1 Samuel
Chapter 30
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen David met zijn mannen de derde dag in Sikelag aankwam, hadden de Amalekieten een overval gedaan op de Négeb en op Sikelag. Ze hadden Sikelag ingenomen en in brand gestoken,
1ΚΑΙ ἐγενήθη εἰσελθόντος Δαυὶδ καὶ τῶν ἄνδρῶν αὐτοῦ τὴν Σεκελὰκ τῇ ἡμέρᾳ τῇ τρίτῃ, καὶ Ἀμαλὴκ ἐπέθετο ἐπὶ τὸν νότον καὶ ἐπὶ τὴν Σεκελὰκ καὶ ἐπάταξε τὴν Σεκελὰκ καὶ ἐνεπύρισαν αὐτὴν ἐν πυρί·
2de vrouwen en alle inwoners, groot en klein, gevankelijk weggevoerd, en zonder iemand te doden hun tocht voortgezet.
2καὶ τὰς γυναῖκας καὶ πάντα τὰ ἐν αὐτῇ ἀπὸ μικροῦ ἕως μεγάλου οὐκ ἐθανάτωσαν ἄνδρα καὶ γυναῖκα, ἀλλ᾿ ᾐχμαλώτευσαν καὶ ἀπῆλθον εἰς τὴν ὁδὸν αὐτῶν.
3Toen dus David en zijn manschappen de stad bereikten, en zagen, dat ze in brand was gestoken en dat hun vrouwen met hun zonen en dochters gevangen waren,
3καὶ ἦλθε Δαυὶδ καὶ οἱ ἄνδρες αὐτοῦ εἰς τὴν πόλιν, καὶ ἰδοὺ ἐμπεπύρισται ἐν πυρί, αἱ δὲ γυναῖκες αὐτῶν καὶ οἱ υἱοὶ αὐτῶν καὶ αἱ θυγατέρες αὐτῶν ᾐχμαλωτευμένοι.
4begonnen David en het volk, dat bij hem was, luidkeels te wenen, totdat ze er geen kracht meer toe hadden.
4καὶ ᾖρε Δαυὶδ καὶ οἱ ἄνδρες αὐτοῦ τὴν φωνὴν αὐτῶν καί ἔκλαυσαν, ἕως ὅτου οὐκ ἦν ἐν αὐτοῖς ἰσχὺς ἔτι τοῦ κλαίειν.
5Ook de beide vrouwen van David, Achinóam uit Jizreël, en Abigáil, de vrouw van Nabal uit Karmel, waren gevangen genomen.
5καὶ ἀμφότεραι αἱ γυναῖκες Δαυὶδ ᾐχμαλωτεύθησαν, Ἀχινόομ ἡ Ἰεζραηλῖτις καὶ Ἀβιγαία ἡ γυνὴ Νάβαλ τοῦ Καρμηλίου.
6David was ten einde raad; want het volk wilde hem stenigen, zo bitter was de stemming onder heel het volk over het verlies van hun zonen en dochters. Maar David hervond zijn kracht in Jahweh, zijn God.
6καὶ ἐθλίβη Δαυὶδ σφόδρα, ὅτι εἶπεν ὁ λαὸς λιθοβολῆσαι αὐτόν, ὅτι κατώδυνος ψυχὴ παντὸς τοῦ λαοῦ, ἑκάστου ἐπὶ τοὺς υἱοὺς αὐτοῦ καὶ ἐπὶ τὰς θυγατέρας αὐτοῦ· καὶ ἐκραταιώθη Δαυὶδ ἐν Κυρίῳ Θεῷ αὐτοῦ.
7Hij sprak tot den priester Ebjatar, den zoon van Achimélek: Breng mij de efod! En Ebjatar bracht de efod bij David.
7καὶ εἶπε Δαυὶδ πρὸς Ἀβιάθαρ τὸν ἱερέα υἱὸν Ἀβιμέλεχ· προσάγαγε τὸ ἐφούδ.
8Toen vroeg David aan Jahweh: Zal ik die bende achterna zetten, en ze inhalen? Hij antwoordde hem: Ja, zet ze na; want ge zult ze inhalen en buit bemachtigen!
8καὶ ἐπηρώτησε Δαυὶδ διά τοῦ Κυρίου λέγων· εἰ καταδιώξω ὀπίσω τοῦ γεδδοὺρ τούτου, εἰ καταλήψομαι αὐτούς; καὶ εἶπεν αὐτῷ· καταδίωκε, ὅτι καταλαμβάνων καταλήψῃ αὐτοὺς καὶ ἐξαιρούμενος ἐξελῇ.
9David ging dus met de zeshonderd man, die hem volgden, op weg. Bij de beek Besor aangekomen,
9καὶ ἐπορεύθη Δαυίδ, αὐτὸς καὶ οἱ ἑξακόσιοι ἄνδρες μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ ἔρχονται ἕως τοῦ χειμάρρου Βοσόρ, καὶ οἱ περισσοὶ ἔστησαν.
10zette David met vierhonderd man de achtervolging voort, terwijl de overige tweehonderd man, die te vermoeid waren, om de beek Besor over te trekken, achterbleven.
10καὶ κατεδίωξεν ἐν τετρακοσίοις ἀνδράσιν, ὑπέστησαν δὲ διακόσιοι ἄνδρες, οἵτινες ἐκάθισαν πέραν τοῦ χειμάρρου τοῦ Βοσόρ.
11Op de vlakte troffen ze een Egyptenaar aan, dien ze bij David brachten. Ze gaven hem brood, waarvan hij at, en lieten hem water drinken;
11καὶ εὑρίσκουσιν ἄνδρα Αἰγύπτιον ἐν ἀγρῷ καὶ λαμβάνουσιν αὐτὸν καὶ ἄγουσιν αὐτὸν πρὸς Δαυίδ·
12ook gaven ze hem vijgen-en twee druivenkoeken. Toen hij gegeten had, kwam hij weer bij; hij had namelijk in drie dagen en drie nachten geen voedsel gebruikt en geen water gedronken!
12καὶ διδόασιν αὐτῷ ἄρτον, καὶ ἔφαγε, καὶ ἐπότισαν αὐτὸν ὕδωρ· καὶ διδόασιν αὐτῷ κλάσμα παλάθης, καὶ ἔφαγε, καὶ κατέστη τὸ πνεῦμα αὐτοῦ ἐν αὐτῷ, ὅτι οὐ βεβρώκει ἄρτον καὶ οὐ πεπώκει ὕδωρ τρεῖς ἡμέρας καὶ τρεῖς νύκτας.
13David vroeg hem: Wien behoort ge toe, en waar komt ge vandaan? Hij antwoordde: Ik ben een Egyptische jongen, de slaaf van een Amalekiet; mijn heer heeft me, omdat ik ziek werd, eergisteren aan mijn lot overgelaten.
13καὶ εἶπεν αὐτῷ Δαυίδ· τίνος σὺ εἶ καὶ πόθεν εἶ; καὶ εἶπε τὸ παιδάριον τὸ Αἰγύπτιον· ἐγώ εἰμι δοῦλος ἀνδρὸς Ἀμαληκίτου, καὶ κατέλιπέ με ὁ Κύριός μου, ὅτι ἠνωχλήθην ἐγὼ σήμερον τριταῖος.
14We hebben een overval gedaan op de Négeb van de Keretieten, op het grondgebied van Juda en de Négeb van Kaleb, en Sikelag hebben we in brand gestoken.
14καὶ ἡμεῖς ἐπεθέμεθα ἐπὶ τὸν νότον τοῦ Χολθὶ καὶ ἐπὶ τὰ τῆς Ἰουδαίας μέρη καὶ ἐπὶ νότον Χελοὺβ καὶ τὴν Σεκελὰκ ἐνεπυρίσαμεν ἐν πυρί.
15David vroeg hem: Wilt ge ons de weg wijzen naar die bende? Hij antwoordde: Zweer mij bij God, dat gij me niet zult doden of aan mijn meester zult uitleveren, en ik zal u de weg wijzen naar die bende.
15καὶ εἶπεν αὐτῷ Δαυίδ· εἰ κατάξεις με ἐπὶ τὸ γεδδοὺρ τοῦτο; καὶ εἶπεν· ὄμοσον δή μοι κατὰ τοῦ Θεοῦ μὴ θανατώσειν με καὶ μὴ παραδοῦναί με εἰς χεῖρας τοῦ κυρίου μου, καὶ κατάξω σε ἐπὶ τὸ γεδδοὺρ τοῦτο.
16En hij wees hun de weg. En zie, daar lagen ze over de gehele streek verspreid, etend en drinkend en fuivend van heel die grote buit, die ze uit het Filistijnenland en het judese land hadden opgedaan.
16καὶ κατήγαγεν αὐτὸν ἐκεῖ, καὶ ἰδοὺ οὗτοι διακεχυμένοι ἐπὶ πρόσωπον πάσης τῆς γῆς ἐσθίοντες καὶ πίνοντες καὶ ἑορτάζοντες ἐν πᾶσι τοῖς σκύλοις τοῖς μεγάλοις, οἷς ἔλαβον ἐκ γῆς ἀλλοφύλων καὶ ἐκ γῆς Ἰούδα.
17En David sloeg op hen in van de dageraad af tot de avond van de volgende dag; niet één ontkwam, behalve vierhonderd jongemannen, die de kamelen bestegen en de vlucht namen.
17καὶ ἦλθεν ἐπ᾿ αὐτοὺς Δαυὶδ καὶ ἐπάταξεν αὐτοὺς ἀπὸ ἑωσφόρου ἕως δείλης καὶ τῇ ἐπαύριον, καὶ οὐκ ἐσώθη ἐξ αὐτῶν ἀνὴρ ὅτι ἀλλ᾿ ἢ τετρακόσια παιδάρια, ἃ ἦν ἐπιβεβηκότα ἐπὶ τὰς καμήλους καὶ ἔφυγον.
18Alles wat de Amalekieten hem ontnomen hadden, kreeg David terug. Ook zijn beide vrouwen kreeg David terug.
18καὶ ἀφείλατο Δαυὶδ πάντα, ἃ ἔλαβον οἱ Ἀμαληκῖται, καὶ ἀμφοτέρας τὰς γυναῖκας αὐτοῦ ἐξείλατο.
19Niets werd hun in handen gelaten: klein en groot, zonen en dochters, de buit, en alles wat ze hadden geroofd; dat alles bracht David terug.
19καὶ οὐ διεφώνησεν αὐτοῖς ἀπὸ μικροῦ ἕως μεγάλου καὶ ἀπὸ τῶν σκύλων καὶ ἕως υἱῶν καὶ θυγατέρων καὶ ἕως πάντων, ὧν ἔλαβον αὐτῶν· τὰ πάντα ἐπέστρεψε Δαυίδ.
20Bovendien nam David al hun schapen en rundvee. Men stelde die aan de spits van wat men veroverd had, en zeide: Dit is Davids aandeel.
20καὶ ἔλαβε πάντα τὰ ποίμνια καὶ τὰ βουκόλια καὶ ἀπήγαγεν ἔμπροσθεν τῶν σκύλων, καὶ τοῖς σκύλοις ἐκείνοις ἐλέγετο· ταῦτα τὰ σκῦλα Δαυίδ.
21Toen David terugkwam bij de tweehonderd man, die te vermoeid waren geweest, om David te volgen, en die hij aan de beek Besor had achtergelaten, gingen dezen David en het volk, dat bij hem was, tegemoet. David trad op het volk toe, en groette het vriendelijk;
21καὶ παραγίνεται Δαυὶδ πρὸς τοὺς διακοσίους ἄνδρας τοὺς ὑπολειφθέντας τοῦ πορεύεσθαι ὀπίσω Δαυὶδ καί ἐκάθισεν αὐτοὺς ἐν τῷ χειμάρρῳ τοῦ Βοσόρ, καὶ ἐξῆλθον εἰς ἀπάντησιν Δαυὶδ καὶ εἰς ἀπάντησιν τοῦ λαοῦ τοῦ μετ᾿ αὐτοῦ, καὶ προσήγαγε Δαυὶδ ἕως τοῦ λαοῦ, καὶ ἠρώτησαν αὐτὸν τὰ εἰς εἰρήνην.
22maar alle kwade en ongure elementen uit het gevolg van David beweerden: Omdat ze niet met ons zijn meegegaan, mag hun niets gegeven worden van de buit, die wij veroverd hebben. Laat ieder zijn vrouw en kinderen terug nemen, en maken dat hij weg komt.
22καὶ ἀπεκρίθη πᾶς ἀνὴρ λοιμὸς καὶ πονηρὸς τῶν ἀνδρῶν τῶν πολεμιστῶν τῶν πορευθέντων μετὰ Δαυὶδ καὶ εἶπον, ὅτι οὐ κατεδίωξαν μεθ᾿ ἡμῶν, οὐ δώσομεν αὐτοῖς ἐκ τῶν σκύλων, ὧν ἐξειλόμεθα, ὅτι ἀλλ᾿ ἢ ἕκαστος τὴν γυναῖκα αὐτοῦ καὶ τὰ τέκνα αὐτοῦ ἀπαγέσθωσαν καὶ ἀποστρεφέτωσαν.
23Maar David sprak: Zo moet gij niet doen, nadat Jahweh aan ons dit alles gegeven heeft, ons heeft beschermd, en de bende, die ons overvallen had, aan ons heeft overgeleverd!
23καὶ εἶπε Δαυίδ· οὐ ποιήσετε οὕτως μετὰ τὸ παραδοῦναι τὸν Κύριον ἡμῖν καὶ φυλάξαι ἡμᾶς καὶ παρέδωκε Κύριος τὸν γεδδοὺρ τὸν ἐπερχόμενον ἐφ᾿ ἡμᾶς εἰς χεῖρας ἡμῶν.
24Wie zou ook maar naar uw voorstel willen luisteren? Neen, die ten strijde trekt, krijgt niet meer dan die bij de legertros blijft; ze moeten gelijk opdelen.
24καὶ τίς ἐπακούσεται ὑμῶν τῶν λόγων τούτων; ὅτι οὐχ ἧττον ἡμῶν εἰσι· διότι κατὰ τὴν μερίδα τοῦ καταβαίνοντος εἰς τὸν πόλεμον, οὕτως ἔσται ἡ μερὶς τοῦ καθημένου ἐπὶ τὰ σκεύη· κατὰ τὸ αὐτὸ μεριοῦνται.
25Zo is het sedert dien gebleven; hij stelde het vast als wet en recht in Israël, tot op de dag van heden.
25καὶ ἐγενήθη ἀπὸ τῆς ἡμέρας ἐκείνης καὶ ἐπάνω, καὶ ἐγένετο εἰς πρόσταγμα καὶ εἰς δικαίωμα τῷ Ἰσραὴλ ἕως τῆς σήμερον.
26In Sikelag teruggekomen, zond David aan de oudsten van het naburige Juda een gedeelte van de buit met de boodschap: Hier is voor u een geschenk uit de buit, op Jahweh’s vijanden behaald.
26Καὶ ἦλθε Δαυὶδ εἰς Σεκελὰκ καὶ ἀπέστειλε τοῖς πρεσβυτέροις τῶν σκύλων Ἰούδα καὶ τοῖς πλησίον αὐτοῦ λέγων· ἰδοὺ ἀπὸ τῶν σκύλων τῶν ἐχθρῶν Κυρίου·
27Het waren de oudsten van Betoeël, van Rama uit de Négeb, van Jattir,
27τοῖς ἐν Βαιθσοὺρ καὶ τοῖς ἐν Ραμὰ νότου καὶ τοῖς ἐν Ἰεθθὸρ
28van Aroër, van Sifmot, van Esjtemóa,
28καὶ τοῖς ἐν Ἀροὴρ καὶ τοῖς ἐν Ἀμμαδὶ καὶ τοῖς ἐν Σαφὶ καὶ τοῖς ἐν Ἐσθιὲ
29van Karmel, van de steden der Jerachmeëlieten, van de steden der Kenieten,
29καὶ τοῖς ἐν Γὲθ καὶ τοῖς ἐν Κινὰν καὶ τοῖς ἐν Σαφὲκ καὶ τοῖς ἐν Θιμὰθ καὶ τοῖς ἐν Καρμήλῳ καὶ τοῖς ἐν ταῖς πόλεσι τοῦ Ἱεραμηλὶ καὶ τοῖς ἐν ταῖς πόλεσι τοῦ Κενεζὶ
30van Chorma, van Bor-Asjan, van Atak,
30καὶ τοῖς ἐν Ἱεριμοὺθ καὶ τοῖς ἐν Βηρσαβεὲ καὶ τοῖς ἐν Νομβὲ
31van Hebron en van alle plaatsen, waar David met zijn mannen had rondgezworven.
31καὶ τοῖς ἐν Χεβρὼν καὶ εἰς πάντας τοὺς τόπους, οὓς διῆλθε Δαυὶδ ἐκεῖ, αὐτὸς καὶ οἱ ἄνδρες αὐτοῦ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.