I Regum
Chapter 4
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

I Regum 4

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Erat autem rex Salomon regnans super omnem Israël:
1Koning Salomon heerste over heel Israël.
2et hi principes quos habebat: Azarias filius Sadoc sacerdotis:
2Dit waren zijn rijksgroten: Azarjáhoe, de zoon van Sadok, was priester;
3Elihoreph et Ahia filii Sisa scribæ: Josaphat filius Ahilud a commentariis:
3Elichóref en Achi-ja, de zonen van Sjisja, waren geheimschrijvers; Jehosjafat, de zoon van Achiloed, was kanselier;
4Banaias filius Jojadæ super exercitum: Sadoc autem et Abiathar sacerdotes:
4Benajáhoe, de zoon van Jehojada, was legeroverste;
5Azarias filius Nathan super eos qui assistebant regi: Zabud filius Nathan sacerdos, amicus regis:
5Azarjáhoe, de zoon van Natan, was opperlandvoogd; Zaboed, de zoon van Natan, was koninklijk raadsman;
6et Ahisar præpositus domus: et Adoniram filius Abda super tributa.
6Achisjar was hofmeester, en Adoniram, de zoon van Abda, was leider van de herendiensten.
7Habebat autem Salomon duodecim præfectos super omnem Israël, qui præbebant annonam regi et domui ejus: per singulos enim menses in anno, singuli necessaria ministrabant.
7Bovendien had Salomon twaalf landvoogden over geheel Israël, die den koning en zijn hof van alles moesten voorzien; één maand in het jaar moest ieder van hen daarvoor zorgen.
8Et hæc nomina eorum: Benhur in monte Ephraim.
8Hun namen waren: De zoon van Choer in het gebergte van Efraïm.
9Bendecar in Macces, et in Salebim, et in Bethsames, et in Elon, et in Bethanan.
9De zoon van Déker te Makas, Sjaälbim, Bet-Sjémesj, Elon en Bet-Chanan.
10Benhesed in Aruboth: ipsius erat Socho, et omnis terra Epher.
10De zoon van Chésed te Aroebbot; tot zijn gebied behoorde Soko en het hele land van Chéfer.
11Benabinadab, cujus omnis Nephath Dor: Tapheth filiam Salomonis habebat uxorem.
11De zoon van Abinadab over het hele heuvelland van Dor; hij had Tafat, een dochter van Salomon, tot vrouw.
12Bana filius Ahilud regebat Thanac et Mageddo, et universam Bethsan, quæ est juxta Sarthana subter Jezrahel, a Bethsan usque Abelmehula e regione Jecmaan.
12Baäna, de zoon van Achiloed, over Taänak, Megiddo en geheel Bet-Sjean, dat bij Sartana ligt; dus het gebied beneden Jizreël van Bet-Sjean af tot Abel-Mechola, tot nog voorbij Jokmeam.
13Bengaber in Ramoth Galaad: habebat Avothjair filii Manasse in Galaad: ipse præerat in omni regione Argob, quæ est in Basan, sexaginta civitatibus magnis atque muratis quæ habebant seras æreas.
13De zoon van Géber over Ramot in Gilad; tot zijn gebied behoorde de kampementen van Jaïr. De zoon van Manasse over Gilad en de landstreek Argob in Basjan; over zestig grote steden met muren en koperen sluitbomen.
14Ahinadab filius Addo præerat in Manaim.
14Achinadab, de zoon van Iddo, over Machanáim.
15Achimaas in Nephthali: sed et ipse habebat Basemath filiam Salomonis in conjugio.
15Achimáas in Neftali; ook hij had een dochter van Salomon, Basemat, tot vrouw genomen.
16Baana filius Husi in Aser, et in Baloth.
16Baäna, de zoon van Choesjai, over Aser en Bealot.
17Josaphat filius Pharue in Issachar.
17Jehosjafat, de zoon van Paróeach, over Issakar.
18Semei filius Ela in Benjamin.
18Sjimi de zoon van Ela, over Benjamin.
19Gaber filius Uri in terra Galaad, in terra Sehon regis Amorrhæi et Og regis Basan, super omnia quæ erant in illa terra.
19Géber, de zoon van Oeri, over het land van Gilad, het land van Sichon, den koning der Amorieten, en dat van Og, den koning van Basjan. En er was één landvoogd in het land van Juda.
20Juda et Israël innumerabiles, sicut arena maris in multitudine: comedentes, et bibentes, atque lætantes.
20Juda en Israël waren talrijk als het zand aan de zee; zij aten en dronken en waren vrolijk.
21Salomon autem erat in ditione sua, habens omnia regna a flumine terræ Philisthiim usque ad terminum Ægypti: offerentium sibi munera, et servientium ei cunctis diebus vitæ ejus.
21Want Salomon heerste over al de koninkrijken van de Rivier af tot aan het land der Filistijnen en tot aan de grens van Egypte; zij brachten Salomon schatting en waren hem onderdanig, zolang hij leefde.
22Erat autem cibus Salomonis per dies singulos triginta cori similæ, et sexaginta cori farinæ,
22De mondbehoefte van Salomon, voor één dag, bedroeg dertig kor bloem en zestig kor meel,
23decem boves pingues, et viginti boves pascuales, et centum arietes, excepta venatione cervorum, caprearum, atque bubalorum, et avium altilium.
23tien vetgemeste en twintig gewone runderen en honderd schapen, behalve de reeën, gazellen, herten en het gemeste pluimvee.
24Ipse enim obtinebat omnem regionem quæ erat trans flumen, a Thaphsa usque ad Gazan, et cunctos reges illarum regionum: et habebat pacem ex omni parte in circuitu.
24En daar hij het hele gebied aan deze zijde van de Rivier, van Tifsach tot Gaza toe, met al de koningen van dat gebied in bedwang hield, had hij vrede aan alle kanten,
25Habitabatque Juda et Israël absque timore ullo, unusquisque sub vite sua et sub ficu sua, a Dan usque Bersabee, cunctis diebus Salomonis.
25en zaten zowel de Judeërs als de Israëlieten, van Dan tot Beër-Sjéba, onbezorgd onder hun wijnstok en hun vijgeboom, zolang Salomon leefde.
26Et habebat Salomon quadraginta millia præsepia equorum currilium, et duodecim millia equestrium.
26Bovendien had Salomon vier duizend span paarden voor zijn strijdwagens en twaalfduizend rijpaarden.
27Nutriebantque eos supradicti regis præfecti: sed et necessaria mensæ regis Salomonis cum ingenti cura præbebant in tempore suo.
27Genoemde landvoogden nu voorzagen, ieder gedurende een maand, koning Salomon en allen, die aan de koninklijke tafel aanzaten van het benodigde, en zorgden er voor, dat niets ontbrak.
28Hordeum quoque, et paleas equorum et jumentorum, deferebant in locum ubi erat rex, juxta constitutum sibi.
28Het gerst en het stro voor de rij- en wagenpaarden brachten zij, ieder op zijn beurt, naar de plaats, waar het wezen moest.
29Dedit quoque Deus sapientiam Salomoni, et prudentiam multam nimis, et latitudinem cordis quasi arenam quæ est in littore maris.
29Bovendien gaf God aan Salomon een zeer grote wijsheid, scherpzinnigheid en inzicht, zo groot als het zandige strand aan de zee.
30Et præcedebat sapientia Salomonis sapientiam omnium Orientalium et Ægyptiorum,
30De wijsheid van Salomon was groter dan die van alle Oosterlingen en alle Egyptenaren.
31et erat sapientior cunctis hominibus: sapientior Ethan Ezrahita, et Heman, et Chalcol, et Dorda filiis Mahol: et erat nominatus in universis gentibus per circuitum.
31Hij was wijzer dan alle mensen, wijzer zelfs dan Etan, de Ezrachiet, en dan Heman, Kalkol en Darda, de zonen van Machol, zodat hij beroemd was bij alle volkeren in het rond.
32Locutus est quoque Salomon tria millia parabolas: et fuerunt carmina ejus quinque et mille.
32Salomon dichtte drieduizend spreuken en schreef vijfduizend liederen.
33Et disputavit super lignis a cedro quæ est in Libano, usque ad hyssopum quæ egreditur de pariete: et disseruit de jumentis, et volucribus, et reptilibus, et piscibus.
33Hij sprak over alle boomsoorten, van de ceder op de Libanon tot de hysop, die uit de muren schiet; ook over viervoeters, vogels, kruipende dieren en vissen.
34Et veniebant de cunctis populis ad audiendam sapientiam Salomonis, et ab universis regibus terræ qui audiebant sapientiam ejus.
34Van alle volkeren stroomde men dan ook toe, om naar Salomons wijsheid te luisteren en hij ontving geschenken van alle koningen der aarde, die van zijn wijsheid hadden gehoord.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.