路加福音 13
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1正當那時,有人將 彼拉多 使 加利利 人的血攙雜在他們祭物中的事告訴耶穌。
1Bij deze gelegenheid waren er enigen tegenwoordig, die Hem van de Galileërs verhaalden, wier bloed Pilatus met dat hunner offerdieren vermengd had.
2耶穌說:「你們以為這些 加利利 人比眾 加利利 人更有罪,所以受這害嗎?
2Hij antwoordde hun: Meent gij, dat deze Galileërs groter zondaars waren dan alle andere Galileërs, omdat hun dit overkomen is?
3我告訴你們,不是的!你們若不悔改,都要如此滅亡!
3Neen, zeg Ik u: maar als gij u niet bekeert, zult gij allemaal even goed omkomen.
4從前 西羅亞 樓倒塌了,壓死十八個人;你們以為那些人比一切住在 耶路撒冷 的人更有罪嗎?
4Of meent gij, dat die achttien, die door het invallen van de toren van Siloë gedood zijn, schuldiger waren dan al de andere bewoners van Jerusalem?
5我告訴你們,不是的!你們若不悔改,都要如此滅亡!」
5Neen, zeg Ik u; maar als gij u niet bekeert, zult gij allemaal even goed omkomen.
6於是用比喻說:「一個人有一棵無花果樹栽在葡萄園裏。他來到樹前找果子,卻找不着。
6En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand had een vijgeboom, die in zijn wijngaard geplant was; hij kwam er vruchten aan zoeken, maar vond er geen.
7就對管園的說:『看哪,我這三年來到這無花果樹前找果子,竟找不着。把它砍了吧,何必白佔地土呢!』
7Toen zei hij tot den wijngaardenier: Zie, al drie jaar kom ik aan die vijgeboom vruchten zoeken, en vind er geen. Houw hem om; waarom put hij de grond nog uit?
8管園的說:『 主啊,今年且留着,等我周圍掘開土,加上糞;
8Maar hij antwoordde hem: Heer, laat hem dit jaar nog staan, totdat ik eerst de grond om hem heen heb omgespit, en bemest.
9以後若結果子便罷,不然再把它砍了。』」
9Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht. Zo niet, houw hem dan om.
10安息日,耶穌在會堂裏教訓人。
10Eens was Hij op de sabbat in een der synagogen onderricht aan ‘t geven.
11有一個女人被鬼附着,病了十八年,腰彎得一點直不起來。
11En zie, daar was een vrouw, die sinds achttien jaar van een ziektegeest was bezeten; ze ging krom, en kon onmogelijk recht overeind staan.
12耶穌看見,便叫過她來,對她說:「女人,你脫離這病了!」
12Toen Jesus haar zag, riep Hij haar, en zeide: Vrouw, ge zijt van uw ziekte verlost.
13於是用兩隻手按着她;她立刻直起腰來,就歸榮耀與上帝。
13Hij legde haar de handen op, en ogenblikkelijk stond ze recht overeind, en loofde God.
14管會堂的因為耶穌在安息日治病,就氣忿忿地對眾人說:「有六日應當做工;那六日之內可以來求醫,在安息日卻不可。」
14Maar de overste der synagoge was verontwaardigd, omdat Jesus op de sabbat genas; hij nam het woord, en zei tot het volk: Er zijn zes dagen, waarop men moet werken; komt dus op die dagen, om u te laten genezen, en niet op de sabbat.
15主說:「假冒為善的人哪,難道你們各人在安息日不解開槽上的牛、驢,牽去飲嗎?
15Maar de Heer gaf hem ten antwoord: Huichelaars, maakt niet ieder van u op de sabbat zijn rund of zijn ezel los van de kribbe, om ze weg te leiden en te drenken?
16況且這女人本是 亞伯拉罕 的後裔,被撒但捆綁了這十八年,不當在安息日解開她的綁嗎?」
16En moest dan deze dochter van Abraham, die de satan: ziet eens: achttien jaren lang heeft gebonden, niet op de sabbat van die band worden verlost?
17耶穌說這話,他的敵人都慚愧了;眾人因他所行一切榮耀的事,就都歡喜了。
17Toen Hij dit zei, werden al zijn tegenstanders beschaamd, maar heel de menigte verheugde zich over al de heerlijke dingen, die Hij verrichtte.
18耶穌說:「上帝的國好像甚麼?我拿甚麼來比較呢?
18Hij sprak dan: Waaraan is het koninkrijk Gods gelijk, en waarmee zal Ik het vergelijken?
19好像一粒芥菜種,有人拿去種在園子裏,長大成樹,天上的飛鳥宿在它的枝上。」
19Het is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand in zijn tuin ging zaaien: het groeide op en werd een boom, en de vogels in de lucht nestelden in zijn takken.
20又說:「我拿甚麼來比上帝的國呢?
20Ook zeide Hij: Waarmee zal Ik het koninkrijk Gods vergelijken?
21好比麵酵,有婦人拿來藏在三斗麵裏,直等全團都發起來。」
21Het is gelijk aan het zuurdeeg, dat een vrouw nam, en onder drie maten meel mengde. totdat dit geheel was gegist.
22耶穌往 耶路撒冷 去,在所經過的各城各鄉教訓人。
22Op zijn reis naar Jerusalem trok Hij steden en dorpen rond, om er te leren.
23有一個人問他說:「主啊,得救的人少嗎?」
23Eens zei Hem iemand: Heer, zijn de zaligen weinig in aantal? Maar Hij sprak tot hen:
24耶穌對眾人說:「你們要努力進窄門。我告訴你們,將來有許多人想要進去,卻是不能。
24Doet uw best, om binnen te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen trachten binnen te komen, en het niet kunnen.
25及至家主起來關了門,你們站在外面叩門,說:『主啊,給我們開門!』他就回答說:『我不認識你們,不曉得你們是哪裏來的!』
25Wanneer de heer des huizes is opgestaan, en de deur heeft gesloten, dan zult gij buiten staan, aan de deur gaan kloppen, en zeggen: Heer, doe ons open. Maar hij zal u antwoorden: Ik weet niet, waar gij vandaan zijt.
26那時,你們要說:『我們在你面前吃過喝過,你也在我們的街上教訓過人。』
26Dan zult gij gaan zeggen: We hebben bij u gegeten en gedronken, en in onze straten hebt Gij onderricht gegeven.
27他要說:『我告訴你們,我不曉得你們是哪裏來的。你們這一切作惡的人,離開我去吧!』
27Maar Hij zal u zeggen: Ik weet niet, waar gij vandaan zijt. Weg van Mij, gij allen, die ongerechtigheid doet!
28你們要看見 亞伯拉罕 、 以撒 、 雅各 ,和眾先知都在上帝的國裏,你們卻被趕到外面,在那裏必要哀哭切齒了。
28Dan zal er geween zijn en gekners der tanden, wanneer gij Abraham, Isaäk en Jakob en al de profeten zult zien in het koninkrijk Gods, maar uzelf uitgeworpen naar buiten.
29從東、從西、從南、從北將有人來,在上帝的國裏坐席。
29Dan zullen er komen van oost en west, en noord en zuid, en ze zullen aanzitten in het koninkrijk Gods.
30只是有在後的,將要在前;有在前的,將要在後。」
30Zie, er zijn laatsten die eersten, en eersten die laatsten zullen zijn.
31正當那時,有幾個法利賽人來對耶穌說:「離開這裏去吧,因為 希律 想要殺你。」
31Terzelfder tijd kwamen enige farizeën naar Hem toe, en zeiden Hem: Ga hier vandaan; want Herodes wil U doden.
32耶穌說:「你們去告訴那個狐狸說:『今天、明天我趕鬼治病,第三天我的事就成全了。』
32Hij zei hun: Gaat dien vos zeggen: Zie, vandaag en morgen drijf Ik duivels uit, en verricht Ik genezingen: overmorgen bereik Ik het einde.
33雖然這樣,今天、明天、後天,我必須前行,因為先知在 耶路撒冷 之外喪命是不能的。
33Toch moet Ik vandaag, morgen en overmorgen verder reizen; want het gaat niet aan, dat een profeet buiten Jerusalem zou sterven.
34耶路撒冷 啊! 耶路撒冷 啊!你常殺害先知,又用石頭打死那奉差遣到你這裏來的人。我多次願意聚集你的兒女,好像母雞把小雞聚集在翅膀底下;只是你們不願意。
34Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, en dat stenigt, die tot u zijn gezonden: hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels; maar gij hebt niet gewild.
35看哪,你們的家成為荒場留給你們。我告訴你們, 從今以後 你們不得再見我,直等到你們說:『奉主名來的是應當稱頌的。』」
35Zie, uw huis zal verwoest blijven liggen. En Ik zeg u: Gij zult Mij niet meer zien, voordat de tijd komt, dat gij roept: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.