Men Ipru 9
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1A inau kaieu pil a kujoned en wia jaraui mia, o pera jaraui me janjal.
1Ook het eerste verbond had voorschriften omtrent de eredienst en het aardse heiligdom.
2Pwe im likau eu wiauier, a ni pali liki lamp mia, o tepel, o prot en kajanjal; iei waja, me adaneki waja jaraui;
2Want er was een eerste tabernakel, waarin de kandelaar, de tafel en de toonbroden waren geplaatst; dit werd het Heilige genoemd.
3A palila jan pera, ilolon, i waja me adaneki waja jaraui melel.
3Achter het tweede voorhangsel was een tabernakel, die het Heilige der Heiligen genoemd werd.
4Iei wajan pei jaraui kold en kijiniai o kopa en inau, me kitimeki pena kold waja karoj, a dal kold ianaki mana, o en Aron a jokon, me majel pajan, o jlet en inau.
4Dit bevatte naast een gouden reukaltaar ook de ark des verbonds, die geheel met goud was overtrokken, en waarin zich de gouden vaas met het manna bevond, benevens de staf van Aäron die gebloeid had, en de verbondstafelen;
5A ponanin kopa o Kerupin en linan mia, me kompwaledi wajan tom. A anjau wet i jota pan padaki on komail due.
5en daarboven waren de cherubs der glorie, die het zoendeksel overschaduwden. Maar het is niet nodig, hierover thans in bijzonderheden uit te weiden.
6A mepukat karoj lao onoper, jamero kan kin pedelon on nan im likau moa kapwaiada dodok on Kot anjau karoj.
6En wanneer dit alles zó was ingericht, gingen de priesters ten allen tijde in de eerste tabernakel, om er de diensten te verrichten;
7A nan im likau kariau jamero lapalap eta kotilon on kelep pan me pak nan par eu ianaki nta, me a tom kida pein dip a o dip en aramaj akan.
7maar in de tweede alleen de hogepriester, en slechts éénmaal in het jaar en niet zonder het bloed, dat hij offerde voor zijn eigen nalatigheid en voor die van het volk.
8I me Nen jaraui kotin kajanjale kida, me al en nan pera jaraui melel jaikenta wiauier, arain im likau moa mia.
8Hiermee geeft de heilige Geest te verstaan, dat de weg tot het Heiligdom nog niet open staat, zolang de eerste tabernakel nog stand houdt,
9Mepukat karajepa eu en anjau wet, pwe kijakij o mairon en wiaui lole, a re jota kak kapunala nan injen en i, me kin kapwaiada dodok on Kot wet.
9die een afbeelding was van de tegenwoordige tijd. Vandaar dat er gaven en offers worden gebracht, welke den offeraar niet kunnen volmaken naar het geweten,
10Pwe met akan wiauita, pwen pil ian mana o nim, o jon en kamakelekel akan, o tiak en kamaui pali uduk, me pan wiaui, lao lel anjau me mau jon.
10doch die tegelijk met spijzen, dranken en allerlei wassingen enkel vleselijke voorschriften zijn, vastgesteld tot aan de tijd van het volmaakte Bestel.
11A Krijtuj me kotido, pwen jamero lapalap en dipijou en mur, ap kotin weid nan im likau eu, me lapa jan o mau jan men maj o, me kaidin wiaui kidar pa, o me jota udan pali pa et,
11Maar Christus, optredend als Hogepriester der toekomende goederen, is het Heiligdom binnengegaan door de grotere en volmaaktere Tabernakel, welke niet met handen gemaakt is, —dat wil zeggen, welke niet tot deze schepping behoort;
12Pil jota kotikilon ntan kut ol de kau pul a pein nta pan mepak, me a kotikilon nan pera jaraui melel, pwen lapwapan dip joutuk.
12niet door bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen Bloed; ééns voor altijd, daar Hij een eeuwige verlossing verworven had.
13Pwe ma ntan kut o kau ol o paj en kau li ujupeki me jamin kan ap kaminela o kajarauiala pali uduk o,
13Want zo het bloed van bokken en stieren, en de besprenkeling met as van een koe, de onreinen heiligt tot de reinheid van het vlees,
14Daduen ntan Krijtuj jo mau jan kaualap, me tonmeteki pein on Kot ren Nen joutuk, me jota me
14hoeveel te meer zal dan het Bloed van Christus, die door een eeuwigen Geest Zich als smetteloos Offer opdroeg aan God, ons geweten reinigen van dode werken tot de dienst van den levenden God?
15I me a kotin wiala jauntom en inau kap; a matala wiauier, pwen lapwada japun kan, me wiauier pan inau kaieu, pwe irail me paeker akan en ale inau en jojo joutuk.
15En daarom is Hij de Middelaar van een nieuw Testament, en is Hij gestorven tot verzoening van de overtredingen van het eerste, opdat de uitverkorenen de beloofde eeuwige erfenis zouden ontvangen.
16Pwe ma inau en jojo en pwaida, i me wiadar inau o, pan mela maj.
16Want waar een testament is, daar moet de dood van den erflater worden vastgesteld.
17Pwe inau en jojo kak pwaida murin aramaj a mela, ma jo, a join pan kareda meakot, arain mour en i, me wiadar inau o.
17Want het testament wordt eerst bindend door de dood, daar het niet van kracht is, zolang de erflater leeft.
18I me inau kaieu jota pan pwaida, ma nta jo ian.
18Daarom ook is het eerste testament niet ingewijd zonder bloed.
19Pwe kujoned en kapun karoj lau loki on aramaj karoj renMojej, a ap ale ntan kau o kut ianaki pil o wunen man waitata ijop, ap ujupeki puk o aramaj akan karoj, majani:
19Want nadat Moses alle voorschriften der Wet aan heel het volk had afgekondigd, nam hij het bloed van kalveren en bokken met water, purperwol en hysop, en besprenkelde het boek zelf en heel het volk,
20Iet ntan inau, me Kot kotiki on komail er.
20terwijl hij sprak: “Dit is het bloed van het verbond, dat God met u heeft gesloten.”
21A pil ujupeki nta im likau o kapwa en papa kan.
21Eveneens besprenkelde hij de tabernakel en al het benodigde van de eredienst met het bloed;
22O koren ion karoj panmakele kida nta duen kapun o, a ma jo inta, nan jota dip me pan lapwada.
22ook wordt volgens de Wet nagenoeg alles door bloed gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergiffenis.
23I me a mau on mom en dipijou en nanlan kan en kamakelekele kida mepukat. A dipijou en nanlan en kamakele kida mairon eu, me mau jan mepukat.
23Het was dus noodzakelijk, dat de afbeeldingen der hemelse dingen op die wijze werden gereinigd, maar de hemelse dingen zelf door volmaaktere offers.
24Pwe Krijtuj jota kotolon on nan pera jaraui, me pa wiaui kida pwe i mom en me melel, a a kotilon on nan nanlan, pwen pwaralan mon jilan en Kot pweki kitail.
24Want Christus is niet een heiligdom binnengegaan, dat met handen gemaakt is en voorafbeelding is van het waarachtige, maar de hemel zelf, om thans voor Gods aangezicht te verschijnen ten behoeve van ons.
25A jota kotilon on, pwen tomki pein i pan pak toto dueta jamero lapalap, me kin pedelon on nan pera jaraui ni par karoj ianaki ntan man oko.
25Ook droeg Hij Zich niet meermalen op, zoals de hogepriester ieder jaar opnieuw het heiligdom binnenging met het bloed, dat het zijne niet was.
26Ma iduen, nan a pan matala pan pak toto jan nin tapin aramaj akan, a met ni imwin anjau kan, a kotin pwarado pan mepak, pwen lapwada dip akan ki pein a mairon.
26Want dan zou Hij van de schepping der wereld af meermalen hebben moeten lijden, terwijl Hij feitelijk slechts éénmaal en op het einde der tijden verschenen is, om door zijn Offer de zonde te delgen.
27A duen a kileledier on aramaj akan, en mela pan mepak, a muri kadeik o,
27En evenals het voor de mensen is vastgesteld, één enkele maal te sterven, en daarna het oordeel volgt,
28Iduen Krijtuj me matalar pan mepak, pwen lapwada dip en me toto. A ni a pan kotin puredo, a pan pwara don ir, me kin auiaui i, a kaidin pweki dip, a pwen kamaur ir ala.
28zo is ook Christus één enkele maal geofferd, om veler zonden te delgen; en ten tweede male zal Hij verschijnen, niet om wille der zonde, maar tot zaligheid van hen, die Hem verwachten.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.