Nehemiæ 11
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Habitaverunt autem principes populi in Jerusalem: reliqua vero plebs misit sortem, ut tollerent unam partem de decem qui habitaturi essent in Jerusalem civitate sancta, novem vero partes in civitatibus.
1De leiders van het volk vestigden zich te Jerusalem. De rest van het volk wierp het lot, om een tiende deel aan te wijzen, dat zich in Jerusalem, de heilige stad, moest vestigen, terwijl de negen andere tienden in de overige steden konden wonen.
2Benedixit autem populus omnibus viris qui se sponte obtulerant ut habitarent in Jerusalem.
2Het volk zegende echter allen, die zich vrijwillig aanboden, om zich in Jerusalem te vestigen.
3Hi sunt itaque principes provinciæ qui habitaverunt in Jerusalem, et in civitatibus Juda. Habitavit autem unusquisque in possessione sua, in urbibus suis, Israël, sacerdotes, Levitæ, Nathinæi, et filii servorum Salomonis.
3Dit zijn de hoofden van de provincie, die zich in Jerusalem vestigden. De hoofden van Israël, van de priesters, levieten, tempelknechten en zonen van Salomons slaven gingen ook in de steden van Juda wonen, iedereen op zijn eigen erfdeel in die steden,
4Et in Jerusalem habitaverunt de filiis Juda, et de filiis Benjamin: de filiis Juda, Athaias filius Aziam, filii Zachariæ, filii Amariæ, filii Saphatiæ, filii Melaleel: de filiis Phares,
4terwijl die van de Judeërs en Benjamieten zich in Jerusalem vestigden. Van de Judeërs: Ataja, de zoon van Oezzi-ja, zoon van Zekarja, zoon van Amarja, zoon van Sjefatja, zoon van Mahalalel, uit de zonen van Fáres.
5Maasia filius Baruch, filius Cholhoza, filius Hazia, filius Adaia, filius Jojarib, filius Zachariæ, filius Silonitis:
5Vervolgens Maäseja, de zoon van Baroek, zoon van Kol-Choze, zoon van Chazaja, zoon van Adaja, zoon van Jojarib, zoon van Zekarja, zoon van den Sjeloniet.
6omnes hi filii Phares, qui habitaverunt in Jerusalem, quadringenti sexaginta octo viri fortes.
6De zonen van Fáres, die in Jerusalem woonden, telden tezamen vierhonderd acht en zestig weerbare mannen.
7Hi sunt autem filii Benjamin: Sellum filius Mosollam, filius Joëd, filius Phadaia, filius Colaia, filius Masia, filius Etheel, filius Isaia,
7Dit zijn de Benjamieten: Salloe, de zoon van Mesjoellam, zoon van Joëd, zoon van Pedaja, zoon van Kolaja, zoon van Maäseja. zoon van Itiël, zoon van Jesjaja,
8et post eum Gebbai, Sellai, nongenti viginti octo,
8en zijn broeders, negenhonderd acht en twintig weerbare mannen.
9et Joël filius Zechri præpositus eorum, et Judas filius Senua super civitatem secundus.
9Joël, de zoon van Zikri, stond aan hun hoofd, en Jehoeda, de zoon van Hassenoea was het tweede hoofd van de stad.
10Et de sacerdotibus, Idaia filius Joarib, Jachin,
10Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, zoon van Jakin,
11Saraia filius Helciæ, filius Mosollam, filius Sadoc, filius Meraioth, filius Achitob princeps domus Dei,
11en Seraja, de zoon van Chilki-ja, zoon van Mesjoellam, zoon van Sadok, zoon van Merajot, zoon van Achitoeb stonden aan het hoofd van de tempel;
12et fratres eorum facientes opera templi: octingenti viginti duo. Et Adaia filius Jeroham, filius Phelelia, filius Amsi, filius Zachariæ, filius Pheshur, filius Melchiæ,
12met hun broeders, die dienst in de tempel verrichtten, telden zij achthonderd twee en twintig man. Vervolgens Adaja, de zoon van Jerocham, zoon van Pelalja, zoon van Amsi, zoon van Zekarja, zoon van Pasjchoer, zoon van Malki-ja,
13et fratres ejus principes patrum: ducenti quadraginta duo. Et Amassai filius Azreel, filius Ahazi, filius Mosollamoth, filius Emmer,
13en zijn broeders, die familiehoofden waren, telden tweehonderd twee en veertig man, Amasai, de zoon van Azarel, zoon van Achzai, zoon van Mesjillemot, zoon van Immer,
14et fratres eorum potentes nimis: centum viginti octo, et præpositus eorum Zabdiel filius potentium.
14en zijn broeders telden honderd acht en twintig weerbare mannen; hun hoofd was Zabdiël, de zoon van Haggedolim.
15Et de Levitis, Semeia filius Hasub, filius Azaricam, filius Hasabia, filius Boni,
15Van de levieten: Sjemaja, de zoon van Chassjoeb, zoon van Azrikam, zoon van Chasjabja, zoon van Boenni.
16et Sabathai et Jozabed, super omnia opera quæ erant forinsecus in domo Dei, a principibus Levitarum.
16Sjabbetai en Jozabad behoorden tot de hoofden der levieten, en waren belast met het toezicht op de uitwendige aangelegenheden van de tempel.
17Et Mathania filius Micha, filius Zebedei, filius Asaph, princeps ad laudandum et ad confitendum in oratione, et Becbecia secundus de fratribus ejus, et Abda filius Samua, filius Galal, filius Idithun:
17Mattanja, de zoon van Mika, zoon van Zabdi, zoon van Asaf, was de leider van het lofgezang bij het gebed, en Bakboekja was de tweede onder zijn broeders. Verder Abda, de zoon van Sjamóea, zoon van Galal, zoon van Jedoetoen.
18omnes Levitæ in civitate sancta ducenti octoginta quatuor.
18In het geheel telden de levieten in de heilige stad tweehonderd vier en tachtig man.
19Et janitores, Accub, Telmon, et fratres eorum, qui custodiebant ostia: centum septuaginta duo.
19De poortwachters waren: Akkoeb, Talmon en hun broeders, die de wacht hielden in de poorten; ze telden honderd twee en zeventig man.
20Et reliqui ex Israël sacerdotes et Levitæ in universis civitatibus Juda, unusquisque in possessione sua.
20De overige Israëlieten, priesters en levieten woonden in de verschillende steden van Juda, iedereen op zijn erfdeel.
21Et Nathinæi, qui habitabant in Ophel, et Siaha, et Gaspha de Nathinæis.
21De tempelknechten woonden op de Ofel; Sicha en Gisjpa stonden aan het hoofd der tempelknechten.
22Et episcopus Levitarum in Jerusalem, Azzi filius Bani, filius Hasabiæ, filius Mathaniæ, filius Michæ. De filiis Asaph, cantores in ministerio domus Dei.
22Het hoofd der levieten te Jerusalem was Oezzi, de zoon van Bani, de zoon van Chasjabja, zoon van Mattanja, zoon van Mika; hij behoorde tot de zonen van Asaf, de zangers bij de dienst in de tempel.
23Præceptum quippe regis super eos erat, et ordo in cantoribus per dies singulos,
23Want er bestond aangaande hen een koninklijk besluit, dat aan de zangers een dagelijkse toelage verzekerde.
24et Phathahia filius Mesezebel, de filiis Zara filii Juda in manu regis, juxta omne verbum populi,
24Petachja, de zoon van Misjezabel, uit de zonen van Zara, den zoon van Juda, was gevolmachtigde van den koning3 in alle aangelegenheden van het volk.
25et in domibus per omnes regiones eorum. De filiis Juda habitaverunt in Cariatharbe et in filiabus ejus: et in Dibon, et in filiabus ejus: et in Cabseel, et in viculis ejus:
25Wat hun dorpen buiten betreft: Judeërs woonden in Kirjat-Arba en onderhorige plaatsen; in Dibon en onderhorige plaatsen; in Jekabseël en zijn dorpen;
26et in Jesue, et in Molada, et in Bethphaleth,
26in Jesjóea, Molada, Bet-Pélet,
27et in Hasersual, et in Bersabee, et in filiabus ejus,
27Chasar-Sjoeal en Beër-Sjéba met onderhorige plaatsen;
28et in Siceleg, et in Mochona, et in filiabus ejus,
28in Sikelag en Mekona met onderhorige plaatsen;
29et in Remmon, et in Saraa, et in Jerimuth,
29in En-Rimmon, Sora, Jarmoet,
30Zanoa, Odollam, et in villis earum, Lachis et regionibus ejus, et Azeca, et filiabus ejus. Et manserunt in Bersabee usque ad vallem Ennom.
30Zanóach, Adoellam en hun dorpen; in Lakisj met zijn velden; in Azeka met onderhorige plaatsen. Ze woonden dus van Beër-Sjéba tot het Hinnom-dal.
31Filii autem Benjamin, a Geba, Mechmas, et Hai, et Bethel, et filiabus ejus
31De Benjamieten waren in Géba, Mikmas, Ajja, Betel met onderhorige plaatsen;
32Anathoth, Nob, Anania,
32in Anatot, Nob, Ananja,
33Asor, Rama, Gethaim,
33Chasor, Rama, Gittáim,
34Hadid, Seboim, et Neballat, Lod,
34Chadid, Seboïm, Neballat,
35et Ono valle artificum.
35Lod, Ono en het Handwerkersdal.
36Et de Levitis portiones Judæ et Benjamin.
36Van de levieten woonden afdelingen zowel in Juda als in Benjamin.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.