Exodus 29
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And this is the thing that thou shalt do unto them to hallow them, to minister unto Me in the priest's office: take one young bullock and two rams without blemish,
1Deze handelingen moet ge aan hen voltrekken, om hen tot mijn priesters te wijden: Neem één jongen stier en twee rammen, die zonder gebreken zijn;
2and unleavened bread, and cakes unleavened mingled with oil, and wafers unleavened spread with oil; of fine wheaten flour shalt thou make them.
2daarbij ongedesemde broden en ongedesemde koeken met olie gemengd en ongedesemde offervlaas met olie bestreken, van tarwebloem bereid.
3And thou shalt put them into one basket, and bring them in the basket, with the bullock and the two rams.
3Leg ze in een mand, en breng ze in die mand tegelijk met den jongen stier en de twee rammen.
4And Aaron and his sons thou shalt bring unto the door of the tent of meeting, and shalt wash them with water.
4Daarna moet ge Aäron en zijn zonen naar de ingang van de openbaringstent leiden en hen met water wassen.
5And thou shalt take the garments, and put upon Aaron the tunic, and the robe of the ephod, and the ephod, and the breastplate, and gird him with the skilfully woven band of the ephod.
5Dan moet ge de gewaden nemen, en Aäron bekleden met de tuniek, de schoudermantel, het borstkleed en de borsttas, hem het borstkleed vastbinden met de band,
6And thou shalt set the mitre upon his head, and put the holy crown upon the mitre.
6de tulband op zijn hoofd plaatsen en de heilige diadeem aan de tulband bevestigen.
7Then shalt thou take the anointing oil, and pour it upon his head, and anoint him.
7Dan moet ge de zalfolie nemen, die over zijn hoofd uitstorten en hem zalven.
8And thou shalt bring his sons, and put tunics upon them.
8Vervolgens moet ge zijn zonen doen toetreden, hen met de tunieken bekleden,
9And thou shalt gird them with girdles, Aaron and his sons, and bind head-tires on them; and they shall have the priesthood by a perpetual statute; and thou shalt consecrate Aaron and his sons.
9de gordel ombinden en de hoofddoeken omdoen. Wanneer ge zo Aäron en zijn zonen tot priesters hebt aangesteld, zullen zij de priesterlijke waardigheid bezitten als een eeuwig recht.
10And thou shalt bring the bullock before the tent of meeting; and Aaron and his sons shall lay their hands upon the head of the bullock.
10Dan moet ge den stier voor de openbaringstent brengen, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van den stier leggen;
11And thou shalt kill the bullock before the LORD, at the door of the tent of meeting.
11daarna moet men den stier voor het aanschijn van Jahweh aan de ingang van de openbaringstent slachten.
12And thou shalt take of the blood of the bullock, and put it upon the horns of the altar with thy finger; and thou shalt pour out all the remaining blood at the base of the altar.
12Neem dan het bloed van den stier, strijk een gedeelte daarvan met uw vinger aan de hoornen van het altaar, en stort de rest tegen het voetstuk van het altaar.
13And thou shalt take all the fat that covereth the inwards, and the lobe above the liver, and the two kidneys, and the fat that is upon them, and make them smoke upon the altar.
13Vervolgens moet ge al het vet nemen, dat de ingewanden omgeeft, en de kwab aan de lever, de beide nieren en het niervet, en dat op het altaar in rook doen opgaan;
14But the flesh of the bullock, and its skin, and its dung, shalt thou burn with fire without the camp; it is a sin-offering.
14maar het vlees van den stier met zijn vel en darmen moet ge buiten de legerplaats in het vuur verbranden. Dit is het zondeoffer.
15Thou shalt also take the one ram; and Aaron and his sons shall lay their hands upon the head of the ram.
15Dan moet ge een van de rammen nemen, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van den ram leggen;
16And thou shalt slay the ram, and thou shalt take its blood, and dash it round about against the altar.
16ge moet den ram slachten, zijn bloed opvangen, en er aan alle kanten het altaar mee besprenkelen.
17And thou shalt cut the ram into its pieces, and wash its inwards, and its legs, and put them with its pieces, and with its head.
17Snijd dien ram vervolgens in stukken, was de ingewanden en poten af, en leg ze bij de andere stukken en de kop.
18And thou shalt make the whole ram smoke upon the altar; it is a burnt-offering unto the LORD; it is a sweet savour, an offering made by fire unto the LORD.
18Den helen ram moet ge op het altaar in rook doen opgaan. Het is een heerlijk geurend brandoffer voor Jahweh, een vuuroffer ter ere van Jahweh.
19And thou shalt take the other ram; and Aaron and his sons shall lay their hands upon the head of the ram.
19Daarna moet ge den tweeden ram nemen, en Aäron en zijn zonen moeten hun handen op zijn kop leggen.
20Then shalt thou kill the ram, and take of its blood, and put it upon the tip of the right ear of Aaron, and upon the tip of the right ear of his sons, and upon the thumb of their right hand, and upon the great toe of their right foot, and dash the blood against the altar round about.
20Dan moet ge hem slachten, met zijn bloed de rechteroorlel, rechterduim en rechter grote teen van Aäron en zijn zonen bestrijken, en met het overige bloed aan alle kanten het altaar besprenkelen.
21And thou shalt take of the blood that is upon the altar, and of the anointing oil, and sprinkle it upon Aaron, and upon his garments, and upon his sons, and upon the garments of his sons with him; and he and his garments shall be hallowed, and his sons and his sons' garments with him.
21Neem dan wat van het bloed, dat tegen het altaar is gesprenkeld, tegelijk met wat zalfolie, en besprenkel daarmee Aäron en de gewaden van Aäron, zijn zonen en de gewaden van zijn zonen, zodat hij en zijn zonen, alsook de gewaden van beiden zullen gewijd zijn.
22Also thou shalt take of the ram the fat, and the fat tail, and the fat that covereth the inwards, and the lobe of the liver, and the two kidneys, and the fat that is upon them, and the right thigh; for it is a ram of consecration;
22Vervolgens moet ge het vet van den ram nemen, met het staartvet en het vet, dat de ingewanden omgeeft, de kwab aan de lever, de beide nieren met het niervet, dat er om heen zit, en daar het een wijdingsram is, ook de rechterschenkel;
23and one loaf of bread, and one cake of oiled bread, and one wafer, out of the basket of unleavened bread that is before the LORD.
23bovendien, uit de mand met ongedesemde broden, die voor het aanschijn van Jahweh staat, één rond brood, één met olie bestreken broodkoek en één vla.
24And thou shalt put the whole upon the hands of Aaron, and upon the hands of his sons; and shalt wave them for a wave-offering before the LORD.
24Dit alles moet ge in de handen van Aäron leggen en in die van zijn zonen, en als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden.
25And thou shalt take them from their hands, and make them smoke on the altar upon the burnt-offering, for a sweet savour before the LORD; it is an offering made by fire unto the LORD.
25Dan moet ge het uit hun handen nemen, en het op het altaar in rook doen opgaan te zamen met het heerlijk geurend brandoffer voor het aanschijn van Jahweh; het is een vuuroffer ter ere van Jahweh.
26And thou shalt take the breast of Aaron's ram of consecration, and wave it for a wave-offering before the LORD; and it shall be thy portion.
26Vervolgens moet ge het borststuk van Aärons wijdingsram nemen, en het als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden. Dit zal uw deel zijn.
27And thou shalt sanctify the breast of the wave-offering, and the thigh of the heave-offering, which is waved, and which is heaved up, of the ram of consecration, even of that which is Aaron's, and of that which is his sons'.
27Zo zult ge door het wijdingsram van Aäron en zijn zonen de borststukken, die als strekoffers worden aangeboden, en de schenkels, die als hefoffers worden opgedragen, heiligen;
28And it shall be for Aaron and his sons as a due for ever from the children of Israel; for it is a heave-offering; and it shall be a heave-offering from the children of Israel of their sacrifices of peace-offerings, even their heave-offering unto the LORD.
28volgens een altijdgeldende wet zullen zij het deel zijn, dat de kinderen Israëls aan Aäron en zijn zonen moeten afstaan. Want het is een hefoffer, en als zodanig moet het door Israëls zonen van hun vredeoffers worden afgestaan, als een gave aan Jahweh.
29And the holy garments of Aaron shall be for his sons after him, to be anointed in them, and to be consecrated in them.
29De heilige gewaden van Aäron zullen na hem op zijn zonen overgaan; daarin moeten zij gezalfd en tot priesters worden aangesteld.
30Seven days shall the son that is priest in his stead put them on, even he who cometh into the tent of meeting to minister in the holy place.
30En zeven dagen moet zijn zoon, die hem als priester opvolgt en de openbaringstent binnentreedt, zich daarmee bekleden, om de dienst in het heiligdom uit te oefenen.
31And thou shalt take the ram of consecration, and seethe its flesh in a holy place.
31Het vlees van den wijdingsram moet ge op een heilige plaats koken.
32And Aaron and his sons shall eat the flesh of the ram, and the bread that is in the basket, at the door of the tent of meeting.
32En Aäron en zijn zonen zullen het vlees van den ram en het brood uit de mand eten bij de ingang van de openbaringstent.
33And they shall eat those things wherewith atonement was made, to consecrate and to sanctify them; but a stranger shall not eat thereof, because they are holy.
33Zij alleen mogen het eten, omdat zij daardoor de verzoening verkregen, toen men hen tot priester aanstelde en wijdde; een leek mag er niet van eten, want het is heilig.
34And if aught of the flesh of the consecration, or of the bread, remain unto the morning, then thou shalt burn the remainder with fire; it shall not be eaten, because it is holy.
34En zo er iets van het vlees van het wijdingsoffer of van het brood tot de volgende morgen zou overblijven, moet ge dat overschot verbranden; het mag niet worden gegeten, want het is heilig.
35And thus shalt thou do unto Aaron, and to his sons, according to all that I have commanded thee; seven days shalt thou consecrate them.
35Voltrek dit alles aan Aäron en zijn zonen, juist zoals Ik het u heb bevolen. Zeven dagen moet ge de priesterwijding laten duren.
36And every day shalt thou offer the bullock of sin-offering, beside the other offerings of atonement; and thou shalt do the purification upon the altar when thou makest atonement for it; and thou shalt anoint it, to sanctify it.
36Iedere dag moet ge tot verzoening een stier opdragen als zondeoffer, en door uw verzoening de onreinheid van het altaar wegnemen; dan moet ge het zalven, om het te wijden.
37Seven days thou shalt make atonement for the altar, and sanctify it; thus shall the altar be most holy; whatsoever toucheth the altar shall be holy.
37Zeven dagen lang zult ge voor het altaar de verzoeningsplechtigheid verrichten, om het te wijden. Zo zal het altaar hoogheilig zijn, en iedereen, die het aanraakt, zal als iets heiligs worden behandeld.
38Now this is that which thou shalt offer upon the altar: two lambs of the first year day by day continually.
38Regelmatig iedere dag moet ge twee eenjarig lammeren op het altaar offeren.
39The one lamb thou shalt offer in the morning; and the other lamb thou shalt offer at dusk.
39Het ene lam moet ge des morgens offeren, het andere tegen de avond.
40And with the one lamb a tenth part of an ephah of fine flour mingled with the fourth part of a hin of beaten oil; and the fourth part of a hin of wine for a drink-offering.
40Bij het eerste lam behoort een issaron meelbloem, gemengd met een kwart hin gestoten olie, en een plengoffer van een vierde hin wijn.
41And the other lamb thou shalt offer at dusk, and shalt do thereto according to the meal-offering of the morning, and according to the drink-offering thereof, for a sweet savour, an offering made by fire unto the LORD.
41Het andere lam moet ge tegen de avond offeren. Gij moet er eenzelfde spijs(-) en plengoffer bij doen als des morgens. Het moet een heerlijk geurend vuuroffer zijn ter ere van Jahweh,
42It shall be a continual burnt-offering throughout your generations at the door of the tent of meeting before the LORD, where I will meet with you, to speak there unto thee.
42een bestendig brandoffer van geslacht tot geslacht, opgedragen aan de ingang van de openbaringstent en voor het aanschijn van Jahweh, waar Ik Mij aan u zal openbaren, om tot u te spreken.
43And there I will meet with the children of Israel; and the Tent shall be sanctified by My glory.
43Daar zal Ik Mij openbaren aan de zonen Israëls, en die plaats zal door mijn glorie worden geheiligd.
44And I will sanctify the tent of meeting, and the altar; Aaron also and his sons will I sanctify, to minister to Me in the priest's office.
44Ik zal de openbaringstent heiligen met het altaar, en Aäron heiligen met zijn zonen, om mijn priesters te zijn.
45And I will dwell among the children of Israel, and will be their God.
45Ik zal wonen te midden van Israëls kinderen en hun God zijn.
46And they shall know that I am the LORD their God, that brought them forth out of the land of Egypt, that I may dwell among them. I am the LORD their God.
46Dan zullen zij weten, dat Ik, Jahweh, hun God ben, die hen uit het land van Egypte heb geleid, om in hun midden te wonen: Ik Jahweh, hun God!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.