1 Samuel 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Ongeveer een maand later trok de Ammoniet Nachasj op, en sloeg het beleg voor Jabesj van Gilad. De bewoners van Jabesj stelden nu aan Nachasj voor: Sluit met ons een verdrag, dan zullen wij ons aan u onderwerpen.
1ΚΑΙ ἐγενήθη ὡς μετὰ μῆνα καὶ ἀνέβη Νάας ὁ Ἀμμανίτης καὶ παρεμβάλλει ἐπὶ Ἰαβὶς Γαλαάδ. καὶ εἶπαν πάντες οἱ ἄνδρες Ἰαβὶς πρὸς Νάας τὸν Ἀμμανίτην· διάθου ἡμῖν διαθήκην, καὶ δουλεύσομέν σοι.
2Maar Nachasj de Ammoniet liet hun zeggen: Ik wil met u een verdrag sluiten op voorwaarde, dat ieder van u het rechteroog wordt uitgestoken; die schande wil ik heel Israël aandoen!
2καὶ εἶπε πρὸς αὐτοὺς Νάας ὁ Ἀμμανίτης· ἐν ταύτῃ διαθήσομαι διαθήκην ὑμῖν, ἐν τῷ ἐξορύξαι ὑμῶν πάντα ὀφθαλμὸν δεξιόν, καὶ θήσομαι ὄνειδος ἐπὶ Ἰσραήλ.
3Toen antwoordden hem de oudsten van Jabesj: Geef ons zeven dagen de tijd, dat we boden kunnen sturen naar alle streken van het land Israël. Is er niemand, die ons helpen wil, dan geven we ons aan u over.
3καὶ λέγουσιν αὐτῷ οἱ ἄνδρες Ἰαβίς· ἄνες ἡμῖν ἑπτὰ ἡμέρας, καὶ ἀποστελοῦμεν ἀγγέλους εἰς πᾶν ὅριον Ἰσραήλ· ἐὰν μὴ ᾖ ὁ σώζων ἡμᾶς, ἐξελευσόμεθα πρὸς ὑμᾶς.
4Zo kwamen de boden in Giba van Saul. En toen zij voor het volk de toestand uiteengezet hadden, begon heel het volk luide te wenen.
4καὶ ἔρχονται οἱ ἄγγελοι εἰς Γαβαὰ πρὸς Σαοὺλ καὶ λαλοῦσι τοὺς λόγους εἰς τὰ ὦτα τοῦ λαοῦ, καὶ ᾖραν πᾶς ὁ λαὸς τὴν φωνὴν αὐτῶν καὶ ἔκλαυσαν.
5Juist kwam Saul van de akker achter het vee aanlopen. Hij vroeg: Wat scheelt het volk, dat ze zo schreien? En men vertelde hem het verhaal van de bewoners van Jabesj.
5καὶ ἰδοὺ Σαοὺλ ἤρχετο μετὰ τὸ πρωΐ ἐξ ἀγροῦ, καὶ εἶπε Σαούλ· τί ὅτι κλαίει ὁ λαός; καὶ διηγοῦνται αὐτῷ τὰ ρήματα τῶν ἀνδρῶν Ἰαβίς.
6Nauwelijks had Saul dat verhaal vernomen, of hij werd door de geest Gods overmeesterd.
6καὶ ἐφήλατο πνεῦμα Κυρίου ἐπὶ Σαοὺλ ὡς ἤκουσε τὰ ρήματα ταῦτα, καὶ ἐθυμώθη ἐπ᾿ αὐτοὺς ὀργῇ αὐτοῦ σφόδρα.
7Ziedend van woede haalde hij een koppel runderen, hakte ze in stukken en liet ze door boden in heel Israël rondbrengen met het bevel: Wie Saul en Samuël niet volgt, met zijn vee zal het zó gaan! En de vrees van Jahweh overviel het volk, en als één man trokken ze uit.
7καὶ ἔλαβε δύο βόας καὶ ἐμέλισεν αὐτὰς καὶ ἀπέστειλεν εἰς πᾶν ὅριον Ἰσραὴλ ἐν χειρὶ ἀγγέλων λέγων· ὃς οὐκ ἔστιν ἐκπορευόμενος ὀπίσω Σαοὺλ καὶ ὀπίσω Σαμουήλ, κατὰ τάδε ποιήσουσι τοῖς βουσὶν αὐτοῦ. καὶ ἐπῆλθεν ἔκστασις Κυρίου ἐπὶ τὸν λαὸν Ἰσραήλ, καὶ ἐβόησαν ὡς ἀνὴρ εἷς.
8Toen hij ze in Bézek monsterde, bleken er driehonderd- duizend Israëlieten en dertigduizend Judeërs te zijn.
8καὶ ἐπισκέπτεται αὐτοὺς Ἀβιεζὲκ ἐν Βαμᾷ, πάντα ἄνδρα Ἰσραὴλ ἑξακοσίας χιλιάδας καὶ ἄνδρας Ἰούδα ἑβδομήκοντα χιλιάδας.
9Aan de boden, die gestuurd waren, gaf hij de boodschap mee: Dit moet gij de bevolking van Jabesj van Gilad zeggen: Morgen, als de zon op haar heetst is, komt er hulp voor u. En toen de boden thuiskwamen en de boodschap aan de bewoners van Jabesj overbrachten, waren ze zeer verheugd.
9καὶ εἶπε τοῖς ἀγγέλοις τοῖς ἐρχομένοις· τάδε ἐρεῖτε τοῖς ἀνδράσιν Ἰαβίς· αὔριον ὑμῖν ἡ σωτηρία διαθερμάναντος τοῦ ἡλίου. καὶ ἦλθον οἱ ἄγγελοι εἰς τὴν πόλιν καὶ ἀπαγγέλλουσι τοῖς ἀνδράσιν Ἰαβίς, καὶ εὐφράνθησαν.
10En de bewoners van Jabesj lieten Nachasj weten: Morgen geven we ons over, en kunt ge met ons doen wat ge wilt.
10καὶ εἶπον οἱ ἄνδρες Ἰαβὶς πρὸς Νάας τὸν Ἀμμανίτην· αὔριον ἐξελευσόμεθα πρὸς ὑμᾶς, καὶ ποιήσετε ἡμῖν τὸ ἀγαθὸν ἐνώπιον ὑμῶν.
11De volgende morgen verdeelde Saul het leger in drie groepen. Nog tijdens de morgenwake drongen ze in de legerplaats binnen, en sloegen op de Ammonieten in tot op het heetst van de dag. Zij, die gespaard bleven, werden zo uiteengejaagd, dat er geen twee bij elkander bleven.
11καὶ ἐγενήθη μετὰ τὴν αὔριον καὶ ἔθετο Σαοὺλ τὸν λαὸν εἰς τρεῖς ἀρχάς, καὶ εἰσπορεύονται μέσον τῆς παρεμβολῆς ἐν φυλακῇ τῇ ἑωθινῇ καὶ ἔτυπτον τοὺς υἱοὺς Ἀμμὼν ἕως διεθερμάνθη ἡ ἡμέρα, καὶ ἐγενήθη καὶ ὑπολελειμμένοι διεσπάρησαν, καὶ οὐχ ὑπελείφθησαν ἐν αὐτοῖς δύο κατὰ τὸ αὐτό.
12Nu vroeg het volk aan Samuël: Wie durfde zeggen: Zou Saul onze koning zijn? Lever die mannen uit; we willen ze doden!
12καὶ εἶπεν ὁ λαὸς πρὸς Σαμουήλ· τίς ὁ εἴπας ὅτι Σαοὺλ οὐ βασιλεύσει ἡμῶν; παράδος τοὺς ἄνδρας, καὶ θανατώσομεν αὐτούς.
13Maar Saul antwoordde: Vandaag zal niemand sterven; want heden heeft Jahweh in Israël verlossing bewerkt.
13καὶ εἶπε Σαούλ· οὐκ ἀποθανεῖται οὐδεὶς ἐν τῇ ἡμέρᾳ ταύτῃ, ὅτι σήμερον ἐποίησε Κύριος σωτηρίαν ἐν Ἰσραήλ.
14En Samuël sprak tot het volk: Komt, laat ons naar Gilgal gaan en daar het koningschap inwijden.
14καὶ εἶπε Σαμουὴλ πρὸς τὸν λαὸν λέγων· πορευθῶμεν εἰς Γάλγαλα, καὶ ἐγκαινίσωμεν ἐκεῖ τὴν βασιλείαν.
15Zo ging heel het volk naar Gilgal, en stelden daar in Gilgal voor het aanschijn van Jahweh Saul tot koning aan. Men bracht daar dankoffers aan Jahweh, en Saul en alle Israëlieten waren er zeer vrolijk.
15καὶ ἐπορεύθη πᾶς ὁ λαὸς εἰς Γάλγαλα, καὶ ἔχρισε Σαμουὴλ ἐκεῖ τὸν Σαοὺλ εἰς βασιλέα ἐνώπιον Κυρίου ἐν Γαλγάλοις καὶ ἔθυσεν ἐκεῖ θυσίας καὶ εἰρηνικὰς ἐνώπιον Κυρίου· καὶ εὐφράνθη Σαμουὴλ καὶ πᾶς Ἰσραὴλ ὥστε λίαν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.