Jesaja 62
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Om wille van Sion Mag Ik niet zwijgen, Om wille van Jerusalem Mag Ik niet rusten: Tot zijn gerechtigheid als de dageraad glanst, Zijn heil als een brandende fakkel;
1ΔΙΑ Σιὼν οὐ σιωπήσομαι καὶ διὰ Ἱερουσαλὴμ οὐκ ἀνήσω, ἕως ἂν ἐξέλθῃ ὡς φῶς ἡ δικαιοσύνη μου, τὸ δὲ σωτήριόν μου ὡς λαμπὰς καυθήσεται.
2En de volkeren uw gerechtigheid zien, Alle vorsten uw glorie! Met een nieuwe naam zal men u noemen, Die Jahweh’s mond zal bepalen;
2καὶ ὄψονται ἔθνη τὴν δικαιοσύνην σου καὶ βασιλεῖς τὴν δόξαν σου, καὶ καλέσει σε τὸ ὄνομά σου τὸ καινόν, ὃ ὁ Κύριος ὀνομάσει αὐτό.
3Gij zult een erekroon zijn In de hand van Jahweh, Een koninklijke diadeem In de hand van uw God.
3καὶ ἔσῃ στέφανος κάλλους ἐν χειρὶ Κυρίου καὶ διάδημα βασιλείας ἐν χειρὶ Θεοῦ σου.
4Men zal u niet langer “Verlatene” noemen, En uw land niet “Verwoesting”. Neen, gij zult heten: “Mijn welbehagen”, En uw land: “De Gehuwde”! Want Jahweh heeft behagen in u, En uw land wordt gehuwd.
4καὶ οὐκέτι κληθήσῃ Καταλελυμμένη, καὶ ἡ γῆ σου οὐ κληθήσεται ἔτι Ἔρημος· σὺ γὰρ κληθήσεται Θέλημα ἐμόν, καὶ τῇ γῇ σου Οἰκουμένη, ὅτι εὐδόκησε Κύριος ἐν σοὶ καὶ ἡ γῆ σου συνοικισθήσεται.
5Zoals een jongeman zijn meisje trouwt, Zal Hij, die u opbouwt, u huwen; En zoals een bruidegom zich verheugt in zijn bruid, Zal uw God zich verheugen in u.
5καὶ ὡς συνοικῶν νεανίσκος παρθένῳ, οὕτω κατοικήσουσιν οἱ υἱοί σου· καὶ ἔσται ὃν τρόπον εὐφρανθήσεται νυμφίος ἐπὶ νύμφῃ, οὕτως εὐφρανθήσεται Κύριος ἐπὶ σοί.
6Op uw muren, Jerusalem, Heb Ik wachters geplaatst; De ganse dag, de ganse nacht, Geen ogenblik mogen ze zwijgen! Gij, die Jahweh moet manen, houdt u niet stil,
6καὶ ἐπὶ τῶν τειχῶν σου, Ἱερουσαλήμ, κατέστησα φύλακας ὅλην τὴν ἡμέραν καὶ ὅλην τὴν νύκτα, οἵ διὰ τέλους οὐ σιωπήσονται μιμνησκόμενοι Κυρίου.
7En laat Hem geen rust: Totdat Hij Jerusalem heeft hersteld, En tot glorie der aarde gemaakt!
7οὐκ ἔστι γὰρ ὑμῖν ὅμοιος, ἐὰν διορθώσῃ καὶ ποιήσῃ Ἱερουσαλὴμ γαυρίαμα ἐπὶ τῆς γῆς.
8Bij zijn rechterhand heeft Jahweh gezworen, En bij zijn machtige arm: Nooit geef Ik uw koren tot spijs voor uw vijand, Nooit drinken vreemden uw most, de vrucht van uw zwoegen;
8ὤμοσε Κύριος κατὰ τῆς δεξιᾶς αὐτοῦ καὶ κατὰ τῆς ἰσχύος τοῦ βραχίονος αὐτοῦ· εἰ ἔτι δώσω τὸν σῖτόν σου καὶ τὰ βρώματά σου τοῖς ἐχθροῖς σου, καὶ εἰ ἔτι πίονται υἱοὶ ἀλλότριοι τὸν οἶνόν σου, ἐφ ᾧ ἐμόχθησας·
9Maar die graan binnenhalen, zullen het eten, En Jahweh loven; Die de wijn oogsten, zullen hem drinken In mijn heilige hallen.
9ἀλλ᾿ ἢ οἱ συνάγοντες φάγονται αὐτὰ καὶ αἰνέσουσι Κύριον, καὶ οἱ συνάγοντες πίονται αὐτὰ ἐν ταῖς ἐπαύλεσι ταῖς ἁγίαις μου.
10Trekt weg, trekt weg door de poorten, Baant een weg voor het volk; Maakt effen, maakt effen de heirbaan, En verwijdert de stenen; Steekt de banier Voor de volkeren omhoog:
10πορεύεσθε διὰ τῶν πυλῶν μου καὶ ὁδοποιήσατε τῷ λαῷ μου καὶ τοὺς λίθους τοὺς ἐκ τῆς ὁδοῦ διαρρίψατε· ἐξάρατε σύσσημον εἰς τὰ ἔθνη.
11Zie, Jahweh laat het verkonden Tot aan de grenzen der aarde! Zeg tot de dochter van Sion: Zie, Hij komt, uw Verlosser! Zijn beloning komt met Hem mee, Zijn vergelding gaat voor Hem uit!
11ἰδοὺ γὰρ Κύριος ἐποίησεν ἀκουστὸν ἕως ἐσχάτου τῆς γῆς· εἴπατε τῇ θυγατρὶ Σιών· ἰδοὺ ὁ σωτήρ σοι παραγέγονεν ἔχων τὸν ἑαυτοῦ μισθὸν καὶ τὸ ἔργον πρὸ προσώπου αὐτοῦ.
12Hèm zal men noemen: “Het heilige volk, Door Jahweh verlost”; En gij zult heten: “De lang gezochte, De stad, die nooit wordt verlaten”!
12καὶ καλέσει αὐτὸν λαὸν ἅγιον, λελυτρωμένον ὑπὸ Κυρίου· σὺ δὲ κληθήσῃ ἐπιζητουμένη πόλις καὶ οὐκ ἐγκαταλελειμμένη.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.