Евангелие от Луки 20
Synodal Translation (Синодальный перевод)Translation
Synodal Translation (Синодальный перевод)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1В один из тех дней, когда Он учил народ в храме и благовествовал, приступили первосвященники и книжники со старейшинами,
1Op een van die dagen, dat Hij het volk in de tempel onderrichtte en het evangelie verkondigde, traden de opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten op Hem toe,
2и сказали Ему: скажи нам, какою властью Ты это делаешь, или кто дал Тебе власть сию?
2en zeiden tot Hem: Zeg ons, met wat recht doet Gij dit alles; of wie heeft U dit recht gegeven?
3Он сказал им в ответ: спрошу и Я вас об одном, и скажите Мне:
3Hij gaf hun ten antwoord: Ook Ik zal u een vraag stellen; antwoordt Mij.
4крещение Иоанново с небес было, или от человеков?
4Was het doopsel van Johannes van de hemel of van de mensen?
5Они же, рассуждая между собою, говорили: если скажем: с небес, то скажет: почему же вы не поверили ему?
5Ze overlegden bij zichzelf: Als we zeggen: “Van de hemel”, dan zal Hij antwoorden: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
6а если скажем: от человеков, то весь народ побьет нас камнями, ибо он уверен, что Иоанн есть пророк.
6Zeggen we: “Van de mensen”, dan zal het hele volk ons stenigen; want het is overtuigd, dat Johannes een profeet was.
7И отвечали: не знаем откуда.
7Ze antwoordden dus, dat ze niet wisten, waar het vandaan was.
8Иисус сказал им: и Я не скажу вам, какою властью это делаю.
8Nu sprak Jesus tot hen: Dan zeg Ik u evenmin, met welk recht Ik dit alles doe.
9И начал Он говорить к народу притчу сию: один человек насадил виноградник и отдал его виноградарям, и отлучился на долгое время;
9Nu stelde Hij het volk deze gelijkenis voor: Een man plantte een wijngaard, verpachtte hem aan landbouwers, en vertrok voor lange tijd naar het buitenland.
10и в свое время послал к виноградарям раба, чтобы они дали ему плодов из виноградника; но виноградари, прибив его, отослали ни с чем.
10Op de vastgestelde tijd zond hij een knecht tot de landbouwers, opdat ze hem zijn aandeel der vruchten van de wijngaard zouden geven. Maar de landbouwers sloegen hem, en stuurden hem met lege handen weg.
11Еще послал другого раба; но они и этого, прибив и обругав, отослали ни с чем.
11Opnieuw zond hij een anderen knecht; maar ze sloegen en hoonden hem, en stuurden hem met lege handen weg.
12И еще послал третьего; но они и того, изранив, выгнали.
12Nog zond hij een derde; ook hem verwondden ze, en smeten hem er uit.
13Тогда сказал господин виноградника: что мне делать? Пошлю сына моего возлюбленного; может быть, увидев его, постыдятся.
13Toen sprak de heer van de wijngaard: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; misschien dat ze voor hem ontzag zullen hebben.
14Но виноградари, увидев его, рассуждали между собою, говоря: это наследник; пойдем, убьем его, и наследство его будет наше.
14Maar toen de landbouwers hem zagen, overlegden ze met elkaar, en zeiden: Dat is de erfgenaam; laten we hem doden, dan zullen wij de erfenis krijgen.
15И, выведя его вон из виноградника, убили. Что же сделает с ними господин виноградника?
15Ze wierpen hem buiten de wijngaard, en doodden hem. Wat zal nu de heer van de wijngaard met hen doen?
16Придет и погубит виноградарей тех, и отдаст виноградник другим. Слышавшие же это сказали: да не будет!
16Hij zal die landbouwers komen verdelgen, en de wijngaard aan anderen geven. Toen ze dit hoorden, zeiden ze: Dat nooit!
17Но Он, взглянув на них, сказал: что значит сие написанное: камень, который отвергли строители, тот самый сделался главою угла?
17Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat betekent dan wat er geschreven staat: “De steen, die de bouwlieden verwierpen, Hij is de hoeksteen geworden”?
18Всякий, кто упадет на тот камень, разобьется, а на кого он упадет, того раздавит.
18Wie op deze steen valt, zal worden verbrijzeld; en op wien hij valt, dien zal hij verpletteren.
19И искали в это время первосвященники и книжники, чтобы наложить на Него руки, но побоялись народа, ибо поняли, что о них сказал Он эту притчу.
19Nu zochten de opperpriesters en schriftgeleerden onmiddellijk de hand aan Hem te slaan; maar ze vreesden het volk. Want ze begrepen, dat Hij met die gelijkenis op hen had gedoeld.
20И, наблюдая за Ним, подослали лукавых людей, которые, притворившись благочестивыми, уловили бы Его в каком-либо слове, чтобы предать Его начальству и власти правителя.
20Ze lieten Hem nu bespieden, en zonden spionnen op Hem af, die zich als goedgezinden moesten voordoen, om Hem in zijn eigen woorden te verstrikken, en Hem dan over te leveren aan de overheid en aan de macht van den landvoogd.
21И они спросили Его: Учитель! мы знаем, что Ты правдиво говоришь и учишь и не смотришь на лице, но истинно пути Божию учишь;
21Ze vroegen Hem dus: Meester, we weten, dat Gij ronduit spreekt en leert, en niemand naar de ogen ziet, maar de weg van God naar waarheid leert.
22позволительно ли нам давать подать кесарю, или нет?
22Is het ons geoorloofd, den keizer belasting te betalen, of niet?
23Он же, уразумев лукавство их, сказал им: что вы Меня искушаете?
23Maar Hij doorzag hun list, en zei tot hen:
24Покажите Мне динарий: чье на нем изображение и надпись? Они отвечали: кесаревы.
24Toont Mij een tienling; wiens beeld en randschrift draagt hij? Ze zeiden: Van den keizer.
25Он сказал им: итак, отдавайте кесарево кесарю, а Божие Богу.
25Hij sprak tot hen: Geeft dan den keizer, wat den keizer toekomt, en geeft aan God, wat God toekomt.
26И не могли уловить Его в слове перед народом, и, удивившись ответу Его, замолчали.
26Ze konden hem in het bijzijn van het volk niet in zijn eigen woorden verstrikken; ze waren verbaasd over zijn antwoord, en zwegen stil
27Тогда пришли некоторые из саддукеев, отвергающих воскресение, и спросили Его:
27Nu kwamen er enige sadduceën naar Hem toe, die de verrijzenis loochenen; ze ondervroegen Hem,
28Учитель! Моисей написал нам, что если у кого умрет брат, имевший жену, и умрет бездетным, то брат его должен взять его жену и восставить семя брату своему.
28en zeiden: Meester, Moses heeft ons voorgeschreven, dat, zo iemands broer gehuwd is en kinderloos sterft, zijn broer de vrouw moet huwen, en nakomelingschap voor zijn broer moet verwekken.
29Было семь братьев, первый, взяв жену, умер бездетным;
29Nu waren er zeven broers. De eerste nam een vrouw en stierf kinderloos.
30взял ту жену второй, и тот умер бездетным;
30Nu huwde de tweede haar,
31взял ее третий; также и все семеро, и умерли, не оставив детей;
31ook de derde, en zo verder alle zeven; en ze stierven kinderloos.
32после всех умерла и жена;
32Ten laatste stierf ook de vrouw.
33итак, в воскресение которого из них будет она женою, ибо семеро имели ее женою?
33Wien van hen zal ze nu bij de verrijzenis als vrouw toebehoren? Ze hebben haar immers alle zeven tot vrouw gehad.
34Иисус сказал им в ответ: чада века сего женятся и выходят замуж;
34Jesus sprak tot hen: De kinderen dezer wereld huwen en worden uitgehuwd.
35а сподобившиеся достигнуть того века и воскресения из мертвых ни женятся, ни замуж не выходят,
35Maar zij, die waardig worden bevonden, deel te hebben aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, zullen huwen noch uitgehuwd worden.
36и умереть уже не могут, ибо они равны Ангелам и суть сыны Божии, будучи сынами воскресения.
36Ze kunnen immers niet meer sterven; want ze zijn aan engelen gelijk, en als kinderen der verrijzenis ook kinderen Gods.
37А что мертвые воскреснут, и Моисей показал при купине, когда назвал Господа Богом Авраама и Богом Исаака и Богом Иакова.
37En dat de doden verrijzen, gaf ook Moses te kennen in het Braambosverhaal, wanneer hij den Heer den God van Abraham, den God van Isaäk en den God van Jakob noemt.
38Бог же не есть Бог мертвых, но живых, ибо у Него все живы.
38Hij is toch geen God van doden, maar van levenden; want allen leven voor Hem.
39На это некоторые из книжников сказали: Учитель! Ты хорошо сказал.
39Toen namen sommigen van de schriftgeleerden het woord, en zeiden: Meester, Gij hebt goed gesproken;
40И уже не смели спрашивать Его ни о чем. Он же сказал им:
40en ze durfden Hem geen vragen meer stellen.
41как говорят, что Христос есть Сын Давидов,
41Nu sprak Hij tot hen: Hoe beweert men toch, dat de Christus de Zoon van David is?
42а сам Давид говорит в книге псалмов: сказал Господь Господу моему: седи одесную Меня,
42Want David zelf zegt in het boek der Psalmen: De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand,
43доколе положу врагов Твоих в подножие ног Твоих?
43Totdat Ik uw vijanden leg Als een voetbank voor uw voeten.
44Итак, Давид Господом называет Его; как же Он Сын ему?
44David noemt Hem dus Heer; hoe is Hij dan zijn Zoon?
45И когда слушал весь народ, Он сказал ученикам Своим:
45En terwijl al het volk het hoorde, sprak Hij tot zijn leerlingen:
46остерегайтесь книжников, которые любят ходить в длинных одеждах и любят приветствия в народных собраниях, председания в синагогах и предвозлежания на пиршествах,
46Wacht u voor de schriftgeleerden, die er van houden in lange gewaden rond te lopen en op de markt te worden begroet; die de eerste zetels begeren in de synagogen, en de eerste plaatsen aan de gastmalen;
47которые поедают домы вдов и лицемерно долго молятся; они примут тем большее осуждение.
47die het goed der weduwen verslinden, en voor de schijn lange gebeden verrichten. Ze zullen des te strenger worden gevonnist.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.