Epistola Di S. Giacomo
Chapter 4

Epistola Di S. Giacomo

Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Epistola Di S. Giacomo 4

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ONDE vengon le guerre, e le contese fra voi? non è egli da questo, cioè dalle vostre voluttà, che guerreggiano nelle vostre membra?
1Vanwaar dan strijd en getwist onder u? Komt het niet voort uit uw lusten, die door uw ledematen aan het vechten slaan?
2Voi bramate, e non avete; voi uccidete, e procacciate a gara, e non potete ottenere; voi combattete e guerreggiate, e non avete; perciocchè non domandate.
2Gij begeert, toch bezit gij niet; gij moordt en benijdt, toch verkrijgt gij niet. Gij blijft dus vechten en strijden! Gij bezit echter niet, omdat gij niet bidt;
3Voi domandate, e non ricevete; perciocchè domandate male, per ispender ne' vostri piaceri.
3gij bidt en toch verkrijgt gij niet, omdat gij bidt met de boze bedoeling, door uw lusten te verbrassen wat gij verkrijgt.
4Adulteri ed adultere, non sapete voi che l'amicizia del mondo è inimicizia contro a Dio? colui adunque che vuol essere amico del mondo si rende nemico di Dio.
4Overspelers, weet gij dan niet, dat vriendschap der wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot vijand van God.
5Pensate voi che la scrittura dica in vano: Lo spirito che abita in voi appetisce ad invidia?
5Of meent gij soms, dat de Schrift het voor niets zegt: “Tot afgunst toe begeert de Geest, dien Hij in ons deed wonen?”
6Ma egli dà vie maggior grazia; perciò dice: Iddio resiste a' superbi, e dà grazia agli umili.
6Groter genade geeft Hij zelfs; daarom zegt ze: “God weerstaat de hovaardigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.”
7Sottomettetevi adunque a Dio, contrastate al diavolo, ed egli fuggirà da voi.
7Onderwerpt u dus nederig aan God, maar verzet u tegen den duivel, en hij zal voor u vluchten!
8Appressatevi a Dio, ed egli si appresserà a voi: nettate le vostre mani o peccatori; e purificate i cuori vostri , o doppi d'animo.
8Treedt nader tot God, en Hij zal naderen tot u! Zondaars, reinigt uw handen; dubbelhartigen, zuivert uw harten!
9Siate afflitti, e fate cordoglio, e piangete; sia il vostro riso convertito in duolo, e l'allegrezza in tristizia.
9Beseft uw ellende, jammert en weent; uw lachen verkere in rouw, en uw vreugde in droefheid!
10Umiliatevi nel cospetto del Signore, ed egli v'innalzerà.
10Vernedert u voor den Heer, en Hij zal u verheffen.
11Non parlate gli uni contro agli altri, fratelli; chi parla contro al fratello, e giudica il suo fratello, parla contro alla legge, e giudica la legge; ora, se tu condanni la legge, tu non sei facitor della legge, ma giudice.
11Broeders, spreekt geen kwaad van elkander! Wie kwaad spreekt van zijn broeder, of den broeder beoordeelt, spreekt kwaad van de wet en oordeelt de wet; maar zo ge haar oordeelt, zijt ge geen werker der wet, maar haar rechter.
12V'è un solo Legislatore, il qual può salvare, e perdere; ma tu, chi sei, che tu condanni altrui?
12Wetgever en Rechter is Eén: Hij die redden kan en verderven. Maar wie zijt gij, dat ge den naaste beoordeelt?
13OR su, voi che dite: Oggi, o domani, andremo in tal città, ed ivi dimoreremo un anno, e mercateremo, e guadagneremo.
13En nu gij daar, die zegt: “Vandaag of morgen zullen we heenreizen naar die of die stad; een jaar zullen we daar blijven, handel drijven en winst maken.”
14Che non sapete ciò che sarà domani; perciocchè, qual' è la vita vostra? poich'ella è un vapore, che apparisce per un poco di tempo , e poi svanisce.
14Gij daar, die niet eens de dag van morgen kent! Wat is uw leven? Een damp immers zijt gij, die een stonde opkomt en dan weer verdwijnt.
15Invece di dire: Se piace al Signore, e se siamo in vita, noi farem questo o quello.
15Neen, gij moest zeggen: “Zo de Heer het wil, zullen we leven, en dit doen of dat!”
16E pure ora voi vi vantate nelle vostre vane glorie; ogni tal vanto è cattivo.
16Maar nu bluft gij in uw verwaandheid; al dergelijk gebluf is verkeerd.
17Vi è adunque peccato a colui che sa fare il bene, e non lo fa.
17Nu dan, hij die weet, dat hij goed heeft te doen en het nalaat, doet zonde.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.