Deuteronomium 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Gij zijt kinderen van Jahweh, uw God! Gij moogt u daarom om een dode niet kerven en u aan uw voorhoofd niet kaal scheren:
1VOI siete figliuoli del Signore Iddio vostro; non vi fate tagliature addosso , e non vi dipelate fra gli occhi, per alcun morto.
2want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd, en dat Jahweh uit alle volken, die op de aardbodem zijn, tot zijn eigen volk heeft verkoren.
2Conciossachè tu sii un popolo santo al Signore Iddio tuo; e il Signore ti ha eletto d'infra tutti i popoli che son sopra la terra, per essergli un popolo peculiare.
3Niets wat een gruwel is moogt ge eten.
3Non mangiar cosa alcuna abbominevole.
4De volgende dieren moogt ge dus eten: het rund, het schaap en de geit,
4Queste son le bestie, delle quali voi potrete mangiare: il bue, la pecora, la capra,
5het hert, de gazel en het damhert, den steenbok, de antiloop, den wilden os en de klipgeit;
5il cervo, il cavriuolo, la gran capra, la rupicapra, il daino, il bufalo, e la camozza.
6kortom alle viervoetige dieren, die volledig in tweeën gespleten hoeven hebben en tevens herkauwers zijn, moogt gij eten.
6In somma, voi potrete mangiar d'ogni bestia che ha il piè forcuto, e l'unghia spartita in due, e che rumina.
7Maar van de dieren, die herkauwen of volledig gespleten hoeven hebben, moogt ge de volgende niet eten: de kameel, de haas, de klipdas; want ze zijn wel herkauwend, doch hebben geen gespleten hoeven; ze zijn voor u onrein.
7Ma fra quelle che ruminano, o hanno il piè forcuto, e l'unghia spartita, non mangiate del cammello, nè della lepre, nè del coniglio; conciossiachè ruminino, ma non abbiano l'unghia spartita; sienvi immondi;
8Evenmin het varken, want het heeft wel volledig gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; het is voor u onrein. Van hun vlees moogt ge niet eten, en hun krengen niet aanraken.
8nè del porco; conciossiachè egli abbia l'unghia spartita, ma non rumini; siavi immondo. Non mangiate della carne di questi animali , e non toccate i lor corpi morti.
9Van al wat in het water leeft, moogt ge alles eten, wat vinnen en schubben heeft.
9Di tutti gli animali che son nell'acque, voi potrete mangiar di queste specie, cioè: di tutte quelle che hanno pennette e scaglie;
10Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, moogt ge niet eten; het is voor u onrein.
10ma non mangiate di alcuna che non ha pennette e scaglie; sienvi immondi.
11Alle reine vogels moogt ge eten.
11Voi potrete mangiar d'ogni uccello mondo.
12Maar de volgende moogt ge niet eten: de arend, de lammergier en de aasgier,
12E questi son quelli de' quali non dovete mangiare, cioè : l'aquila, e il girifalco, e l'aquila marina,
13de wouw, en de verschillende soorten valken,
13ogni specie di falcone, e di nibbio, e d'avoltoio,
14alle soorten raven,
14e ogni specie di corvo,
15de struisvogel, de sperwer, de meeuw, en de verschillende soorten haviken,
15e l'ulula, e la civetta, e la folica, e ogni specie di sparviere,
16de steenuil, de velduil en nachtuil,
16e il gufo, e l'ibis, e il cigno,
17de reiger, de stinkgier en de pelikaan,
17e il pellicano, e la pica, e lo smergo,
18de ooievaar, de verschillende soorten kraanvogels, de specht en de vleermuis.
18e la cicogna, e ogni specie d'aghirone, e l'upupa, e il vipistrello.
19Verder zijn alle gevleugelde insekten voor u onrein; ze mogen niet worden gegeten.
19Siavi parimente immondo ogni rettile volatile; non mangisene.
20Alle reine vogels moogt ge eten.
20Voi potrete mangiar d'ogni volatile mondo.
21Gij moogt geen enkel kreng eten. Gij moogt het echter aan den vreemdeling, die binnen uw poorten woont, geven om te eten, of het aan een buitenlander verkopen. Want gij zijt een volk, dat aan Jahweh, uw God, is gewijd. Gij moogt het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.
21Non mangiate d'alcuna carne morta da sè; dalla a mangiare al forestiere che sarà dentro alle tue porte, o vendila ad alcuno straniere; perciocchè tu sei un popol santo al Signore Iddio tuo. Non cuocere il capretto nel latte di sua madre.
22Gij moet ieder jaar de tienden afzonderen van de hele opbrengst van uw zaad, dat op het veld groeit.
22DEL tutto leva la decima di tutta la rendita della tua sementa, prodotta dal campo tuo , ogni anno.
23Deze tienden van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en kudde moet ge voor het aanschijn van Jahweh, uw God, op de plaats eten, die Hij zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen. Zo zult gij Jahweh, uw God, heel uw leven lang leren vrezen.
23E mangia davanti al Signore Iddio tuo, nel luogo ch'egli avrà scelto per istanziarvi il suo Nome, le decime del tuo frumento, del tuo mosto, e del tuo olio, e i primi parti del tuo grosso e minuto bestiame; acciocchè tu impari a temere il Signore Iddio tuo del continuo.
24Maar zo de afstand te groot voor u is, en gij het dus niet kunt vervoeren, omdat de plaats, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen, om daar zijn Naam te vestigen, te ver van u is verwijderd, en omdat Jahweh, uw God, u zo rijk heeft gezegend,
24E se il cammino ti è troppo grande, sì che tu non possa portar quelle decime , per esser quel luogo, che il Signore Iddio tuo avrà scelto per mettervi il suo Nome, troppo lontano da te; perciocchè il Signore ti avrà benedetto;
25dan moet ge het te gelde maken en het geld met u meenemen, en naar de plaats gaan, die Jahweh, uw God, zal uitverkiezen.
25fanne danari, e metti quegli in borsa, e prendili in mano, e va' al luogo che il Signore tuo avrà scelto;
26Gij kunt met het geld alles kopen wat gij verlangt: runderen, schapen, wijn en sterke drank, kortom alles wat ge begeert, en daar met uw gezin voor het aanschijn van Jahweh, uw God, een maaltijd houden en vrolijk zijn.
26e impiega que' danari in tutto quello che l'anima tua desidererà, in buoi, in pecore, in vino, e in cervogia, e in somma in qualunque cosa l'anima tua richiederà; e mangia quivi davanti al Signore Iddio tuo, e rallegrati tu e la tua famiglia.
27Ook den leviet, die binnen uw poorten woont, moogt ge niet vergeten, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft.
27E non abbandonare il Levita che sarà dentro alle tue porte; conciossiachè egli non abbia nè parte nè eredità teco.
28Maar om de drie jaren moet ge alle tienden van uw opbrengst in dat jaar naar uw poorten brengen en ze daar laten liggen.
28In capo d' ogni terzo anno, leva tutte le decime della tua entrata di quell'anno, e riponle dentro alle tue porte.
29Dan zullen de leviet, omdat hij geen deel en geen erfbezit onder u heeft gekregen, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw poorten wonen, ze komen eten en zich verzadigen. Zo zal Jahweh, uw God, u zegenen bij alle arbeid, die gij verricht.
29E venga il Levita (conciossiachè egli non abbia nè parte nè eredità teco), e il forestiere, e l'orfano e la vedova, che saranno dentro alle tue porte, e mangino, e sieno saziati; acciocchè il Signore Iddio tuo ti benedica in ogni opera delle tue mani che tu farai.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.