Ezechiel 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Toen werd dit woord van Jahweh tot mij gericht:
1ויהי דבר יהוה אלי לאמר׃
2Mensenkind, richt dan uw gelaat naar Jerusalem, en laat uw woorden kletteren tegen hun heiligdom; profeteer tegen Israëls bodem,
2בן אדם שים פניך אל ירושלם והטף אל מקדשים והנבא אל אדמת ישראל׃
3en zeg tot het land van Israël: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ik kom op u af; Ik trek mijn zwaard uit de schede, en delg uit u weg zowel goeden als kwaden.
3ואמרת לאדמת ישראל כה אמר יהוה הנני אליך והוצאתי חרבי מתערה והכרתי ממך צדיק ורשע׃
4Om uit u te verdelgen zowel goeden als kwaden, daarom gaat mijn zwaard uit de schede tegen alle schepselen van zuid tot noord.
4יען אשר הכרתי ממך צדיק ורשע לכן תצא חרבי מתערה אל כל בשר מנגב צפון׃
5Dan zullen alle schepselen erkennen, dat Ik, Jahweh, mijn zwaard uit de schede heb getrokken! Neen, het gaat er niet meer in terug!
5וידעו כל בשר כי אני יהוה הוצאתי חרבי מתערה לא תשוב עוד׃
6Mensenkind. ge moet in hun bijzijn gaan kreunen; kreunen alsof u de lenden breken, alsof ge weeën lijdt.
6ואתה בן אדם האנח בשברון מתנים ובמרירות תאנח לעיניהם׃
7En als ze u dan vragen: Waarom kreunt ge? moet ge zeggen: Over een tijding die komt, waardoor aller hart het besterft, hun handen slap hangen, hun moed versaagt, hun knieën knikken. Waarachtig, het komt, het zal gebeuren, zegt Jahweh, de Heer!
7והיה כי יאמרו אליך על מה אתה נאנח ואמרת אל שמועה כי באה ונמס כל לב ורפו כל ידים וכהתה כל רוח וכל ברכים תלכנה מים הנה באה ונהיתה נאם אדני יהוה׃
8Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
8ויהי דבר יהוה אלי לאמר׃
9Menschenzoon, profeteer en zeg: Zo spreekt Jahweh: Een zwaard, een zwaard is geslepen, Een zwaard is gewet;
9בן אדם הנבא ואמרת כה אמר אדני אמר חרב חרב הוחדה וגם מרוטה׃
10Om te slachten is het geslepen, Om te bliksemen is het gewet! Het slaat onheelbare wonden, Het spot met elke knuppel.
10למען טבח טבח הוחדה למען היה לה ברק מרטה או נשיש שבט בני מאסת כל עץ׃
11Het is geslepen, om het in de vuist te vatten, Gewet, om het een moordenaar in de hand te drukken.
11ויתן אתה למרטה לתפש בכף היא הוחדה חרב והיא מרטה לתת אותה ביד הורג׃
12Schreeuw en jammer, mensenkind, Want het keert zich tegen mijn volk, En tegen alle vorsten van Israël: Aan het zwaard zijn ze vervallen, tegelijk met mijn volk!
12זעק והילל בן אדם כי היא היתה בעמי היא בכל נשיאי ישראל מגורי אל חרב היו את עמי לכן ספק אל ירך׃
13Daarom, sla op uw heup, Want de proef is genomen; En als de knuppel het begeeft, Het zwaard doet het niet, zegt Jahweh, de Heer!
13כי בחן ומה אם גם שבט מאסת לא יהיה נאם אדני יהוה׃
14En gij, mensenkind, profeteer, En klap in uw handen; Verdubbel het zwaard in tweeën en drieën, Dat het een moordzwaard mag zijn! Het grote moordzwaard suist om hen heen,
14ואתה בן אדם הנבא והך כף אל כף ותכפל חרב שלישתה חרב חללים היא חרב חלל הגדול החדרת להם׃
15Opdat aller hart het besterft, En tallozen vallen: Aan al hun poorten heb Ik een slachtbank gezet! Gij zwaard, gevormd om te bliksemen, En om te slachten gewet,
15למען למוג לב והרבה המכשלים על כל שעריהם נתתי אבחת חרב אח עשויה לברק מעטה לטבח׃
16Sla achteruit en naar rechts, Naar voren, naar links. Waarheen uw snede zich richt,
16התאחדי הימיני השימי השמילי אנה פניך מעדות׃
17Klap ook Ik in mijn handen, En koel Ik mijn woede: Ik, Jahweh, heb het gezegd!
17וגם אני אכה כפי אל כפי והניחתי חמתי אני יהוה דברתי׃
18Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
18ויהי דבר יהוה אלי לאמר׃
19Mensenkind, leg twee wegen aan, waarlangs het zwaard van Babels koning kan komen; van één land moeten ze beiden uitgaan. Zet een handwijzer aan het beginpunt van de weg naar de stad.
19ואתה בן אדם שים לך שנים דרכים לבוא חרב מלך בבל מארץ אחד יצאו שניהם ויד ברא בראש דרך עיר ברא׃
20Eén weg moet ge banen, waarlangs het zwaard naar Rabba der Ammonieten komt; en een andere weg, waarlangs het naar Juda met haar middelpunt Jerusalem komt.
20דרך תשים לבוא חרב את רבת בני עמון ואת יהודה בירושלם בצורה׃
21Want de koning van Babel staat aan de tweesprong, aan de kop der beide wegen, om een orakel uit te lokken. Hij schudt de pijlen, ondervraagt de huisgoden, en bekijkt de lever.
21כי עמד מלך בבל אל אם הדרך בראש שני הדרכים לקסם קסם קלקל בחצים שאל בתרפים ראה בכבד׃
22In zijn rechterhand heeft hij het lot “Jerusalem” gekregen, en nu heft hij een moordgeroep aan, en stoot hij de oorlogskreet uit, om aan de poorten stormrammen te plaatsen, een wal op te werpen en verschansingen te bouwen.
22בימינו היה הקסם ירושלם לשום כרים לפתח פה ברצח להרים קול בתרועה לשום כרים על שערים לשפך סללה לבנות דיק׃
23En ofschoon het in hun ogen maar een loos orakel is: want hùn zijn de heiligste eden; toch brengt het hun schuld in herinnering, opdat ze gegrepen worden.
23והיה להם כקסום שוא בעיניהם שבעי שבעות להם והוא מזכיר עון להתפש׃
24Daarom, zegt Jahweh, de Heer: Daar gij aan uw schuld hebt herinnerd, omdat uw zonden openbaar zijn geworden en het slechte in al uw daden aan de dag is gekomen, daarom zult ge met de vuist gegrepen worden!
24לכן כה אמר אדני יהוה יען הזכרכם עונכם בהגלות פשעיכם להראות חטאותיכם בכל עלילותיכם יען הזכרכם בכף תתפשו׃
25En gij, verworpeling, misdadiger, vorst van Israël, wiens tijd gekomen is, nu de schuld het toppunt bereikt heeft:
25ואתה חלל רשע נשיא ישראל אשר בא יומו בעת עון קץ׃
26Zo spreekt Jahweh, de Heer! Weg met de diadeem en weg met de kroon! Dat is het echte niet! Het lage omhoog; het hoge omlaag!
26כה אמר אדני יהוה הסיר המצנפת והרים העטרה זאת לא זאת השפלה הגבה והגבה השפיל׃
27Omkeer, omkeer, omkeer zal Ik bewerken. Wee over haar! Zo zal ze blijven, totdat Hij komt, die er recht op heeft; Hem zal Ik ze geven.
27עוה עוה עוה אשימנה גם זאת לא היה עד בא אשר לו המשפט ונתתיו׃
28Mensenkind, ge moet profeteren en zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer, over de Ammonieten en hun schande: Een zwaard, een zwaard is getrokken om te slachten, Gewet om af te maken, gewet om te bliksemen:
28ואתה בן אדם הנבא ואמרת כה אמר אדני יהוה אל בני עמון ואל חרפתם ואמרת חרב חרב פתוחה לטבח מרוטה להכיל למען ברק׃
29Terwijl men loze visioenen voor u schouwt, En valse voorspellingen doet. Men zal het aan de hals der verdoemden leggen, En van goddelozen: Wier dag is gekomen, Nu de schuld haar toppunt bereikt!
29בחזות לך שוא בקסם לך כזב לתת אותך אל צוארי חללי רשעים אשר בא יומם בעת עון קץ׃
30Keer terug naar uw steden, Naar de plek waar ge werdt geschapen; Want in het land van uw oorsprong Zal Ik u richten!
30השב אל תערה במקום אשר נבראת בארץ מכרותיך אשפט אתך׃
31Ik zal u mijn woede laten voelen, Met mijn gloeiende toorn op u blazen, U overleveren in de macht van barbaren, Die verderf zullen smeden.
31ושפכתי עליך זעמי באש עברתי אפיח עליך ונתתיך ביד אנשים בערים חרשי משחית׃
32Het vuur zult ge tot brandstof dienen, Uw bloed zal midden in uw land stromen, En niemand zal meer aan u denken: Waarachtig, Ik, Jahweh. heb het gezegd.
32לאש תהיה לאכלה דמך יהיה בתוך הארץ לא תזכרי כי אני יהוה דברתי׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.