Ezechiel
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
1La parole de l’Éternel me fut adressée, en ces mots:
2Mensenkind, ge moet uw aangezicht naar Israëls bergen wenden, en aldus tegen hen profeteren:
2Fils de l’homme, tourne ta face vers les montagnes d’Israël, Et prophétise contre elles!
3Bergen van Israël, luistert naar het woord van Jahweh! Dit zegt Jahweh, de Heer, tot de bergen en heuvelen, de ravijnen en dalen: waarachtig, Ik kom met een zwaard op u af, en maak uw hoogten gelijk met de grond.
3Tu diras: Montagnes d’Israël, Écoutez la parole du Seigneur, de l’Éternel! Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel, Aux montagnes et aux collines, aux ravins et aux vallées: Voici, je fais venir l’épée contre vous, Et je détruirai vos hauts lieux.
4Uw altaren zullen worden vernield, uw zuilen verbrijzeld; uw doden zal Ik voor uw afgodsbeelden neerwerpen,
4Vos autels seront dévastés, Vos statues du soleil seront brisées, Et je ferai tomber vos morts devant vos idoles.
5en uw beenderen rond uw altaren strooien.
5Je mettrai les cadavres des enfants d’Israël devant leurs idoles, Et je disperserai vos ossements autour de vos autels.
6Overal waar gij woont, zullen de steden verwoest worden en de hoogten geslecht, opdat uw altaren verlaten liggen, uw afgodsbeelden in stukken gaan, uw zuilen worden neergeworpen en uw maaksels verdwijnen.
6Partout où vous habitez, vos villes seront ruinées, Et vos hauts lieux dévastés; Vos autels seront délaissés et abandonnés, Vos idoles seront brisées et disparaîtront, Vos statues du soleil seront abattues, Et vos ouvrages anéantis.
7En er zullen doden onder u vallen, opdat ge zult erkennen, dat Ik Jahweh ben!
7Les morts tomberont au milieu de vous, Et vous saurez que je suis l’Éternel.
8Wel zal Ik enigen onder u sparen, die aan het zwaard zullen ontsnappen, maar ze zullen onder de volken geraken, en over de landen worden verstrooid.
8Mais je laisserai quelques restes d’entre vous, Qui échapperont à l’épée parmi les nations, Lorsque vous serez dispersés en divers pays.
9En die van u gespaard blijven, zullen aan Mij denken onder de volken waar zij wonen, wanneer Ik hun overspelig hart heb gebroken, dat van Mij afweek, en hun overspelige ogen, die hun goden achterna hebben gestaard. Dan zullen zij zich schamen over het kwaad dat ze bedreven, en over hun stuitend gedrag;
9Vos réchappés se souviendront de moi Parmi les nations où ils seront captifs, Parce que j’aurai brisé leur cœur adultère et infidèle, Et leurs yeux qui se sont prostitués après leurs idoles; Ils se prendront eux-mêmes en dégoût, A cause des infamies qu’ils ont commises, A cause de toutes leurs abominations.
10dan zullen zij erkennen dat Ik, Jahweh, niet voor niets gedreigd heb, hun dit onheil te berokkenen!
10Et ils sauront que je suis l’Éternel, Et que ce n’est pas en vain que je les ai menacés De leur envoyer tous ces maux.
11Zo zegt Jahweh, de Heer: Klap in uw handen, stamp met uw voeten, en roep wee over alle gruwelen van Israëls huis; door het zwaard, de hongersnood en de pest komen zij om!
11Ainsi parle le Seigneur, l’Éternel: Frappe de la main, frappe du pied, et dis: Hélas! Sur toutes les méchantes abominations de la maison d’Israël, Qui tombera par l’épée, par la famine et par la peste.
12Wie ver weg is, zal sterven aan de pest; wie dichtbij is, zal vallen door het zwaard; en wie belegerd wordt, zal sterven van honger. Zo zal Ik mijn wraak op hen koelen;
12Celui qui sera loin mourra de la peste, Celui qui sera près tombera par l’épée, Celui qui restera et sera assiégé périra par la famine. J’assouvirai ainsi ma fureur sur eux.
13zo zullen zij erkennen, dat Ik Jahweh ben, als hun doden tussen de afgodsbeelden rond hun altaren liggen: op elke hoge heuvel, op elke bergtop, onder elke groene boom, onder elke bladerrijke eik: overal waar ze geurige offers aan al hun afgoden brachten.
13Et vous saurez que je suis l’Éternel, Quand leurs morts seront au milieu de leurs idoles, Autour de leurs autels, Sur toute colline élevée, sur tous les sommets des montagnes, Sous tout arbre vert, sous tout chêne touffu, Là où ils offraient des parfums d’une agréable odeur A toutes leurs idoles.
14Ik zal mijn hand tegen hen opheffen, en het land tot een woeste steppe maken, van de woestijn tot aan Ribla, overal waar zij wonen. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
14J’étendrai ma main contre eux, Et je rendrai le pays plus solitaire et plus désolé Que le désert de Dibla, Partout où ils habitent. Et ils sauront que je suis l’Éternel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.