에스라 2
Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Translation
Korean Bible, 1910 (한국어 성경)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1옛적에 바벨론 왕 느부갓네살에게 사로잡혀 바벨론으로 갔던 자의 자손 중에서 놓임을 받고 예루살렘과 유다 도로 돌아와 각기 본성에 이른 자
1Dit zijn de bewoners der provincie, die weggetrokken zijn uit de ballingschap in Babel, waarheen Nabukodonosor, de koning van Babel, hen had weggevoerd, en die zijn teruggekeerd naar Jerusalem in Juda, iedereen naar zijn eigen stad.
2곧 스룹바벨과, 예수아와, 느헤미야와, 스라야와, 르엘라야와, 모르드개와, 빌산과, 미스발과, 비그왜와, 르훔과, 바아나 등과 함께 나온 이스라엘 백성의 명수가 이러하니
2Het zijn degenen, die teruggekomen zijn met Zorobabel, Jesjóea, Nehemias, Seraja, Reëlaja, Mordekai, Bilsjan, Mispar, Bigwai, Rechoem en Baäna. Het aantal mannen uit het volk van Israël was als volgt:
3바로스 자손이 이천 일백 칠십 이명이요
3de zonen van Parosj telden een en twintighonderd twee en zeventig man;
4스바댜 자손이 삼백 칠십 이명이요
4de zonen van Sjefatja, driehonderd twee en zeventig;
5아라 자손이 칠백 칠십 오명이요
5de zonen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig;
6바핫모압 자손 곧 예수아와 요압 자손이 이천 팔백 십 이명이요
6de zonen van Páchat-Moab, de zonen namelijk van Jesjóea en Joab, acht en twintighonderd en twaalf;
7엘람 자손이 일천 이백 오십 사명이요
7de zonen van Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
8삿두 자손이 구백 사십 오명이요
8de zonen van Zattoe, negenhonderd vijf en veertig;
9삭개 자손이 칠백 육십명이요
9de zonen van Zakkai, zevenhonderd zestig;
10바니 자손이 육백 사십 이명이요
10de zonen van Bani, zeshonderd twee en veertig;
11브배 자손이 육백 이십 삼명이요
11de zonen van Bebai, zeshonderd drie en twintig;
12아스갓 자손이 일천 이백 이십 이명이요
12de zonen van Azgad, twaalfhonderd twee en twintig;
13아도니감 자손이 육백 육십 육명이요
13de zonen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig;
14비그왜 자손이 이천 오십 육명이요
14de zonen van Bigwai, tweeduizend zes en vijftig;
15아딘 자손이 사백 오십 사명이요
15de zonen van Adin, vierhonderd vier en vijftig;
16아델 자손 곧 히스기야 자손이 구십 팔명이요
16de zonen van Ater, uit de familie van Chizki-ja, acht en negentig;
17베새 자손이 삼백 이십 삼명이요
17de zonen van Besai, driehonderd drie en twintig;
18요라 자손이 일백 십 이명이요
18de zonen van Jora, honderd en twaalf;
19하숨 자손이 이백 이십 삼명이요
19de zonen van Chasjoem, tweehonderd drie en twintig;
20깁발 자손이 구십 오명이요
20de zonen van Gibbar, vijf en negentig;
21베들레헴 사람이 일백 이십 삼명이요
21de burgers van Betlehem, honderd drie en twintig;
22느도바 사람이 오십 륙명이요
22de burgers van Netofa, zes en vijftig;
23아나돗 사람이 일백 이십 팔명이요
23de burgers van Anatot, honderd acht en twintig;
24아스마웹 자손이 사십 이명이요
24de burgers van Azmáwet, twee en veertig;
25기랴다림과 그비라와 브에롯 자손이 칠백 사십 삼명이요
25de burgers van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot, zevenhonderd drie en veertig;
26라마와 게바 자손이 육백 이십 일명이요
26de burgers van Rama en Géba, zeshonderd een en twintig;
27믹마스 사람이 일백 이십 이명이요
27de burgers van Mikmas, honderd twee en twintig;
28벧엘과 아이 사람이 이백 이십 삼명이요
28de burgers van Betel en Ai, tweehonderd drie en twintig;
29느보 자손이 오십 이명이요
29de burgers van Nebo, twee en vijftig;
30막비스 자손이 일백 오십 육명이요
30de zonen van Magbisj, honderd zes en vijftig;
31다른 엘람 자손이 일천 이백 오십 사명이요
31de zonen van den anderen Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
32하림 자손이 삼백 이십명이요
32de zonen van Charim, driehonderd en twintig;
33로드와 하딧과 오노 자손이 칠백 이십 오명이요
33de burgers van Lod, Chadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig;
34여리고 자손이 삼백 사십 오명이요
34de burgers van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
35스나아 자손이 삼천 육백 삼십명이었더라
35de zonen van Senaä, zes en dertighonderd dertig.
36제사장들은 예수아의 집 여다야 자손이 구백 칠십 삼명이요
36De priesters: de zonen van Jedaja, uit het geslacht van Jesjóea telden negenhonderd drie en zeventig man;
37임멜 자손이 일천 오십 이명이요
37de zonen van Immer, duizend twee en vijftig;
38바스훌 자손이 일천 이백 사십 칠명이요
38de zonen van Pasjchoer, twaalfhonderd zeven en veertig;
39하림 자손이 일천 십 칠명이었더라
39de zonen van Charim, duizend zeventien.
40레위 사람은 호다위야 자손 곧 예수아와, 갓미엘 자손이 칠십 사명이요
40De levieten: de zonen van Jesjóea, Kadmiël en Hodawja telden vier en zeventig man.
41노래하는 자들은 아삽 자손이 일백 이십 팔명이요
41De zangers: de zonen van Asaf telden honderd acht en twintig man.
42문지기의 자손들은 살룸과, 아델과, 달문과, 악굽과, 하디다와, 소배 자손이 모두 일백 삼십 구명이였더라
42De poortwachters: de zonen van Sjalloem, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkoeb, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai telden tezamen honderd negen en dertig man.
43느디님 사람들은 시하 자손과, 하수바 자손과, 답바옷 자손과,
43De tempelknechten waren: de zonen van Sicha; de zonen van Chasoefa; de zonen van Tabbaot;
44게로스 자손과, 시아하 자손과, 바돈 자손과,
44de zonen van Keros; de zonen van Siaha; de zonen van Padon;
45르바나 자손과, 하가바 자손과, 악굽 자손과,
45de zonen van Lebana; de zonen van Chagaba; de zonen van Akkoeb;
46하갑 자손과, 사믈래 자손과, 하난 자손과,
46de zonen van Chagab; de zonen van Sjamlai; de zonen van Chanan;
47깃델 자손과, 가할 자손과, 르아야 자손과,
47de zonen van Giddel; de zonen van Gáchar; de zonen van Reaja;
48르신 자손과, 느고다 자손과, 갓삼 자손과,
48de zonen van Resin; de zonen van Nekoda; de zonen van Gazzan;
49웃사 자손과, 바세아 자손과, 베새 자손과,
49de zonen van Oezza; de zonen van Paséach; de zonen van Besai;
50아스나 자손과, 므우님 자손과, 느부심 자손과,
50de zonen van Asna; de zonen van Meoenim; de zonen van Nefoesim;
51박북 자손과, 하그바 자손과, 할훌 자손과,
51de zonen van Bakboek; de zonen van Chakoefa; de zonen van Charchoer;
52바슬룻 자손과, 므히다 자손과, 하르사 자손과,
52de zonen van Basloet; de zonen van Mechida; de zonen van Charsja;
53바르고스 자손과, 시스라 자손과, 데마 자손과,
53de zonen van Barkos; de zonen van Sisera; de zonen van Témach;
54느시야 자손과, 하디바 자손이었더라
54de zonen van Nesiach; de zonen van Chatifa.
55솔로몬의 신복의 자손은 소대 자손과, 하소베렛 자손과, 브루다 자손과,
55De zonen van Salomons slaven waren: de zonen van Sotai; de zonen van Soféret; de zonen van Perida;
56야알라 자손과, 다르곤 자손과, 깃델 자손과,
56de zonen van Jaäla; de zonen van Darkon; de zonen van Giddel;
57스바댜 자손과, 하딜 자손과, 보게렛하스바임 자손과, 아미 자손이니
57de zonen van Sjefatja; de zonen van Chattil; de zonen van Pokéret-Hassebajim; de zonen van Ami.
58모든 느디님 사람과 솔로몬의 신복의 자손이 삼백 구십 이명이었더라
58De tempelknechten telden met de zonen van Salomons slaven tezamen driehonderd twee en negentig man.
59델멜라와, 델하르사와, 그룹과, 앗단과,임멜에서 올라온 자가 있으나 그 종족과 보계가 이스라엘에 속하였는지는 증거할 수 없으니
59De volgende zijn wel mee opgetrokken uit Tel-Mélach, Tel-Charsja, Keroeb, Addon en Immer, maar ze konden hun familie- en stamboom niet overleggen als bewijs, dat zij tot Israël behoorden. Het waren:
60저희는 들라야 자손과, 도비야 자손과, 느고다 자손이라 도합이 육백 오십 이명이요
60de zonen van Delaja; de zonen van Tobi-ja; de zonen van Nekoda: zeshonderd twee en vijftig man.
61제사장 중에는 하바야 자손과, 학고스 자손과, 바르실래 자손이니 바르실래는 길르앗 사람 바르실래의 딸 중에 하나로 아내를 삼고 바르실래의 이름으로 이름한 자라
61Uit de priesterzonen: de zonen van Chabaja; de zonen van Hakkos; de zonen van Barzillai, die getrouwd was met een der dochters van Barzillai uit Gilad, en naar hem werd genoemd.
62이 사람들이 보계 중에서 자기 이름을 찾아도 얻지 못한 고로 저희를 부정하게 여겨 제사장의 직분을 행치 못하게 하고
62Daar zij, hoe ze ook zochten, hun geslachtsregister niet konden vinden, werden zij van de priesterlijke bediening uitgesloten,
63방백이 저희에게 명하여 '우림과 둠밈을 가진 제사장이 일어나기 전에는 지성물을 먹지 말라' 하였느니라
63en verbood hun de landvoogd, van de heilige spijzen te eten, totdat er een priester met de Oerim en Toemmim zou optreden.
64온 회중의 합계가 사만 이천 삼백 육십명이요
64De hele gemeente bestond uit twee enveertigduizend driehonderd zestig personen.
65그 외에 노비가 칠천 삼백 삼십 칠명이요, 노래하는 남녀가 이백명이요
65Hierbij kwamen nog zevenduizend driehonderd zeven en dertig slaven en slavinnen, en tweehonderd zangers en zangeressen.
66말이 칠백 삼십 륙이요, 노새가 이백 사십 오요
66Men bezat zevenhonderd zes en dertig paarden, tweehonderd vijf en veertig muilezels,
67약대가 사백 삼십 오요, 나귀가 육천 칠백 이십이었더라
67vierhonderd vijf en dertig kamelen en zesduizend zevenhonderd twintig ezels.
68어떤 족장들이 예루살렘 여호와의 전 터에 이르러 하나님의 전을 그곳에 다시 건축하려고 예물을 즐거이 드리되
68Toen men bij de tempel van Jahweh te Jerusalem was aangekomen, brachten sommige familiehoofden vrijwillige schenkingen voor de tempel van God, om hem op zijn plaats te doen herrijzen.
69역량대로 역사하는 곳간에 드리니 금이 육만 일천 다릭이요, 은이 오천 마네요, 제사장의 옷이 일백 벌이었더라
69Ook droeg men naar vermogen bij aan het fonds, dat voor de eredienst was bestemd: voor een en zestigduizend drachmen7 aan goud, voor vijfduizend mina aan zilver, en honderd priestergewaden.
70이에 제사장들과 레위 사람들과 백성 몇과 노래하는 자들과 문지기들과 느디님 사람들이 그 본성들에 거하고 이스라엘 무리도 그 본성들에 거하였느니라
70Daarna gingen de priesters, de levieten met een deel van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempelknechten zich te Jerusalem vestigen, en de rest van Israël in hun steden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.