2 Samuel 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Synodal Translation (Синодальный перевод)
1Toen Isj-Bósjet, de zoon van Saul, vernam, dat Abner in Hebron vermoord was, ontzonk hem de moed, en sloeg heel Israël de schrik om het hart.
1И услышал Иевосфей, сын Саулов, что умер Авенир в Хевроне, и опустились руки его, и весь Израиль смутился.
2Nu had Isj-Bósjet, de zoon van Saul, een tweetal bendeleiders in zijn dienst: de een heette Baäna, de andere Rekab. Het waren zonen van Rimmon uit Beërot, en Benjamieten. Want ook Beërot wordt tot Benjamin gerekend,
2У Иевосфея, сына Саулова, два было предводителя войска; имя одного - Баана и имя другого - Рихав, сыновья Реммона Беерофянина, из потомков Вениаминовых, ибо и Беероф причислялся к Вениамину.
3daar de Beërotieten naar Gittáim gevlucht zijn en daar tot op heden als vreemdelingen verblijven.
3И убежали Беерофяне в Гиффаим и остались там пришельцами до сего дня.
4Jonatan, de zoon van Saul, had een zoon, die slecht ter been was. Want toen hij vijf jaar oud was, en uit Jizreël de tijding kwam aangaande Saul en Jonatan, had zijn verpleegster hem opgenomen, om met hem te vluchten; maar in haar opwinding om weg te komen, was hij komen te vallen, en kreupel geworden. Hij heette Mefibósjet.
4У Ионафана, сына Саулова, был сын хромой. Пять лет было ему, когда пришло известие о Сауле и Ионафане из Изрееля, и нянька, взяв его, побежала. И когда она бежала поспешно, то он упал, и сделался хромым. Имя его Мемфивосфей.
5Deze Rekab en Baäna, de zonen van Rimmon uit Beërot, begaven zich naar het paleis van Isj-Bósjet, en kwamen daar aan op het heetst van de dag, terwijl deze zijn middagslaap hield.
5И пошли сыны Реммона Беерофянина, Рихав и Баана, и пришли в самый жар дня к дому Иевосфея; а он спал на постели в полдень.
6De portierster van het paleis was bij het ziften der tarwe in slaap gevallen, zodat Rekab en zijn broer Baäna langs haar heen konden glippen.
6А привратник дома, очищавший пшеницу, задремал и уснул и Рихав и Баана, брат его, вошли внутрь дома, как бы для того, чтобы взять пшеницы; и поразили его в живот и убежали.
7Ze drongen het paleis binnen, en staken hem dood, terwijl hij in zijn slaapkamer op bed lag. Ze hieuwen hem het hoofd af, namen dat mee en spoedden zich, de Jordaanvlakte volgend, heel de nacht voort.
7Когда они вошли в дом, Иевосфей лежал на постели своей, в спальной комнате своей; и они поразили его, и умертвили его, и отрубили голову его, и взяли голову его с собою, и шли пустынною дорогою всю ночь;
8Zij brachten het hoofd van Isj-Bósjet bij David in Hebron, en zeiden tot den koning: Hier is het hoofd van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, uw vijand, die u naar het leven stond. Heden heeft Jahweh mijn heer en koning op Saul en zijn geslacht gewroken!
8и принесли голову Иевосфея к Давиду в Хеврон и сказали царю: вот голова Иевосфея, сына Саула, врага твоего, который искал души твоей; ныне Господь отмстил за господина моего царя Саулу врагу твоему и потомству его.
9Maar David gaf Rekab en zijn broer Baäna, de zonen van Rimmon uit Beërot, ten antwoord: Zo waar Jahweh leeft, die mij bevrijd heeft uit alle nood!
9И отвечал Давид Рихаву и Баане, брату его, сыновьям Реммона Беерофянина, и сказал им: жив Господь, избавивший душу мою от всякой скорби!
10Den man, die mij kwam melden: “Saul is dood”, en meende, een goede tijding te brengen, heb ik te Sikelag gegrepen en gedood, ofschoon ik hem bodeloon had moeten geven.
10если того, кто принес мне известие, сказав: “вот, умер Саул, и Ионафан”, и кто считал себя радостным вестником, я схватил и убил его в Секелаге, вместо того, чтобы дать ему награду,
11En nu een paar booswichten een onschuldig mens op zijn bed hebben vermoord, in zijn eigen huis, moet ik dan zijn bloed niet van u opeisen en u van de aardbodem verdelgen?
11то теперь, когда негодные люди убили человека невинного в его доме на постели его, неужели я не взыщу крови его от руки вашей и не истреблю вас с земли?
12Hierop gaf David de soldaten bevel, hen te doden. Ze deden het, hakten hun de handen en voeten af, en hingen ze op bij de vijver in Hebron. Maar het hoofd van Isj-Bósjet droegen zij weg, en begroeven het in het graf van Abner te Hebron.
12И приказал Давид слугам, и убили их, и отрубили им руки и ноги, и повесили их над прудом в Хевроне. А голову Иевосфея взяли и погребли во гробе Авенира, в Хевроне.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.