Jesaja 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Wee, die onrechtvaardige wetten maken, En drukkende bevelen uitschrijven:
1ΟΥΑΙ τοῖς γράφουσι πονηρίαν· γράφοντες γὰρ πονηρίαν γράφουσιν
2Om de zwakken hun eis te onthouden, De armen onder mijn volk van hun recht te beroven; Om de weduwen tot hun prooi te maken, En de wezen te plunderen.
2ἐκκλίνοντες κρίσιν πτωχῶν, ἁρπάζοντες κρίμα πενήτων τοῦ λαοῦ μου, ὥστε εἶναι αὐτοῖς χήραν εἰς διαρπαγὴν καὶ ὀρφανὸν εἰς προνομήν.
3Wat zult ge doen op de dag der vergelding, Bij de storm, die dreigt uit de verte; Tot wien zult ge vluchten om hulp, Waar uw rijkdommen laten,
3καὶ τί ποιήσουσιν ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῆς ἐπισκοπῆς; ἡ γὰρ θλῖψις ὑμῖν πόρρωθεν ἥξει· καὶ πρὸς τίνα καταφεύξεσθε τοῦ βοηθηθῆναι; καὶ ποῦ καταλείψετε τὴν δόξαν ὑμῶν
4Wanneer gij u in boeien kromt, Of neerligt onder de doden? Maar toch bedaart zijn gramschap niet, Zijn hand blijft tegen hen uitgestrekt!
4τοῦ μὴ ἐμπεσεῖν εἰς ἐπαγωγήν; ἐπὶ πᾶσι τούτοις οὐκ ἀπεστράφη ὁ θυμός, ἀλλ᾿ ἔτι ἡ χεὶρ ὑψηλή.
5Wee! Assjoer is de roede van mijn toorn, In zijn hand ligt de stok van mijn woede!
5οὐαὶ Ἀσσυρίοις· ἡ ράβδος τοῦ θυμοῦ μου καὶ ὀργῆς ἐστιν ἐν ταῖς χερσὶν αὐτῶν.
6Tegen een goddeloze natie zond Ik hem uit, Tegen het volk van mijn gramschap riep Ik hem op; Om het leeg te plunderen en buit te maken, Om het te vertrappen als slijk op de straten.
6τὴν ὀργήν μου εἰς ἔθνος ἄνομον ἀποστελῶ καὶ τῷ ἐμῷ λαῷ συντάξω ποιῆσαι σκῦλα καὶ προνομὴν καὶ καταπατεῖν τὰς πόλεις καὶ θεῖναι αὐτὰς εἰς κονιορτόν.
7Maar zó bedoelt hij het niet, Zó meent hij het niet; Zijn opzet is enkel: vernielen, Talloze naties verdelgen!
7αὐτὸς δὲ οὐχ οὕτως ἐνεθυμήθη καὶ τῇ ψυχῇ οὐχ οὕτως λελόγισται, ἀλλὰ ἀπαλλάξει ὁ νοῦς αὐτοῦ καὶ τοῦ ἔθνη ἐξολοθρεῦσαι οὐκ ὀλίγα.
8Want hij zegt: Zijn al mijn magnaten geen vorsten;
8καὶ ἐὰν εἴπωσιν αὐτῷ· σὺ μόνος εἶ ἄρχων,
9Is het Kalno niet als Karkemisj gegaan Chamat als Arpad Samaria als Damascus?
9καὶ ἐρεῖ· οὐκ ἔλαβον τὴν χώραν τὴν ἐπάνω Βαβυλῶνος καὶ Χαλάνης, οὗ ὁ πύργος ᾠκοδομήθη; καὶ ἔλαβον Ἀραβίαν καὶ Δαμασκὸν καὶ Σαμάρειαν·
10Waarachtig, ik heb op koninkrijken Mijn hand kunnen leggen, Wier goden en beelden veel talrijker waren Dan die van Jerusalem en Samaria.
10ὃν τρόπον ταύτας ἔλαβον ἐν τῇ χειρί μου, καὶ πάσας τὰς ἀρχὰς λήψομαι. ὀλολύξατε, τὰ γλυπτὰ ἐν Ἱερουσαλὴμ καὶ ἐν Σαμαρείᾳ·
11En wat ik met Samaria en zijn goden heb gedaan, Zou ik dat met Juda en zijn beelden niet doen?
11ὃν τρόπον γὰρ ἐποίησα Σαμαρείᾳ καὶ τοῖς χειροποιήτοις αὐτῆς, οὕτω ποιήσω καὶ Ἱερουσαλὴμ καὶ τοῖς εἰδώλοις αὐτῆς.
12Wanneer de Heer heel zijn werk heeft volbracht Aan de berg Sion en Jerusalem, Dan zal Hij de hoogmoed van Assjoers koning vergelden, En de verwaande trots van zijn ogen.
12καὶ ἔσται, ὅταν συντελέσῃ Κύριος πάντα ποιῶν ἐν τῷ ὄρει Σιὼν καὶ ἐν Ἱερουσαλήμ, ἐπάξει ἐπὶ τὸν νοῦν τὸν μέγαν, τὸν ἄρχοντα τῶν Ἀσσυρίων, καὶ ἐπὶ τὸ ὕψος τῆς δόξης τῶν ὀφθαλμῶν αὐτοῦ.
13Hij zegt: Ik heb het gedaan door eigen kracht, Door eigen wijsheid was ik zo knap! Ik heb de grenzen der volken verlegd, Hun schatten geplunderd, machtige vorsten doen vallen.
13εἶπε γάρ· ἐν τῇ ἰσχύϊ ποιήσω καὶ ἐν τῇ σοφίᾳ τῆς συνέσεως, ἀφελῶ ὅρια ἐθνῶν καὶ τὴν ἰσχὺν αὐτῶν προνομεύσω
14Als een vogelnestje hield ik De rijkdom der volken in mijn hand; Zoals men verlaten eieren raapt, Heb ik de hele aarde genomen; Niemand verroerde zijn vlerken, Deed zijn snavel open en piepte!
14καὶ σείσω πόλεις κατοικουμένας καὶ τὴν οἰκουμένην ὅλην καταλήψομαι τῇ χειρὶ ὡς νοσσιὰν καὶ ὡς καταλελειμμένα ὠὰ ἀρῶ, καὶ οὐκ ἔστιν ὃς διαφεύξεταί με ἢ ἀντείπῃ μοι.
15Maar zal de bijl dan pochen Tegen wie er mee hakt; De zaag zich verheffen Tegen wie ze hanteert; Beweegt de roede hem die haar zwaait, Heft de stok hem, die geen stuk hout is, omhoog?
15μὴ δοξασθήσεται ἀξίνη ἄνευ τοῦ κόπτοντος ἐν αὐτῇ; ἢ ὑψωθήσεται πρίων ἄνευ τοῦ ἕλκοντος αὐτόν; ὡσαύτως ἐάν τις ἄρῃ ράβδον ἢ ξύλον.
16Daarom zal de Heer, Jahweh der heirscharen, De tering zenden in zijn vet, En onder zijn lever een gloed ontsteken, Als het vuur van een brand.
16καὶ οὐχ οὕτως, ἀλλὰ ἀποστελεῖ Κύριος σαβαὼθ εἰς τὴν σὴν τιμὴν ἀτιμίαν, καὶ εἰς τὴν σὴν δόξαν πῦρ καιόμενον καυθήσεται.
17Dan wordt Israëls Licht een vuur, zijn Heilige een vlam, Die op één dag zijn doornen en distels geheel verbrandt;
17καὶ ἔσται τὸ φῶς τοῦ Ἰσραὴλ εἰς πῦρ καὶ ἁγιάσει αὐτὸν ἐν πυρὶ καιομένῳ καὶ φάγεται ὡσεὶ χόρτον τὴν ὕλην.
18Die de pracht van zijn woud en zijn wijngaard verslindt, Ze vernielt met wortel en tak, zodat ze verkwijnen;
18τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἀποσβεσθήσεται τὰ ὅρη καὶ οἱ βουνοὶ καὶ οἱ δρυμοί, καὶ καταφάγεται ἀπὸ ψυχῆς ἕως σαρκῶν· καὶ ἔσται ὁ φεύγων ὡς ὁ φεύγων ἀπὸ φλογός καιομένης·
19Zo weinig bomen blijven er staan in zijn woud, Dat een kind ze kan tellen!
19καὶ οἱ καταλειφθέντες ἀπ᾿ αὐτῶν ἀριθμὸς ἔσονται, καὶ παιδίον γράψει αὐτούς.
20Op die dag zullen zij, die van Israël zijn overgebleven, En die in het huis van Jakob zijn gespaard, Niet langer meer steunen Op hem, die ze sloeg; Maar steunen op Jahweh, Op Israëls Heilige, in oprechtheid des harten.
20Καὶ ἔσται ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ οὐκέτι προστεθήσεται τὸ καταλειφθὲν Ἰσραήλ, καὶ οἱ σωθέντες τοῦ Ἰακὼβ οὐκέτι μὴ πεποιθότες ὦσιν ἐπὶ τοὺς ἀδικήσαντας αὐτούς, ἀλλὰ ἔσονται πεποιθότες ἐπὶ τὸν Θεὸν τὸν ἅγιον τοῦ Ἰσραὴλ τῇ ἀληθείᾳ,
21Een rest bekeert zich, De rest van Jakob tot den machtigen God!
21καὶ ἔσται τὸ καταλειφθὲν τοῦ Ἰακὼβ ἐπὶ Θεὸν ἰσχύοντα.
22Ja, al was uw volk weggevaagd, Israël, Als het zand aan de zee: Een rest bekeert zich tot Hem, Als de verdelging voltooid is. Weer zal de gerechtigheid stromen,
22καὶ ἐὰν γένηται ὁ λαὸς Ἰσραὴλ ὡς ἡ ἄμμος τῆς θαλάσσης, τὸ κατάλειμμα αὐτῶν σωθήσεται· λόγον συντελῶν καὶ συντέμνων ἐν δικαιοσύνῃ,
23Als vernieling en vonnis Door den Heer, door Jahweh der heirscharen, Over heel dit land is voltrokken!
23ὅτι λόγον συντετμημένον Κύριος ποιήσει ἐν τῇ οἰκουμένῃ ὅλῃ.
24Daarom zó spreekt de Heer, Jahweh der heirscharen: Mijn volk, dat de Sion bewoont, Vrees Assjoer niet, al slaat hij u met de stok, En heft hij zijn roede tegen u op naar de trant van Egypte.
24Διὰ τοῦτο τάδε λέγει Κύριος σαβαώθ· μὴ φοβοῦ, ὁ λαός μου, οἱ κατοικοῦντες ἐν Σιών, ἀπὸ Ἀσσυρίων, ὅτι ἐν ράβδῳ πατάξει σε· πληγὴν γὰρ ἐπάγω ἐπὶ σὲ τοῦ ἰδεῖν ὁδὸν Αἰγύπτου.
25Want enkel nog een korte tijd, Een ogenblik nog: Dan is mijn gramschap ten einde, En verniel Ik hem in mijn toorn.
25ἔτι γὰρ μικρὸν καὶ παύσεται ἡ ὀργή, ὁ δὲ θυμός μου ἐπὶ τὴν βουλὴν αὐτῶν·
26Dan zal Jahweh der heirscharen de gesel over hem zwaaien, Zoals Hij bij de rots van Oreb Midjan sloeg; Dan heft Hij zijn roede tegen hem op, Als over de zee en tegen Egypte.
26καὶ ἐγερεῖ ὁ Θεὸς ἐπ᾿ αὐτοὺς κατὰ τὴν πληγὴν Μαδιὰμ ἐν τόπῳ θλίψεως, καὶ ὁ θυμὸς αὐτοῦ τῇ ὁδῷ τῇ κατὰ θάλασσαν εἰς τὴν ὁδὸν τὴν κατ᾿ Αἴγυπτον.
27Op die dag zal het geschieden, Dat zijn last van uw schouder glijdt, Zijn juk van uw nek, Met de draagriem, vet van de olie!
27καὶ ἔσται ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἀφαιρεθήσεται ὁ ζυγὸς αὐτοῦ ἀπὸ τοῦ ὤμου σου καὶ ὁ φόβος αὐτοῦ ἀπὸ σοῦ, καὶ καταφθαρήσεται ὁ ζυγὸς ἀπὸ τῶν ὤμων ὑμῶν.
28Daar komt hij bij Ajját, trekt Migron voorbij, Mikmas vertrouwt hij zijn legertros toe;
28ἥξει γὰρ εἰς τὴν πόλιν Ἀγγαὶ
29Ze trekken de pas door, Slaan hun kamp op in Géba; Rama siddert van angst, Géba van Saul neemt de vlucht!
29καὶ παρελεύσεται εἰς Μαγγεδὼ καὶ εἰς Μαχμὰς θήσει τὰ σκεύη αὐτοῦ· καὶ παρελεύσεται φάραγγα καὶ ἥξει εἰς Ἀγγαί, φόβος λήψεται Ραμᾶ πόλιν Σαούλ· φεύξεται
30Gil, dochter van Gallim, Lajsja let op! Anatot bukt zich, Madmena vlucht.
30ἡ θυγάτηρ Γαλλείμ, ἐπακούσεται Λαϊσά, ἐπακούσεται Ἀναθώθ·
31Het volk van Gebim stuift weg,
31καὶ ἐξέστη Μαδεβηνὰ καὶ οἱ κατοικοῦντες Γιββεΐρ·
32Vandaag nog is hij in Nob; Hij balt zijn vuist al tegen de berg van Sions dochter, Tegen Jerusalems heuvel!
32παρακαλεῖται σήμερον ἐν ὁδῷ τοῦ μεῖναι, τῇ χειρὶ παρακαλεῖτε, τὸ ὄρος, τὴν θυγατέρα Σιών, καὶ οἱ βουνοὶ οἱ ἐν Ἱερουσαλήμ.
33Maar zie, daar slaat de Heer, Jahweh der heirscharen, De takken af met de bijl; De toppen worden gekapt, De kruinen komen omlaag;
33ἰδοὺ γὰρ ὁ δεσπότης Κύριος σαβαὼθ συνταράσσει τοὺς ἐνδόξους μετὰ ἰσχύος, καὶ οἱ ὑψηλοὶ τῇ ὕβρει συντριβήσονται, καὶ οἱ ὑψηλοὶ ταπεινωθήσονται,
34Het dichte woud wordt door het ijzer geveld, De Libanon valt met zijn pracht!
34καὶ πεσοῦνται οἱ ὑψηλοὶ μαχαίρᾳ, ὁ δὲ Λίβανος σὺν τοῖς ὑψηλοῖς πεσεῖται.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.