路加福音 19
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1耶穌進了 耶利哥 ,正經過的時候,
1Nu kwam Hij Jericho binnen, en trok er doorheen.
2有一個人名叫 撒該 ,作稅吏長,是個財主。
2En zie, daar was een man, Zacheüs geheten; hij was oppertolbeambte en rijk.
3他要看看耶穌是怎樣的人;只因人多,他的身量又矮,所以不得看見,
3Hij wilde graag zien, wat voor een man Jesus was; maar door de menigte kon hij dat niet, want hij was klein van gestalte.
4就跑到前頭,爬上桑樹,要看耶穌,因為耶穌必從那裏經過。
4Om Hem toch te kunnen zien, liep hij vooruit, en klom in een vijgeboom; want Hij moest daar voorbij.
5耶穌到了那裏,抬頭一看,對他說:「 撒該 ,快下來!今天我必住在你家裏。」
5Toen Jesus daar langs kwam, keek Hij omhoog, en zei Hem: Zacheüs, kom vlug naar beneden; want vandaag moet Ik in uw huis verblijven.
6他就急忙下來,歡歡喜喜地接待耶穌。
6En hij kwam vlug naar beneden, en ontving Hem met vreugde.
7眾人看見,都私下議論說:「他竟到罪人家裏去住宿。」
7Allen zagen het; ze begonnen te morren, en zeiden: Bij een zondaar heeft Hij zijn intrek genomen.
8撒該 站着對主說:「主啊,我把所有的一半給窮人;我若訛詐了誰,就還他四倍。」
8Maar Zacheüs kwam bij den Heer staan, en sprak: Zie Heer, de helft van mijn vermogen schenk ik aan de armen; en zo ik iemand te kort heb gedaan, geef ik het vierdubbel terug.
9耶穌說:「今天救恩到了這家,因為他也是 亞伯拉罕 的子孫。
9Jesus zeide tot hem: Heden is er heil over dit huis gekomen; ook hij is een kind van Abraham.
10人子來,為要尋找、拯救失喪的人。」
10Want de Mensenzoon is gekomen, om te zoeken en te redden wat verloren was.
11眾人正在聽見這些話的時候,耶穌因為將近 耶路撒冷 ,又因他們以為上帝的國快要顯出來,就另設一個比喻,說:
11Daar ook de anderen dit hoorden, voegde Hij er een gelijkenis aan toe, omdat Hij dicht bij Jerusalem was, en men nu dacht, dat het koninkrijk Gods terstond zou verschijnen.
12「有一個貴冑往遠方去,要得國回來,
12Hij sprak dus: Een man van hoge geboorte reisde eens naar een ver land, om er de koninklijke waardigheid te ontvangen, en dan terug te keren.
13便叫了他的十個僕人來,交給他們十錠銀子,說:『你們去做生意,直等我回來。』
13Hij riep tien van zijn dienaars, gaf hun tien ponden, en zei hun:Drijft er handel mee, tot ik terugkom.
14他本國的人卻恨他,打發使者隨後去,說:『我們不願意這個人作我們的王。』
14Zijn landgenoten haatten hem echter, en zonden hem een gezantschap achterna met de opdracht: We willen hem niet als koning over ons.
15他既得國回來,就吩咐叫那領銀子的僕人來,要知道他們做生意賺了多少。
15Toen hij nu de koninklijke waardigheid had ontvangen, keerde hij terug, en liet de dienaars ontbieden, wien hij het geld had gegeven, om te vernemen, wat voor zaken ze hadden gedreven.
16頭一個上來,說:『主啊,你的一錠銀子已經賺了十錠。』
16De eerste verscheen en sprak: Heer, uw pond heeft tien pond winst opgeleverd.
17主人說:『好!良善的僕人,你既在最小的事上有忠心,可以有權柄管十座城。』
17Hij zei hem: Heel best, goede knecht; omdat ge over weinig getrouw zijt geweest, ontvang het bestuur over tien steden.
18第二個來,說:『主啊, 你的一錠銀子已經賺了五錠。』
18De tweede kwam, en sprak: Heer, uw pond heeft vijf pond opgebracht.
19主人說:『你也可以管五座城。』
19Tot hem zeide hij: Voer ook gij het bewind over vijf steden.
20又有一個來說:『主啊,看哪,你的一錠銀子在這裏,我把它包在手巾裏存着。
20Nu kwam ook de derde en sprak: Heer, hier is uw pond; ik heb het zorgvuldig in een doek opgeborgen.
21我原是怕你,因為你是嚴厲的人;沒有放下的,還要去拿, 沒有種下的,還要去收。』
21Want ik was bang voor u, omdat ge een streng man zijt. Ge vordert op, wat ge niet hebt gegeven, en ge maait wat ge niet hebt gezaaid.
22主人對他說:『你這惡僕,我要憑你的口定你的罪。你既知道我是嚴厲的人,沒有放下的,還要去拿,沒有種下的,還要去收,
22Hij zei hem: Met uw eigen woorden zal ik u oordelen, boze knecht. Ge wist, dat ik een streng man ben; dat ik opvorder wat ik niet heb gegeven, en maai wat ik niet heb gezaaid.
23為甚麼不把我的銀子交給銀行,等我來的時候,連本帶利都可以要回來呢?』
23Waarom hebt ge dan mijn geld niet uitgezet op de bank; dan zou ik het bij mijn komst met rente hebben teruggekregen.
24就對旁邊站着的人說:『奪過他這一錠來,給那有十錠的。』
24En tot de omstanders zeide hij: Neemt hem het pond af, en geeft het aan hem, die de tien ponden heeft.
25他們說:『主啊,他已經有十錠了。』
25Ze zeiden hem: Heer, hij heeft reeds tien pond.
26主人說 :『我告訴你們,凡有的,還要加給他;沒有的,連他所有的也要奪過來。
26Ik zeg u: Wie heeft, aan hem zal worden gegeven; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden wat hij bezit.
27至於我那些仇敵,不要我作他們王的,把他們拉來,在我面前殺了吧!』」
27En wat mijn vijanden aangaat, die me niet tot koning over zich wilden, brengt ze hier, en steekt ze voor mijn ogen neer.
28耶穌說完了這話,就在前面走,上 耶路撒冷 去。
28Na deze woorden ging Hij voorop, en trok naar Jerusalem.
29將近 伯法其 和 伯大尼 ,在一座山名叫 橄欖山 那裏,就打發兩個門徒,說:
29En toen Hij Bétfage en Betánië was genaderd, op de berg, die de Olijfberg heet, zond Hij twee van zijn leerlingen vooruit,
30「你們往對面村子裏去,進去的時候,必看見一匹驢駒拴在那裏,是從來沒有人騎過的,可以解開牽來。
30en sprak: Gaat naar het dorp hier tegenover; zodra gij er binnen komt, zult gij er een veulen vinden, dat vastgebonden is, en waarop nog geen mens heeft gezeten; maakt het los, en brengt het hier.
31若有人問為甚麼解牠,你們就說:『主要用牠。』」
31En zo iemand u vraagt: Waarom maakt gij het los? moet gij hem zeggen: De Heer heeft het nodig.
32打發的人去了,所遇見的正如耶穌所說的。
32Zij die vooruit werden gezonden, gingen er heen, en vonden het, zoals Hij het hun had gezegd.
33他們解驢駒的時候,主人問他們說:「解驢駒做甚麼?」
33Toen ze het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars tot hen: Waarom maakt gij het veulen los?
34他們說:「主要用牠。」
34Ze zeiden: De Heer heeft het nodig.
35他們牽到耶穌那裏,把自己的衣服搭在上面,扶着耶穌騎上。
35En ze brachten het veulen bij Jesus, legden er hun mantels over heen, en hielpen Jesus er op.
36走的時候,眾人把衣服鋪在路上。
36Terwijl Hij voortreed, spreidden ze hun mantels uit over de weg.
37將近 耶路撒冷 ,正下 橄欖山 的時候,眾門徒因所見過的一切異能,都歡樂起來,大聲讚美上帝,
37En toen Hij reeds aan de helling van de Olijfberg was gekomen, begon heel de groep van leerlingen vol blijdschap met luider stem God te verheerlijken om al de wonderen, die ze hadden aanschouwd;
38說: 奉主名來的王是應當稱頌的! 在天上有和平; 在至高之處有榮光。
38en ze zeiden: Gezegend de Koning, Die komt in de naam des Heren! Vrede in de hemel, En glorie in den hogen!
39眾人中有幾個法利賽人對耶穌說:「夫子,責備你的門徒吧!」
39Enige farizeën uit de menigte zeiden tot Hem: Meester, breng uw leerlingen tot bezinning.
40耶穌說:「我告訴你們,若是他們閉口不說,這些石頭必要呼叫起來。」
40Maar Hij gaf hun ten antwoord: Ik zeg u: Als zij zwijgen, dan zullen de stenen gaan roepen.
41耶穌快到 耶路撒冷 ,看見城,就為它哀哭,
41En toen Hij de stad naderde en haar zag, weende Hij over haar, en sprak:
42說:「巴不得你在這日子知道關係你平安的事;無奈這事現在是隱藏的,叫你的眼看不出來。
42Ach, mocht ook gij op deze dag nog erkennen, wat u tot vrede strekt; maar dat is thans voor uw ogen verborgen!
43因為日子將到,你的仇敵必築起土壘,周圍環繞你,四面困住你,
43Waarachtig, er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal om u werpen, u omsingelen, en u van alle kanten benauwen;
44並要掃滅你和你裏頭的兒女,連一塊石頭也不留在石頭上,因你不知道眷顧你的時候。」
44dat ze u zullen verdelgen, u en uw kinderen, die in u wonen; en dat ze bij u geen steen op de andere zullen laten, omdat ge uw tijd van ontferming niet hebt erkend.
45耶穌進了殿,趕出裏頭做買賣的人,
45Toen trad Hij de tempel binnen, en begon er de kooplieden uit te drijven.
46對他們說:「 經上 說: 我的殿必作禱告的殿, 你們倒使它成為賊窩了。」
46Hij zei hun: Er staat geschreven: “Mijn huis is een huis van gebed; maar gij hebt er een rovershol van gemaakt”.
47耶穌天天在殿裏教訓人。祭司長和文士與百姓的尊長都想要殺他,
47Nu leerde Hij dagelijks in de tempel. Maar de opperpriesters, schriftgeleerden en de hoofden van het volk zochten Hem te doden.
48但尋不出法子來,因為百姓都側耳聽他。
48Ze vonden echter geen middel, om hun plan ten uitvoer te brengen; want al het volk hing Hem aan, en luisterde naar Hem.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.