Ezechiel
Chapter 30
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
1La parole de l’Éternel me fut adressée, en ces mots:
2Mensenkind, ge moet profeteren en zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Roep jammerend: Wee, die dag!
2Fils de l’homme, prophétise, et dis: Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Gémissez!… Malheureux jour!
3Want nabij is de dag, de dag van Jahweh! Een dag van wolken zal hij zijn, Het eind der volken!
3Car le jour approche, le jour de l’Éternel approche, Jour ténébreux: ce sera le temps des nations.
4Er zal een zwaard in Egypte komen, Ethiopië zal doodsangsten uitstaan: Als er doden in Egypte vallen, Men zijn rijkdom wegsleept, zijn fundamenten omverhaalt.
4L’épée fondra sur l’Égypte, Et l’épouvante sera dans l’Éthiopie, Quand les morts tomberont en Égypte, Quand on enlèvera ses richesses, Et que ses fondements seront renversés.
5Ethiopië, Poet en Loet, Alle bastaarden en Lybiërs En de zonen van Kreta Worden met hen neergesabeld.
5L’Éthiopie, Puth, Lud, toute l’Arabie, Cub, Et les fils du pays allié, Tomberont avec eux par l’épée.
6Egypte’s schragen zullen vallen, Zijn trotse overmoed zal zinken; Van Migdol tot Syene zullen ze vallen door het zwaard: Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
6Ainsi parle l’Éternel: Ils tomberont, les soutiens de l’Égypte, Et l’orgueil de sa force périra; De Migdol à Syène ils tomberont par l’épée, Dit le Seigneur, l’Éternel.
7Braak zal het liggen tussen geteisterde landen, Zijn steden tussen verwoeste plaatsen;
7Ils seront dévastés entre les pays dévastés, Et ses villes seront entre les villes désertes.
8Als Ik Egypte in brand heb gestoken, En al zijn helpers zijn verlamd.
8Et ils sauront que je suis l’Éternel, Quand je mettrai le feu dans l’Égypte, Et que tous ses soutiens seront brisés.
9Die dag zullen zijn ijlboden uitgaan, Om het onbezorgde Ethiopië schrik aan te jagen; Doodsangsten zullen ze uitstaan Op de dag van Egypte, want zie: het komt!
9En ce jour-là, des messagers iront de ma part sur des navires Troubler l’Éthiopie dans sa sécurité; Et l’épouvante sera parmi eux au jour de l’Égypte, Car voici, ces choses arrivent!
10Dit zegt Jahweh, de Heer: Ik zal een eind maken aan Egypte’s drommen, Door Nabukodonosor, Den koning van Babel!
10Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Je ferai disparaître la multitude de l’Égypte, Par la main de Nebucadnetsar, roi de Babylone.
11Hij met zijn volk, een volk van barbaren, Worden uitgestuurd, om het land te vernielen; Ze zullen hun zwaard tegen Egypte ontbloten, Het land met doden bedekken.
11Lui et son peuple avec lui, Le plus violent d’entre les peuples, Seront envoyés pour détruire le pays; Ils tireront l’épée contre l’Égypte, Et rempliront le pays de morts.
12Ik zal de stromen droogleggen, Het land aan herders verkopen, Het land met zijn rijkdom door vreemden verwoesten: Ik, Jahweh, heb het gezegd!
12Je mettrai les canaux à sec, Je livrerai le pays entre les mains des méchants; Je ravagerai le pays et ce qu’il renferme, par la main des étrangers. Moi, l’Éternel, j’ai parlé.
13Zo spreekt Jahweh, de Heer: Ik sla de gruwelbeelden stuk, Verwijder de prulgoden uit Nof, En de vorst van Egypte komt nooit meer terug!
13Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: J’anéantirai les idoles, Et j’ôterai de Noph les vains simulacres; Il n’y aura plus de prince du pays d’Égypte, Et je répandrai la terreur dans le pays d’Égypte.
14Ik sla Egypte met schrik, En Patros met verwoesting; Steek Sóan in brand, Voltrek het vonnis in No.
14Je dévasterai Pathros, Je mettrai le feu à Tsoan, Et j’exercerai mes jugements sur No.
15Ik stort mijn toorn over Syene uit, Het bolwerk van Egypte; En vaag de drommen weg Van No-Ammon.
15Je répandrai ma fureur sur Sin, la forteresse de l’Égypte, Et j’exterminerai la multitude de No.
16Ik steek Egypte in brand, En Syene krimpt ineen van pijn; No wordt een gerammeide stad, In haar muren worden bressen geslagen.
16Je mettrai le feu dans l’Égypte; Sin sera saisie d’angoisse, No sera ouverte par la brèche, Et Noph conquise en plein jour par les ennemis.
17De knapen van On en Bubastis worden neergesabeld, Hun dochters gaan de ballingschap in;
17Les jeunes hommes d’On et de Pi-Béseth tomberont par l’épée, Et ces villes iront en captivité.
18In Tachpanches wordt de dag verduisterd, Als Ik Egypte’s schepter daar breek.
18A Tachpanès le jour s’obscurcira, Quand j’y briserai le joug de l’Égypte, Et que l’orgueil de sa force y prendra fin; Un nuage couvrira Tachpanès, Et ses filles iront en captivité.
19Dan komt er een einde aan zijn overmoedige trots, En wordt het bedekt door een wolk! Zo zal Ik in Egypte vonnis vellen, En zullen zij erkennen, dat Ik Jahweh ben!
19J’exercerai mes jugements sur l’Égypte, Et ils sauront que je suis l’Éternel.
20In het elfde jaar, de zevende van de eerste maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
20La onzième année, le septième jour du premier mois, la parole de l’Éternel me fut adressée, en ces mots:
21Mensenkind, Ik heb de arm van Farao, den koning van Egypte, gebroken. Waarachtig, hij wordt niet verbonden om genezing te brengen, er wordt geen verband opgelegd, om hem te verbinden, opdat hij na herwonnen kracht het zwaard zou kunnen hanteren.
21Fils de l’homme, j’ai rompu le bras de Pharaon, roi d’Égypte; Et voici, on ne l’a point pansé pour le guérir, On ne l’a point enveloppé d’un bandage Pour le lier et le raffermir, Afin qu’il puisse manier l’épée.
22Daarom zegt Jahweh, de Heer: Ik kom op Farao, den koning van Egypte, af en ga zijn beide armen breken, de gezonde en de gebroken arm, om hem het zwaard uit zijn vuist te slaan.
22C’est pourquoi ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Voici, j’en veux à Pharaon, roi d’Égypte, Et je lui romprai les bras, Celui qui est en bon état et celui qui est cassé. Et je ferai tomber l’épée de sa main.
23De Egyptenaren zal Ik onder de volken verstrooien, en ze over de landen verspreiden.
23Je répandrai les Égyptiens parmi les nations, Je les disperserai en divers pays.
24Maar de armen van Babels koning zal Ik krachtig maken, en hem mijn zwaard in de vuist drukken; de armen van Farao zal Ik breken, zodat hij als een getroffene voor hem zal kermen.
24Je fortifierai les bras du roi de Babylone, Et je mettrai mon épée dans sa main; Je romprai les bras de Pharaon, Et il gémira devant lui comme gémissent les mourants.
25Ja, de armen van Babels koning maak Ik krachtig, maar de armen van Farao hangen slap neer. Zo zullen zij erkennen, dat Ik Jahweh ben, als Ik mijn zwaard in de vuist van Babels koning druk, en hij het over Egypte zwaait.
25Je fortifierai les bras du roi de Babylone, Et les bras de Pharaon tomberont. Et ils sauront que je suis l’Éternel, Quand je mettrai mon épée dans la main du roi de Babylone, Et qu’il la tournera contre le pays d’Égypte.
26En de Egyptenaren zal Ik onder de volken verstrooien, en ze over de landen verspreiden. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
26Je répandrai les Égyptiens parmi les nations, Je les disperserai en divers pays, Et ils sauront que je suis l’Éternel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.