Ezechiel 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht.
1ויהי דבר יהוה אלי לאמר׃
2Mensenkind, ge moet uw aangezicht naar Israëls bergen wenden, en aldus tegen hen profeteren:
2בן אדם שים פניך אל הרי ישראל והנבא אליהם׃
3Bergen van Israël, luistert naar het woord van Jahweh! Dit zegt Jahweh, de Heer, tot de bergen en heuvelen, de ravijnen en dalen: waarachtig, Ik kom met een zwaard op u af, en maak uw hoogten gelijk met de grond.
3ואמרת הרי ישראל שמעו דבר אדני יהוה כה אמר אדני יהוה להרים ולגבעות לאפיקים ולגאית הנני אני מביא עליכם חרב ואבדתי במותיכם׃
4Uw altaren zullen worden vernield, uw zuilen verbrijzeld; uw doden zal Ik voor uw afgodsbeelden neerwerpen,
4ונשמו מזבחותיכם ונשברו חמניכם והפלתי חלליכם לפני גלוליכם׃
5en uw beenderen rond uw altaren strooien.
5ונתתי את פגרי בני ישראל לפני גלוליהם וזריתי את עצמותיכם סביבות מזבחותיכם׃
6Overal waar gij woont, zullen de steden verwoest worden en de hoogten geslecht, opdat uw altaren verlaten liggen, uw afgodsbeelden in stukken gaan, uw zuilen worden neergeworpen en uw maaksels verdwijnen.
6בכל מושבותיכם הערים תחרבנה והבמות תישמנה למען יחרבו ויאשמו מזבחותיכם ונשברו ונשבתו גלוליכם ונגדעו חמניכם ונמחו מעשיכם׃
7En er zullen doden onder u vallen, opdat ge zult erkennen, dat Ik Jahweh ben!
7ונפל חלל בתוככם וידעתם כי אני יהוה׃
8Wel zal Ik enigen onder u sparen, die aan het zwaard zullen ontsnappen, maar ze zullen onder de volken geraken, en over de landen worden verstrooid.
8והותרתי בהיות לכם פליטי חרב בגוים בהזרותיכם בארצות׃
9En die van u gespaard blijven, zullen aan Mij denken onder de volken waar zij wonen, wanneer Ik hun overspelig hart heb gebroken, dat van Mij afweek, en hun overspelige ogen, die hun goden achterna hebben gestaard. Dan zullen zij zich schamen over het kwaad dat ze bedreven, en over hun stuitend gedrag;
9וזכרו פליטיכם אותי בגוים אשר נשבו שם אשר נשברתי את לבם הזונה אשר סר מעלי ואת עיניהם הזנות אחרי גלוליהם ונקטו בפניהם אל הרעות אשר עשו לכל תועבתיהם׃
10dan zullen zij erkennen dat Ik, Jahweh, niet voor niets gedreigd heb, hun dit onheil te berokkenen!
10וידעו כי אני יהוה לא אל חנם דברתי לעשות להם הרעה הזאת׃
11Zo zegt Jahweh, de Heer: Klap in uw handen, stamp met uw voeten, en roep wee over alle gruwelen van Israëls huis; door het zwaard, de hongersnood en de pest komen zij om!
11כה אמר אדני יהוה הכה בכפך ורקע ברגלך ואמר אח אל כל תועבות רעות בית ישראל אשר בחרב ברעב ובדבר יפלו׃
12Wie ver weg is, zal sterven aan de pest; wie dichtbij is, zal vallen door het zwaard; en wie belegerd wordt, zal sterven van honger. Zo zal Ik mijn wraak op hen koelen;
12הרחוק בדבר ימות והקרוב בחרב יפול והנשאר והנצור ברעב ימות וכליתי חמתי בם׃
13zo zullen zij erkennen, dat Ik Jahweh ben, als hun doden tussen de afgodsbeelden rond hun altaren liggen: op elke hoge heuvel, op elke bergtop, onder elke groene boom, onder elke bladerrijke eik: overal waar ze geurige offers aan al hun afgoden brachten.
13וידעתם כי אני יהוה בהיות חלליהם בתוך גלוליהם סביבות מזבחותיהם אל כל גבעה רמה בכל ראשי ההרים ותחת כל עץ רענן ותחת כל אלה עבתה מקום אשר נתנו שם ריח ניחח לכל גלוליהם׃
14Ik zal mijn hand tegen hen opheffen, en het land tot een woeste steppe maken, van de woestijn tot aan Ribla, overal waar zij wonen. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
14ונטיתי את ידי עליהם ונתתי את הארץ שממה ומשמה ממדבר דבלתה בכל מושבותיהם וידעו כי אני יהוה׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.