Ezechiel 29
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1In het tiende jaar, de twaalfde van de tiende maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
1בשנה העשרית בעשרי בשנים עשר לחדש היה דבר יהוה אלי לאמר׃
2Mensenkind, ge moet uw gelaat richten op Farao, den koning van Egypte, en tegen hem en tegen heel Egypte profeteren.
2בן אדם שים פניך על פרעה מלך מצרים והנבא עליו ועל מצרים כלה׃
3Zo moet ge spreken: Dit zegt Jahweh, de Heer! Ik kom op u af, Farao, koning van Egypte, gij grote krokodil, die neerligt in uw stromen en pocht: Van mij is mijn Nijl, ik heb hem zelf gemaakt!
3דבר ואמרת כה אמר אדני יהוה הנני עליך פרעה מלך מצרים התנים הגדול הרבץ בתוך יאריו אשר אמר לי יארי ואני עשיתני׃
4Ik ga haken slaan in uw kaken, de vissen van uw stromen aan uw schubben plakken, u ophalen midden uit uw stromen, met alle vissen van uw stromen, die kleven aan uw schubben.
4ונתתי חחיים בלחייך והדבקתי דגת יאריך בקשקשתיך והעליתיך מתוך יאריך ואת כל דגת יאריך בקשקשתיך תדבק׃
5Dan slinger Ik u weg in de steppe, u en al de vissen uit uw stromen, op de barre grond kwakt ge neer; niemand die u weghaalt, niemand die u opraapt! Aan de wilde dieren en de vogels in de lucht geef Ik u te verslinden.
5ונטשתיך המדברה אותך ואת כל דגת יאריך על פני השדה תפול לא תאסף ולא תקבץ לחית הארץ ולעוף השמים נתתיך לאכלה׃
6Zo zullen alle inwoners van Egypte erkennen, dat Ik Jahweh ben! Want ge zijt een rietstok voor het huis van Israël:
6וידעו כל ישבי מצרים כי אני יהוה יען היותם משענת קנה לבית ישראל׃
7grijpt hun hand u vast, dan knakt ge, en rijt ge heel hun hand open; steunen ze op u, dan breekt ge en verlamt aller heupen.
7בתפשם בך בכפך תרוץ ובקעת להם כל כתף ובהשענם עליך תשבר והעמדת להם כל מתנים׃
8Daarom zegt Jahweh, de Heer: Ik kom met een zwaard op u af, vaag mens en dier uit u weg,
8לכן כה אמר אדני יהוה הנני מביא עליך חרב והכרתי ממך אדם ובהמה׃
9zodat Egypte een kale steppe wordt. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben! Omdat gij pocht: Van mij is de Nijl, ik heb hem zelf gemaakt:
9והיתה ארץ מצרים לשממה וחרבה וידעו כי אני יהוה יען אמר יאר לי ואני עשיתי׃
10daarom zàl Ik u en uw Nijl! Ik maak Egypte tot een kale steppe, platgelopen van Migdol tot Syene en de grens van Ethiopië.
10לכן הנני אליך ואל יאריך ונתתי את ארץ מצרים לחרבות חרב שממה ממגדל סונה ועד גבול כוש׃
11Geen mensenvoet of dierenhoef zal het betreden, en veertig jaren zal het onbewoond blijven.
11לא תעבר בה רגל אדם ורגל בהמה לא תעבר בה ולא תשב ארבעים שנה׃
12Veertig jaar laat Ik Egypte braak liggen tussen geteisterde landen, en zijn steden als een puinhoop tussen verwoeste steden; de Egyptenaren zal Ik onder de volken verspreiden, en ze over de landen verstrooien.
12ונתתי את ארץ מצרים שממה בתוך ארצות נשמות ועריה בתוך ערים מחרבות תהיין שממה ארבעים שנה והפצתי את מצרים בגוים וזריתים בארצות׃
13Want dit zegt Jahweh, de Heer: Na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren samenbrengen uit de volken, waaronder ze verspreid zijn,
13כי כה אמר אדני יהוה מקץ ארבעים שנה אקבץ את מצרים מן העמים אשר נפצו שמה׃
14en zal Ik Egypte’s lot ten beste keren; Ik breng ze terug naar het land Patros, het land waar ze vandaan komen. Maar ze zullen een onbeduidend rijkje vormen;
14ושבתי את שבות מצרים והשבתי אתם ארץ פתרוס על ארץ מכורתם והיו שם ממלכה שפלה׃
15kleiner dan andere rijken zal het zijn, en zich nimmer boven de volken kunnen verheffen. Ik zal ze klein houden, opdat ze de volken niet kunnen regeren.
15מן הממלכות תהיה שפלה ולא תתנשא עוד על הגוים והמעטתים לבלתי רדות בגוים׃
16Dan zullen ze voor het huis van Israël geen houvast meer zijn, en niet hun schuld in herinnering brengen, omdat zij zich daaraan hebben vastgeklampt. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
16ולא יהיה עוד לבית ישראל למבטח מזכיר עון בפנותם אחריהם וידעו כי אני אדני יהוה׃
17In het zeven en twintigste jaar, op de eerste van de eerste maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
17ויהי בעשרים ושבע שנה בראשון באחד לחדש היה דבר יהוה אלי לאמר׃
18Mensenkind, Nabukodonosor, de koning van Babel, heeft zijn leger zware dienst laten doen tegen Tyrus; alle hoofden zijn kaal geworden en alle schouders zijn ontveld; maar noch voor hem, noch voor zijn leger viel er uit Tyrus iets te halen voor de moeite, die hij eraan besteed heeft.
18בן אדם נבוכדראצר מלך בבל העביד את חילו עבדה גדלה אל צר כל ראש מקרח וכל כתף מרוטה ושכר לא היה לו ולחילו מצר על העבדה אשר עבד עליה׃
19Daarom zegt Jahweh, de Heer: Ik ga aan Nabukodonosor, den koning van Babel, Egypte geven; daaruit zal hij de schatten wegslepen, de rijkdom plunderen, het bezit buitmaken. Dat zal de beloning voor zijn leger zijn.
19לכן כה אמר אדני יהוה הנני נתן לנבוכדראצר מלך בבל את ארץ מצרים ונשא המנה ושלל שללה ובזז בזה והיתה שכר לחילו׃
20Voor de moeite, die hij aan Tyrus besteed heeft, geef Ik hem Egypte; want ze hebben voor Mij gewerkt, zegt Jahweh, de Heer.
20פעלתו אשר עבד בה נתתי לו את ארץ מצרים אשר עשו לי נאם אדני יהוה׃
21Op die dag laat Ik aan het volk van Israël een hoorn ontspruiten; en voor u zal Ik bewerken, dat ge in hun midden vrij uw mond kunt openen. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
21ביום ההוא אצמיח קרן לבית ישראל ולך אתן פתחון פה בתוכם וידעו כי אני יהוה׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.