wettige vergadering worden behandeld.
40For we are even in danger to be called in question for this day’s uproar, there being no man guilty (of whom we may give account) of this concourse. And when he had said these things, he dismissed the assembly.
40Zo lopen we gevaar, van oproer te worden aangeklaagd om wat vandaag is gebeurd; want er bestaat geen enkele reden, waarmee we deze oploop verantwoorden kunnen.
no verse 41 in this text
41Met die woorden ontbond hij de vergadering.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.