Exodus
Chapter 36
JPS Tanakh (Jewish Publi…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And Bezalel and Oholiab shall work, and every wise-hearted man, in whom the LORD hath put wisdom and understanding to know how to work all the work for the service of the sanctuary, according to all that the LORD hath commanded.'
1Besalel zal dus het werk voltooien, geholpen door Oholiab en alle kunstenaars, aan wie Jahweh bekwaamheid en inzicht verleend heeft, om met beleid alles te vervaardigen voor de bouw van het heiligdom, juist zoals Jahweh het bevolen heeft.
2And Moses called Bezalel and Oholiab, and every wise-hearted man, in whose heart the LORD had put wisdom, even every one whose heart stirred him up to come unto the work to do it.
2Nu riep Moses Besalel en Oholiab en alle kunstenaars op, wie Jahweh bekwaamheid had geschonken: allen die zich bezield gevoelden, om aan het werk te gaan en het uit te voeren.
3And they received of Moses all the offering, which the children of Israel had brought for the work of the service of the sanctuary, wherewith to make it. And they brought yet unto him freewill-offerings every morning.
3En onder toezicht van Moses namen zij alle geschenken in ontvangst, die de Israëlieten brachten voor de bouw van het heiligdom. Maar toen men hem iedere morgen opnieuw gaven bleef brengen,
4And all the wise men, that wrought all the work of the sanctuary, came every man from his work which they wrought.
4staakten al de kunstenaars, die de verschillende werkzaamheden aan het heiligdom moesten verrichten, een voor een het werk, waarmee zij bezig waren,
5And they spoke unto Moses, saying: 'The people bring much more than enough for the service of the work, which the LORD commanded to make.'
5en zeiden tot Moses: Het volk brengt veel meer dan nodig is voor de uitvoering van het werk, dat Jahweh gelast heeft.
6And Moses gave commandment, and they caused it to be proclaimed throughout the camp, saying: 'Let neither man nor woman make any more work for the offering of the sanctuary.' So the people were restrained from bringing.
6Daarom beval Moses, in het kamp af te kondigen: Niemand, man noch vrouw, behoeft nog iets te vervaardigen als geschenk voor het heiligdom! Zo moest het volk er van worden afgehouden, verdere geschenken te brengen.
7For the stuff they had was sufficient for all the work to make it, and too much.
7Wat al vervaardigd was, was voldoende en meer dan voldoende, om het hele werk ten uitvoer te brengen.
8And every wise-hearted man among them that wrought the work made the tabernacle with ten curtains: of fine twined linen, and blue, and purple, and scarlet, with cherubim the work of the skilful workman made he them.
8Nu begonnen alle kunstenaars onder de werklieden de tabernakel te maken. Ze vervaardigden hem uit tien banen van getwijnd lijnwaad, van violet, purper en karmozijn, met cherubs versierd.
9The length of each curtain was eight and twenty cubits, and the breadth of each curtain four cubits; all the curtains had one measure.
9De lengte van een baan was acht en twintig el, de breedte vier el; alle banen hadden dezelfde afmetingen.
10And he coupled five curtains one to another; and the other five curtains he coupled one to another.
10Men hechtte de banen vijf bij vijf aan elkander,
11And he made loops of blue upon the edge of the one curtain that was outmost in the first set; likewise he made in the edge of the curtain that was outmost in the second set.
11en maakte violetkleurige lussen aan de zoom van de eerste baan van het ene stel en eveneens aan de zoom van de laatste baan van het andere stel.
12Fifty loops made he in the one curtain, and fifty loops made he in the edge of the curtain that was in the second set; the loops were opposite one to another.
12Vijftig lussen maakte men aan de baan van het ene stel en vijftig lussen aan de zoom van de laatste baan van het andere stel, zodat de lussen tegenover elkander kwamen te zitten.
13And he made fifty clasps of gold, and coupled the curtains one to another with the clasps; so the tabernacle was one.
13Vervolgens maakte hij vijftig gouden haken, en hechtte de banen met die haken aaneen, zodat de tabernakel een geheel werd.
14And he made curtains of goats' hair for a tent over the tabernacle; eleven curtains he made them.
14Daarna maakte hij banen van geitenhaar voor de tent over de tabernakel; hij maakte elf van deze banen.
15The length of each curtain was thirty cubits, and four cubits the breadth of each curtain; the eleven curtains had one measure.
15De lengte van een baan bedroeg dertig el en de breedte vier el; alle elf banen hadden dezelfde afmetingen.
16And he coupled five curtains by themselves, and six curtains by themselves.
16Vijf van die banen hechtte hij afzonderlijk aan elkander vast, en eveneens de zes andere afzonderlijk.
17And he made fifty loops on the edge of the curtain that was outmost in the first set, and fifty loops made he upon the edge of the curtain which was outmost in the second set.
17Dan maakte hij vijftig lussen aan de zoom van de laatste baan van het ene stel en evenzo vijftig lussen aan de zoom van de laatste baan van het andere stel;
18And he made fifty clasps of brass to couple the tent together, that it might be one.
18vervolgens maakte hij vijftig bronzen haken, om de tent zo samen te voegen, dat ze een geheel werd.
19And he made a covering for the tent of rams' skins dyed red, and a covering of sealskins above.
19Vervolgens maakte hij over deze tent een dek van roodgeverfde ramsvellen, en nog een dekkleed van gelooide huiden daar overheen.
20And he made the boards for the tabernacle of acacia-wood, standing up.
20Daarna vervaardigde hij voor de tabernakel rechtopstaande schotten van acaciahout.
21Ten cubits was the length of a board, and a cubit and a half the breadth of each board.
21Ieder schot was tien el hoog, en anderhalve el breed,
22Each board had two tenons, joined one to another. Thus did he make for all the boards of the tabernacle.
22en onder ieder schot zaten twee pennen, recht naast elkaar. Zo deed hij met alle schotten van de tabernakel.
23And he made the boards for the tabernacle; twenty boards for the south side southward.
23Voor de zuidkant van de tabernakel maakte hij twintig schotten,
24And he made forty sockets of silver under the twenty boards: two sockets under one board for its two tenons, and two sockets under another board for its two tenons.
24en onder die twintig schotten maakte hij veertig zilveren voetstukken, zodat er zich telkens twee onder ieder schot bevonden voor de beide pennen.
25And for the second side of the tabernacle, on the north side, he made twenty boards,
25Voor de andere wand van de tabernakel dus aan de noordkant, maakte hij eveneens twintig schotten
26and their forty sockets of silver: two sockets under one board, and two sockets under another board.
26met hun veertig zilveren voetstukken, telkens twee onder ieder schot.
27And for the hinder part of the tabernacle westward he made six boards.
27Voor de achterkant van de tabernakel, dus in het westen, maakte hij zes schotten;
28And two boards made he for the corners of the tabernacle in the hinder part;
28daarenboven voor de beide hoeken van de achterwand van de tabernakel twee schotten,
29that they might be double beneath, and in like manner they should be complete unto the top thereof unto the first ring. Thus he did to both of them in the two corners.
29die van onderen in elkander grepen, en evenzo van boven bij de eerste kram. Zo deed hij voor die twee, daar zij beiden de hoekstukken vormden.
30And there were eight boards, and their sockets of silver, sixteen sockets: under every board two sockets.
30Er waren dus acht schotten met hun zestien zilveren voetstukken, telkens twee voetstukken onder ieder schot.
31And he made bars of acacia-wood: five for the boards of the one side of the tabernacle,
31Vervolgens maakte hij bindlatten van acaciahout, vijf voor de schotten van de ene zijwand van de tabernakel,
32and five bars for the boards of the other side of the tabernacle, and five bars for the boards of the tabernacle for the hinder part westward.
32en vijf voor de schotten van de andere zijwand van de tabernakel, en ook vijf voor de schotten aan de achterwand van de tabernakel, in het westen.
33And he made the middle bar to pass through in the midst of the boards from the one end to the other.
33De middelste bindlat maakte hij zo, dat zij midden over de schotten liep van het ene einde tot het andere.
34And he overlaid the boards with gold, and made their rings of gold for holders for the bars, and overlaid the bars with gold.
34De schotten bekleedde hij met goud; de krammen, waarin de bindlatten rustten, maakte hij van goud; de bindlatten zelf overtrok hij weer met goud.
35And he made the veil of blue, and purple, and scarlet, and fine twined linen; with the cherubim the work of the skilful workman made he it.
35Daarna maakte hij het voorhangsel van violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, met cherubs versierd.
36And he made thereunto four pillars of acacia, and overlaid them with gold, their hooks being of gold; and he cast for them four sockets of silver.
36Hij maakte daarvoor vier palen van acaciahout, die hij met goud besloeg, met gouden ringen eraan en goot er vier zilveren voetstukken voor.
37And he made a screen for the door of the Tent, of blue, and purple, and scarlet, and fine twined linen, the work of the weaver in colours;
37Ten slotte vervaardigde hij voor de ingang van de Tent een tapijt van violet, purper, karmozijn en getwijnd lijnwaad, met fijn borduurwerk versierd;
38and the five pillars of it with their hooks; and he overlaid their capitals and their fillets with gold; and their five sockets were of brass.
38daarbij de vijf palen met hun ringen. De koppen en banden der palen overtrok hij met goud, terwijl de vijf voetstukken van brons waren.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.