Jesaja
Chapter 37
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen koning Ezekias dit hoorde, scheurde hij zijn kleren, sloeg het boetekleed om, en ging naar de tempel van Jahweh.
1ΚΑΙ ἐγένετο ἐν τῷ ἀκοῦσαι τὸν βασιλέα Ἐζεκίαν ἔσχισε τὰ ἱμάτια καὶ περιεβάλετο σάκκον καὶ ἀνέβη εἰς τὸν οἶκον Κυρίου.
2Tegelijkertijd zond hij Eljakim, den hofmaarschalk, met den schrijver Sjebna en de oudsten der priesters, in boetekleren gehuld, naar den profeet Isaias, den zoon van Amos.
2καὶ ἀπέστειλεν Ἑλιακεὶμ τὸν οἰκονόμον καὶ Σομνᾶν τὸν γραμματέα καὶ τοὺς πρεσβυτέρους τῶν ἱερέων περιβεβλημένους σάκκους πρὸς Ἡσαΐαν υἱὸν Ἀμὼς τὸν προφήτην,
3Ze moesten hem zeggen: Dit zegt Ezekias. Deze dag is een dag van benauwing, van straf en van smaad; de kinderen openen de moederschoot al, maar de kracht om te baren ontbreekt.
3καὶ εἶπαν αὐτῷ· τάδε λέγει Ἐζεκίας· ἡμέρα θλίψεως καὶ ὀνειδισμοῦ καὶ ἐλεγμοῦ καὶ ὀργῆς ἡ σήμερον ἡμέρα, ὅτι ἥκει ἡ ὠδὶν τῇ τικτούσῃ, ἰσχὺν δὲ οὐκ ἔχει τοῦ τεκεῖν.
4Maar misschien zal Jahweh, uw God, die de woorden van den opperbevelhebber heeft gehoord, dien de assyrische koning, zijn meester, gezonden heeft, om den levenden God te honen, hem straffen voor de woorden, die Jahweh, uw God, heeft gehoord. Stier dus een bede omhoog voor het overschot, dat er nog is.
4εἰσακούσαι Κύριος ὁ Θεός σου τοὺς λόγους Ραψάκου, οὓς ἀπέστειλε βασιλεὺς Ἀσσυρίων ὀνειδίζειν Θεὸν ζῶντα καὶ ὀνειδίζειν λόγους, οὓς ἤκουσε Κύριος ὁ Θεός σου· καὶ δεηθήσῃ πρὸς Κύριον τὸν Θεόν σου περὶ τῶν καταλελειμμένων τούτων.
5Toen dan de dienaren van koning Ezekias bij Isaias waren gekomen,
5καὶ ἦλθον οἱ παῖδες τοῦ βασιλέως Ἐζεκίου πρὸς Ἡσαΐαν,
6sprak Isaias tot hen: Dit moet ge tot uw meester zeggen. Zoo spreekt Jahweh: Wees niet bang voor de woorden, die gij gehoord hebt, en waarmee de knechten van den assyrischen koning Mij hebben gehoond.
6καὶ εἶπεν αὐτοῖς Ἡσαΐας· οὕτως ἐρεῖτε πρὸς τὸν κύριον ὑμῶν· τάδε λέγει Κύριος· μὴ φοβηθῇς ἀπὸ τῶν λόγων, ὧν ἤκουσας, οὓς ὠνείδισάν με οἱ πρέσβεις βασιλέως Ἀσσυρίων.
7Zie, Ik zal een geest in hem zenden, waardoor hij terugkeert naar zijn land, zodra hij geruchten verneemt; en in zijn land zal Ik hem door het zwaard doen vallen!
7ἰδοὺ ἐγὼ ἐμβάλλω εἰς αὐτὸν πνεῦμα, καὶ ἀκούσας ἀγγελίαν ἀποστραφήσεται εἰς τὴν χώραν αὐτοῦ καὶ πεσεῖται μαχαίρᾳ ἐν τῇ γῇ αὐτοῦ.
8De opperbevelhebber keerde nu naar den koning van Assjoer terug. En daar hij vernomen had, dat deze Lakisj al had verlaten, trof hij hem bij Libna aan, dat door hem werd belegerd.
8Καὶ ἀπέστρεψε Ραψάκης καὶ κατέλαβε τὸν βασιλέα Ἀσσυρίων πολιορκοῦντα Λομνάν. καὶ ἤκουσε βασιλεὺς Ἀσσυρίων ὅτι
9En toen deze hoorde “Tirháka, de koning van Koesj, is tegen u ten strijde getrokken”, zond hij opnieuw gezanten naar Ezekias met de volgende opdracht:
9ἐξῆλθε Θαρακὰ βασιλεὺς Αἰθιόπων πολιορκῆσαι αὐτόν· καὶ ἀκούσας ἀπέστρεψε καὶ ἀπέστειλεν ἀγγέλους πρὸς Ἐζεκίαν λέγων·
10Zegt dit aan Ezekias, den koning van Juda. Laat uw God, op wien gij vertrouwt, u niet bedriegen, en zeggen: Jerusalem zal niet worden overgeleverd in de hand van den assyrischen koning.
10οὕτως ἐρεῖτε Ἐζεκίᾳ βασιλεῖ τῆς Ἰουδαίας· μή σε ἀπατάτω ὁ Θεός σου, ἐφ᾿ ᾧ πέποιθας ἐπ᾿ αὐτῷ λέγων· οὐ μὴ παραδοθῇ Ἱερουσαλὴμ εἰς χεῖρας βασιλέως Ἀσσυρίων.
11Zie, ge hebt toch gehoord, hoe de koningen van Assjoer alle landen ten ondergang hebben gedoemd; en zoudt gij dan ontsnappen!
11ἢ οὐκ ἤκουσας ἃ ἐποίησαν βασιλεῖς Ἀσσυρίων πᾶσαν τὴν γῆν ὡς ἀπώλεσαν;
12Hebben de goden de volken gered, die door mijn vaderen werden vernield: Gozan, Charan. Résef en de bewoners van Eden in Telassar?
12μὴ ἐρρύσαντο αὐτοὺς οἱ θεοὶ τῶν ἐθνῶν, οὓς ἀπώλεσαν οἱ πατέρες μου, τήν τε Γωζᾶν καὶ Χαρὰν καὶ Ραφές, αἵ εἰσιν ἐν χώρᾳ Θεεμάθ;
13Waar is de koning van Chamat gebleven, en de koning van Arpad, de koning van Laïr, Sefarwáim, Hena en Iwwa?
13ποῦ εἰσιν οἱ βασιλεῖς Αἰμὰθ καὶ Ἀρφὰθ καὶ πόλεως Σεπφαρείμ, Ἀνὰγ Οὐγαυά;
14Toen Ezekias van de gezanten de brief had ontvangen en hem had gelezen, ging hij naar de tempel van Jahweh, legde hem open voor Jahweh neer,
14καὶ ἔλαβεν Ἐζεκίας τὸ βιβλίον παρὰ τῶν ἀγγέλων, καὶ ἤνοιξεν αὐτὸ ἐναντίον Κυρίου,
15en bad tot Jahweh:
15καὶ προσηύξατο Ἐζεκίας πρὸς Κύριον λέγων·
16“Jahweh der heirscharen, Israëls God, die op de Cherubim troont: Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde; Gij hebt hemel en aarde geschapen!
16Κύριε σαβαὼθ ὁ Θεὸς Ἰσραὴλ ὁ καθήμενος ἐπὶ τῶν Χερουβίμ, σὺ Θεὸς μόνος εἶ πάσης βασιλείας τῆς οἰκουμένης, σὺ ἐποίησας τὸν οὐρανὸν καὶ τὴν γῆν.
17Ach Jahweh, neig toch uw oor en luister; open uw ogen, o Jahweh, en zie. Verneem al wat Sinacherib mij heeft gemeld, om den levenden God te honen.
17κλῖνον, Κύριε, τὸ οὖς σου, εἰσάκουσον, Κύριε, ἄνοιξον, Κύριε, τοὺς ὀφθαλμούς σου, εἴσβλεψον, Κύριε, καὶ ἰδὲ τοὺς λόγους Σενναχηρείμ, οὓς ἀπέστειλεν ὀνειδίζειν Θεὸν ζῶντα.
18Ach Jahweh, ‘t is waar: de koningen van Assjoer hebben alle volken met hun landen verwoest.
18ἐπ᾿ ἀληθείας γάρ, Κύριε, ἠρήμωσαν βασιλεῖς Ἀσσυρίων τὴν οἰκουμένην ὅλην καὶ τὴν χώραν αὐτῶν
19Ze hebben ook hun goden in het vuur geworpen en vernield; want ze waren geen God, maar enkel het werk van mensenhanden, van hout en van steen.
19καὶ ἐνέβαλον τὰ εἴδωλα αὐτῶν εἰς τὸ πῦρ· οὐ γὰρ θεοὶ ἦσαν, ἀλλὰ ἔργα χειρῶν ἀνθρώπων, ξύλα καὶ λίθοι, καὶ ἀπώλεσεν αὐτούς.
20Ach Jahweh, red ons nu uit zijn handen, opdat alle koninkrijken der aarde erkennen, dat Gij alleen God zijt, o Jahweh!”
20σὺ δέ, Κύριε ὁ Θεὸς ἡμῶν, σῶσον ἡμᾶς ἐκ χειρὸς αὐτῶν, ἵνα γνῷ πᾶσα βασιλεία τῆς γῆς ὅτι σὺ εἶ ὁ Θεὸς μόνος.
21Toen liet Isaias, de zoon van Amos, aan Ezekias zeggen: Dit zegt Jahweh, Israëls God. Ik heb de bede gehoord, die gij tot Mij hebt opgezonden om Sinacherib, den assyrischen koning.
21Καὶ ἀπεστάλη Ἡσαΐας υἱὸς Ἀμὼς πρὸς Ἐζεκίαν καὶ εἶπεν αὐτῷ· τάδε λέγει Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραήλ· ἤκουσα ἃ προσηύξω πρός με περὶ Σενναχηρεὶμ βασιλέως Ἀσσυρίων.
22Dit is het woord, dat Jahweh tegen hem heeft gesproken: Ze veracht en bespot u, De jonkvrouw, de dochter van Sion; Meewarig schudt ze het hoofd achter u, Jerusalems dochter!
22οὗτος ὁ λόγος, ὃν ἐλάλησε περὶ αὐτοῦ ὁ Θεός· ἐφαύλισέ σε καὶ ἐμυκτήρισέ σε παρθένος θυγάτηρ Σιών, ἐπὶ σοὶ κεφαλὴν ἐκίνησε θυγάτηρ Ἱερουσαλήμ.
23Wien hebt ge gehoond en beschimpt, Tegen wien een hogen toon aangeslagen, En uw trotse blikken geheven? Israëls Heilige!
23τίνα ὠνείδισας καὶ παρώξυνας; ἢ πρὸς τίνα ὕψωσας τὴν φωνήν σου; καὶ οὐκ ᾖρας εἰς ὕψος τοὺς ὀφθαλμούς σου πρὸς τὸν ἅγιον τοῦ Ἰσραήλ;
24Door uw knechten hebt ge den Heer gehoond, En gezegd: Met mijn talloze wagens Heb ik de toppen der bergen bestegen, De flanken van de Libanon. Ik heb zijn rijzige ceders geveld, En zijn schoonste cypressen; Zijn hoogste toppen bereikt, Zijn dichtste wouden.
24ὅτι δι᾿ ἀγγέλων ὠνείδισας Κύριον· σὺ γὰρ εἶπας· τῷ πλήθει τῶν ἁρμάτων ἐγὼ ἀνέβην εἰς ὕψος ὀρέων καὶ εἰς τὰ ἔσχατα τοῦ Λιβάνου καὶ ἔκοψα τὸ ὕψος τῆς κέδρου αὐτοῦ καὶ τὸ κάλλος τῆς κυπαρίσσου καὶ εἰσῆλθον εἰς ὕψος μέρος τοὺς δρυμοῦ
25Ik heb geboord en gedronken De wateren van vreemde landen, En opgedroogd met de zool van mijn voeten Alle stromen van Masor.
25καὶ ἔθηκα γέφυραν καὶ ἠρήμωσα ὕδατα καὶ πᾶσαν συναγωγὴν ὕδατος.
26Hebt ge dan niet vernomen, Hoe Ik dit vroeger al had beschikt: Wat Ik al lang had besloten, Heb Ik thans in vervulling doen gaan! Tot puinhopen moesten Versterkte steden worden verwoest;
26οὐ ταῦτα ἤκουσας πάλαι, ἃ ἐγὼ ἐποίησα; ἐξ ἡμερῶν ἀρχαίων συνέταξα, νῦν δὲ ἐπέδειξα ἐξερημῶσαι ἔθνη ἐν ὀχυροῖς καὶ οἰκοῦντας ἐν πόλεσιν ὀχυραῖς.
27Haar bewoners machteloos zijn, Verschrikt en beschaamd. Ze moesten zijn als het kruid op het veld, Als tengere planten; Als gras op het dak, Dat verdort, eer het opschiet.
27ἀνῆκα τὰς χεῖρας, καὶ ἐξηράνθησαν καὶ ἐγένοντο ὡς χόρτος ξηρὸς ἐπὶ δωμάτων καὶ ὡς ἄγρωστις.
28Maar Ik ken uw opstaan en zitten, Uw gaan en uw komen;
28νῦν δὲ τὴν ἀνάπαυσίν σου καὶ τὴν ἔξοδόν σου καὶ τὴν εἴσοδόν σου ἐγὼ ἐπίσταμαι.
29Uw razen steeg tot Mij op, Uw tieren kwam Mij ter ore. Zo sla Ik mijn ring door uw neus, Leg mijn toom aan uw lippen, En voer u terug langs de weg, Die gij kwaamt.
29ὁ δὲ θυμός σου, ὃν ἐθυμώθης, καὶ ἡ πικρία σου ἀνέβη πρός με, καὶ ἐμβαλῶ φιμὸν εἰς τὴν ρῖνά σου, καὶ χαλινὸν εἰς τὰ χείλη σου καὶ ἀποστρέψω σε τῇ ὁδῷ ᾗ ἦλθες ἐν αὐτῇ.
30En dit is het teken voor u: Dit jaar zult ge nog nawas eten, Het volgend jaar wat er groeit in het wild; Maar in het derde zult ge zaaien en oogsten, Wijngaarden planten, de vrucht er van eten.
30τοῦτο δέ σοι τὸ σημεῖον· φάγε τοῦτον τὸν ἐνιαυτὸν ἃ ἔσπαρκας, τῷ δὲ ἐνιαυτῷ τῷ δευτέρῳ τὸ κατάλειμμα, τῷ δὲ τρίτῳ σπείραντες ἀμήσατε καὶ φυτεύσατε ἀμπελῶνας καὶ φάγεσθε τὸν καρπὸν αὐτῶν.
31En wat er van u overblijft, En wat van het huis van Juda nog rest, Zal wortel schieten omlaag, En vruchten dragen naar boven.
31καὶ ἔσονται οἱ καταλελειμμένοι ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ φυήσουσι ρίζαν κάτω καὶ ποιήσουσι σπέρμα ἄνω.
32Want de Rest zal zich uit Jerusalem verspreiden, Met wat er overbleef uit de Sion: De ijver van Jahweh der heirscharen Brengt het tot stand!
32ὅτι ἐξ Ἱερουσαλὴμ ἔσονται οἱ καταλελειμμένοι καὶ οἱ σῳζόμενοι ἐξ ὄρους Σιών· ὁ ζῆλος Κυρίου σαβαὼθ ποιήσει ταῦτα.
33En daarom spreekt Jahweh tot den koning van Assjoer: Hij zal deze stad niet binnen komen, Geen pijl er op af schieten; Met geen schild ze bestormen, Met geen wal ze omringen.
33διὰ τοῦτο οὕτω λέγει Κύριος ἐπὶ βασιλέα Ἀσσυρίων· οὐ μὴ εἰσέλθῃ εἰς τὴν πόλιν ταύτην οὐδὲ μὴ βάλῃ ἐπὶ αὐτὴν βέλος οὐδὲ μὴ ἐπιβάλῃ ἐπ᾿ αὐτὴν θυρεόν, οὐδὲ μὴ κυκλώσῃ ἐπ᾿ αὐτὴν χάρακα,
34Hij keert terug langs de weg, die hij kwam; Deze stad komt hij niet binnen, zegt Jahweh!
34ἀλλὰ τῇ ὁδῷ ᾗ ἦλθεν, ἐν αὐτῇ ἀποστραφήσεται καὶ εἰς τὴν πόλιν ταύτην οὐ μὴ εἰσέλθῃ. τάδε λέγει Κύριος·
35Ik zal deze stad beschutten en redden, Terwille van Mij, en van David, mijn dienaar!
35ὑπερασπιῶ ὑπὲρ τῆς πόλεως ταύτης τοῦ σῶσαι αὐτὴν δι᾿ ἐμὲ καὶ διὰ Δαυὶδ τὸν παῖδά μου.
36En de engel van Jahweh ging uit, en doodde in het assyrische leger honderd vijf en tachtig duizend man; ‘s morgens bij het ontwaken zag men enkel nog lijken.
36Καὶ ἐξῆλθεν ἄγγελος Κυρίου καὶ ἀνεῖλεν ἐκ τῆς παρεμβολῆς τῶν Ἀσσυρίων ἑκατὸν ὀγδοηκονταπέντε χιλιάδας, καὶ ἀναστάντες τὸ πρωΐ εὗρον πάντα τὰ σώματα νεκρά.
37Nu brak Sinacherib de koning van Assjoer op, nam de terugtocht en bleef in Ninive.
37καὶ ἀπῆλθεν ἀποστραφεὶς Σενναχηρεὶμ βασιλεὺς Ἀσσυρίων, καὶ ᾤκησεν ἐν Νινευῇ.
38En toen hij eens aan het bidden was in de tempel van Nisrok, zijn god, werd hij met het zwaard doorstoken door zijn zonen Adrammélek en Saréser, die naar het land van Ararat vluchtten. Zijn zoon Esar-Chaddon volgde hem op.
38καὶ ἐν τῷ αὐτὸν προσκυνεῖν ἐν τῷ οἴκῳ Νασαρὰχ τὸν πάτραρχον αὐτοῦ, Ἀδραμέλεχ καὶ Σαρασὰρ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ ἐπάταξαν αὐτὸν μαχαίραις, αὐτοὶ δὲ διεσώθησαν εἰς Ἀρμενίαν· καὶ ἐβασίλευσεν Ἀσορδὰν ὁ υἱὸς αὐτοῦ ἀντ᾿ αὐτοῦ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.