Romanos
Chapter 10
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Romanos 10

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Fratres, voluntas quidem cordis mei, et obsecratio ad Deum, fit pro illis in salutem.
1Broeders, de wens van mijn hart en mijn bede tot God zijn op hun redding gericht!
2Testimonium enim perhibeo illis quod æmulationem Dei habent, sed non secundum scientiam.
2En ik moet van hen getuigen, dat ze ijver hebben voor God, maar niet aan het juiste inzicht gepaard.
3Ignorantes enim justitiam Dei, et suam quærentes statuere, justitiæ Dei non sunt subjecti.
3Want daar ze de gerechtigheid Gods niet hebben begrepen, en een eigen gerechtigheid tot stand wilden brengen, hebben ze zich niet onderworpen aan de gerechtigheid Gods.
4Finis enim legis, Christus, ad justitiam omni credenti.
4Immers Christus is het eind van de Wet, om te rechtvaardigen al wie gelooft.
5Moyses enim scripsit, quoniam justitiam, quæ ex lege est, qui fecerit homo, vivet in ea.
5Zeker, Moses schrijft, dat de mens, die de gerechtigheid der Wet onderhoudt, daarin zal leven.
6Quæ autem ex fide est justitia, sic dicit: Ne dixeris in corde tuo: Quis ascendet in cælum? id est, Christum deducere:
6Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: “Zeg niet in uw hart: wie zal opstijgen ten hemel, om Christus namelijk af te doen komen;
7aut, Quis descendet in abyssum? hoc est, Christum a mortuis revocare.
7of wie zal naar de afgrond dalen, om Christus te doen opstijgen uit de doden.”
8Sed quid dicit Scriptura? Prope est verbum in ore tuo, et in corde tuo: hoc est verbum fidei, quod prædicamus.
8Neen, wat zegt ze? “Dicht bij u is het woord, in uw mond en in uw hart;” en dit is het woord des geloofs, dat wij preken.
9Quia si confitearis in ore tuo Dominum Jesum, et in corde tuo credideris quod Deus illum suscitavit a mortuis, salvus eris.
9Welnu, wanneer ge belijdt met uw mond, dat Jesus de Heer is, en gelooft met uw hart, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, dan zult ge worden gered;
10Corde enim creditur ad justitiam: ore autem confessio fit ad salutem.
10want men gelooft met het hart ter rechtvaardiging, en men belijdt met de mond ter redding.
11Dicit enim Scriptura: Omnis qui credit in illum, non confundetur.
11De Schrift immers zegt: “Al wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd komen te staan.”
12Non enim est distinctio Judæi et Græci: nam idem Dominus omnium, dives in omnes qui invocant illum.
12Neen, er bestaat geen onderscheid tussen Jood en Griek; Hij toch is dezelfde Heer voor allen; rijk voor allen, die Hem aanroepen;
13Omnis enim quicumque invocaverit nomen Domini, salvus erit.
13“Al wie immers de naam des Heren zal aanroepen, zal worden gered.”
14Quomodo ergo invocabunt, in quem non crediderunt? aut quomodo credent ei, quem non audierunt? quomodo autem audient sine prædicante?
14Hoe zullen ze Hem dan aanroepen, in wien ze niet hebben geloofd? En hoe zullen ze in Hem geloven, van wien ze niet hebben gehoord?
15quomodo vero prædicabunt nisi mittantur? sicut scriptum est: Quam speciosi pedes evangelizantium pacem, evangelizantium bona !
15En hoe zal men preken, als men niet gezonden is? Zoals er geschreven staat: “Hoe lieflijk zijn de voeten van hen, die de blijde boodschap brengen!”
16Sed non omnes obediunt Evangelio. Isaias enim dicit: Domine, quis credidit auditui nostro?
16Maar niet allen hebben gehoor gegeven aan de Blijde Boodschap. Want Isaias zegt: “Heer, wie heeft onze prediking geloofd?”
17Ergo fides ex auditu, auditus autem per verbum Christi.
17Het geloof ontstaat dus door de prediking; de prediking geschiedt krachtens opdracht van Christus.
18Sed dico: Numquid non audierunt? Et quidem in omnem terram exivit sonus eorum, et in fines orbis terræ verba eorum.
18Maar dan vraag ik: Hebben ze haar misschien niet gehoord? Toch wel! “Hun stem heeft zich over heel de aarde verbreid, En hun woorden tot aan de uiteinden der wereld.”
19Sed dico: Numquid Israël non cognovit? Primus Moyses dicit: Ego ad æmulationem vos adducam in non gentem: in gentem insipientem, in iram vos mittam.
19Maar dan vraag ik: Heeft Israël het misschien niet begrepen? Maar vooreerst zegt reeds Moses: “Ik zal u afgunstig maken op een volk, dat geen volk is, En toornig op een volk zonder begrip.”
20Isaias autem audet, et dicit: Inventus sum a non quærentibus me: palam apparui iis qui me non interrogabant.
20En Isaias durft zeggen: “Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Heb Mij geopenbaard aan wie Mij niet ondervroegen.”
21Ad Israël autem dicit: Tota die expandi manus meas ad populum non credentem, et contradicentem.
21Maar tot Israël zegt hij: “De ganse dag stak Ik mijn handen uit Naar een ongelovig en weerbarstig volk.” De verwerping van Israël is niet volkomen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.