Ezra 2
King James Version with ApocryphaTranslation
King James Version with Apocrypha
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Now these are the children of the province that went up out of the captivity, of those which had been carried away, whom Nebuchadnezzar the king of Babylon had carried away unto Babylon, and came again unto Jerusalem and Judah, every one unto his city;
1Dit zijn de bewoners der provincie, die weggetrokken zijn uit de ballingschap in Babel, waarheen Nabukodonosor, de koning van Babel, hen had weggevoerd, en die zijn teruggekeerd naar Jerusalem in Juda, iedereen naar zijn eigen stad.
2Which came with Zerubbabel: Jeshua, Nehemiah, Seraiah, Reelaiah, Mordecai, Bilshan, Mispar, Bigvai, Rehum, Baanah. The number of the men of the people of Israel:
2Het zijn degenen, die teruggekomen zijn met Zorobabel, Jesjóea, Nehemias, Seraja, Reëlaja, Mordekai, Bilsjan, Mispar, Bigwai, Rechoem en Baäna. Het aantal mannen uit het volk van Israël was als volgt:
3The children of Parosh, two thousand an hundred seventy and two.
3de zonen van Parosj telden een en twintighonderd twee en zeventig man;
4The children of Shephatiah, three hundred seventy and two.
4de zonen van Sjefatja, driehonderd twee en zeventig;
5The children of Arah, seven hundred seventy and five.
5de zonen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig;
6The children of Pahath-moab, of the children of Jeshua and Joab, two thousand eight hundred and twelve.
6de zonen van Páchat-Moab, de zonen namelijk van Jesjóea en Joab, acht en twintighonderd en twaalf;
7The children of Elam, a thousand two hundred fifty and four.
7de zonen van Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
8The children of Zattu, nine hundred forty and five.
8de zonen van Zattoe, negenhonderd vijf en veertig;
9The children of Zaccai, seven hundred and threescore.
9de zonen van Zakkai, zevenhonderd zestig;
10The children of Bani, six hundred forty and two.
10de zonen van Bani, zeshonderd twee en veertig;
11The children of Bebai, six hundred twenty and three.
11de zonen van Bebai, zeshonderd drie en twintig;
12The children of Azgad, a thousand two hundred twenty and two.
12de zonen van Azgad, twaalfhonderd twee en twintig;
13The children of Adonikam, six hundred sixty and six.
13de zonen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig;
14The children of Bigvai, two thousand fifty and six.
14de zonen van Bigwai, tweeduizend zes en vijftig;
15The children of Adin, four hundred fifty and four.
15de zonen van Adin, vierhonderd vier en vijftig;
16The children of Ater of Hezekiah, ninety and eight.
16de zonen van Ater, uit de familie van Chizki-ja, acht en negentig;
17The children of Bezai, three hundred twenty and three.
17de zonen van Besai, driehonderd drie en twintig;
18The children of Jorah, an hundred and twelve.
18de zonen van Jora, honderd en twaalf;
19The children of Hashum, two hundred twenty and three.
19de zonen van Chasjoem, tweehonderd drie en twintig;
20The children of Gibbar, ninety and five.
20de zonen van Gibbar, vijf en negentig;
21The children of Beth-lehem, an hundred twenty and three.
21de burgers van Betlehem, honderd drie en twintig;
22The men of Netophah, fifty and six.
22de burgers van Netofa, zes en vijftig;
23The men of Anathoth, an hundred twenty and eight.
23de burgers van Anatot, honderd acht en twintig;
24The children of Azmaveth, forty and two.
24de burgers van Azmáwet, twee en veertig;
25The children of Kirjath-arim, Chephirah, and Beeroth, seven hundred and forty and three.
25de burgers van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot, zevenhonderd drie en veertig;
26The children of Ramah and Gaba, six hundred twenty and one.
26de burgers van Rama en Géba, zeshonderd een en twintig;
27The men of Michmas, an hundred twenty and two.
27de burgers van Mikmas, honderd twee en twintig;
28The men of Beth-el and Ai, two hundred twenty and three.
28de burgers van Betel en Ai, tweehonderd drie en twintig;
29The children of Nebo, fifty and two.
29de burgers van Nebo, twee en vijftig;
30The children of Magbish, an hundred fifty and six.
30de zonen van Magbisj, honderd zes en vijftig;
31The children of the other Elam, a thousand two hundred fifty and four.
31de zonen van den anderen Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
32The children of Harim, three hundred and twenty.
32de zonen van Charim, driehonderd en twintig;
33The children of Lod, Hadid, and Ono, seven hundred twenty and five.
33de burgers van Lod, Chadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig;
34The children of Jericho, three hundred forty and five.
34de burgers van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
35The children of Senaah, three thousand and six hundred and thirty.
35de zonen van Senaä, zes en dertighonderd dertig.
36¶ The priests: the children of Jedaiah, of the house of Jeshua, nine hundred seventy and three.
36De priesters: de zonen van Jedaja, uit het geslacht van Jesjóea telden negenhonderd drie en zeventig man;
37The children of Immer, a thousand fifty and two.
37de zonen van Immer, duizend twee en vijftig;
38The children of Pashur, a thousand two hundred forty and seven.
38de zonen van Pasjchoer, twaalfhonderd zeven en veertig;
39The children of Harim, a thousand and seventeen.
39de zonen van Charim, duizend zeventien.
40¶ The Levites: the children of Jeshua and Kadmiel, of the children of Hodaviah, seventy and four.
40De levieten: de zonen van Jesjóea, Kadmiël en Hodawja telden vier en zeventig man.
41¶ The singers: the children of Asaph, an hundred twenty and eight.
41De zangers: de zonen van Asaf telden honderd acht en twintig man.
42¶ The children of the porters: the children of Shallum, the children of Ater, the children of Talmon, the children of Akkub, the children of Hatita, the children of Shobai, in all an hundred thirty and nine.
42De poortwachters: de zonen van Sjalloem, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkoeb, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai telden tezamen honderd negen en dertig man.
43¶ The Nethinims: the children of Ziha, the children of Hasupha, the children of Tabbaoth,
43De tempelknechten waren: de zonen van Sicha; de zonen van Chasoefa; de zonen van Tabbaot;
44The children of Keros, the children of Siaha, the children of Padon,
44de zonen van Keros; de zonen van Siaha; de zonen van Padon;
45The children of Lebanah, the children of Hagabah, the children of Akkub,
45de zonen van Lebana; de zonen van Chagaba; de zonen van Akkoeb;
46The children of Hagab, the children of Shalmai, the children of Hanan,
46de zonen van Chagab; de zonen van Sjamlai; de zonen van Chanan;
47The children of Giddel, the children of Gahar, the children of Reaiah,
47de zonen van Giddel; de zonen van Gáchar; de zonen van Reaja;
48The children of Rezin, the children of Nekoda, the children of Gazzam,
48de zonen van Resin; de zonen van Nekoda; de zonen van Gazzan;
49The children of Uzza, the children of Paseah, the children of Besai,
49de zonen van Oezza; de zonen van Paséach; de zonen van Besai;
50The children of Asnah, the children of Mehunim, the children of Nephusim,
50de zonen van Asna; de zonen van Meoenim; de zonen van Nefoesim;
51The children of Bakbuk, the children of Hakupha, the children of Harhur,
51de zonen van Bakboek; de zonen van Chakoefa; de zonen van Charchoer;
52The children of Bazluth, the children of Mehida, the children of Harsha,
52de zonen van Basloet; de zonen van Mechida; de zonen van Charsja;
53The children of Barkos, the children of Sisera, the children of Thamah,
53de zonen van Barkos; de zonen van Sisera; de zonen van Témach;
54The children of Neziah, the children of Hatipha.
54de zonen van Nesiach; de zonen van Chatifa.
55¶ The children of Solomon’s servants: the children of Sotai, the children of Sophereth, the children of Peruda,
55De zonen van Salomons slaven waren: de zonen van Sotai; de zonen van Soféret; de zonen van Perida;
56The children of Jaalah, the children of Darkon, the children of Giddel,
56de zonen van Jaäla; de zonen van Darkon; de zonen van Giddel;
57The children of Shephatiah, the children of Hattil, the children of Pochereth of Zebaim, the children of Ami.
57de zonen van Sjefatja; de zonen van Chattil; de zonen van Pokéret-Hassebajim; de zonen van Ami.
58All the Nethinims, and the children of Solomon’s servants, were three hundred ninety and two.
58De tempelknechten telden met de zonen van Salomons slaven tezamen driehonderd twee en negentig man.
59And these were they which went up from Tel-melah, Tel-harsa, Cherub, Addan, and Immer: but they could not shew their father’s house, and their seed, whether they were of Israel:
59De volgende zijn wel mee opgetrokken uit Tel-Mélach, Tel-Charsja, Keroeb, Addon en Immer, maar ze konden hun familie- en stamboom niet overleggen als bewijs, dat zij tot Israël behoorden. Het waren:
60The children of Delaiah, the children of Tobiah, the children of Nekoda, six hundred fifty and two.
60de zonen van Delaja; de zonen van Tobi-ja; de zonen van Nekoda: zeshonderd twee en vijftig man.
61¶ And of the children of the priests: the children of Habaiah, the children of Koz, the children of Barzillai; which took a wife of the daughters of Barzillai the Gileadite, and was called after their name:
61Uit de priesterzonen: de zonen van Chabaja; de zonen van Hakkos; de zonen van Barzillai, die getrouwd was met een der dochters van Barzillai uit Gilad, en naar hem werd genoemd.
62These sought their register among those that were reckoned by genealogy, but they were not found: therefore were they, as polluted, put from the priesthood.
62Daar zij, hoe ze ook zochten, hun geslachtsregister niet konden vinden, werden zij van de priesterlijke bediening uitgesloten,
63And the Tirshatha said unto them, that they should not eat of the most holy things, till there stood up a priest with Urim and with Thummim.
63en verbood hun de landvoogd, van de heilige spijzen te eten, totdat er een priester met de Oerim en Toemmim zou optreden.
64¶ The whole congregation together was forty and two thousand three hundred and threescore,
64De hele gemeente bestond uit twee enveertigduizend driehonderd zestig personen.
65Beside their servants and their maids, of whom there were seven thousand three hundred thirty and seven: and there were among them two hundred singing men and singing women.
65Hierbij kwamen nog zevenduizend driehonderd zeven en dertig slaven en slavinnen, en tweehonderd zangers en zangeressen.
66Their horses were seven hundred thirty and six; their mules, two hundred forty and five;
66Men bezat zevenhonderd zes en dertig paarden, tweehonderd vijf en veertig muilezels,
67Their camels, four hundred thirty and five; their asses, six thousand seven hundred and twenty.
67vierhonderd vijf en dertig kamelen en zesduizend zevenhonderd twintig ezels.
68¶ And some of the chief of the fathers, when they came to the house of the LORD which is at Jerusalem, offered freely for the house of God to set it up in his place:
68Toen men bij de tempel van Jahweh te Jerusalem was aangekomen, brachten sommige familiehoofden vrijwillige schenkingen voor de tempel van God, om hem op zijn plaats te doen herrijzen.
69They gave after their ability unto the treasure of the work threescore and one thousand drams of gold, and five thousand pound of silver, and one hundred priests’ garments.
69Ook droeg men naar vermogen bij aan het fonds, dat voor de eredienst was bestemd: voor een en zestigduizend drachmen7 aan goud, voor vijfduizend mina aan zilver, en honderd priestergewaden.
70So the priests, and the Levites, and some of the people, and the singers, and the porters, and the Nethinims, dwelt in their cities, and all Israel in their cities.
70Daarna gingen de priesters, de levieten met een deel van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempelknechten zich te Jerusalem vestigen, en de rest van Israël in hun steden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.