Psalmen 32
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Berean Standard Bible
1Van David; een leerdicht. Gelukkig hij, wiens schuld is vergeven, Wiens zonde is bedekt;
1Blessed is he whose transgressions are forgiven, whose sins are covered.
2Gelukkig de mens, wiens misdaad Jahweh niet langer gedenkt, In wiens geest geen onoprechtheid meer woont.
2Blessed is the man whose iniquity the LORD does not count against him, in whose spirit there is no deceit.
3Zolang ik bleef zwijgen, werd mijn gebeente verteerd Door mijn kreunen heel de dag;
3When I kept silent, my bones became brittle from my groaning all day long.
4Want uw hand drukte dag en nacht op mij neer, En mijn merg droogde weg in verschroeiende gloed.
4For day and night Your hand was heavy upon me; my strength was drained as in the summer heat. Selah
5Maar toen ik U mijn zonde beleed, Mijn schuld niet verheelde, En sprak: “Ik wil Jahweh mijn misdaad bekennen”; Toen hebt Gij de schuld mijner zonde vergeven.
5Then I acknowledged my sin to You and did not hide my iniquity. I said, “I will confess my transgressions to the LORD,” and You forgave the guilt of my sin. Selah
6Daarom moeten alle vromen U om vergiffenis smeken, Zolang Gij U nog vinden laat; Dan zullen bij de stortvloed de onstuimige wateren Hèn niet bereiken.
6Therefore let all the godly pray to You while You may be found. Surely when great waters rise, they will not come near.
7Gij zijt mijn schutse, en behoedt mij voor rampspoed, Gij omringt mij met jubel van heil!
7You are my hiding place. You protect me from trouble; You surround me with songs of deliverance. Selah
8Nu wil ik u onderricht geven, De weg wijzen, die ge moet gaan; Ik wil u raden, En mijn oog op u richten.
8I will instruct you and teach you the way you should go; I will give you counsel and watch over you.
9Wees niet als paarden Of muilezels zonder verstand, Die men moet mennen met toom en gebit, Of ze gehoorzamen niet.
9Do not be like the horse or mule, which have no understanding; they must be controlled with bit and bridle to make them come to you.
10Veel kommer valt den boze ten deel, Maar de genade omringt wie op Jahweh vertrouwt.
10Many are the sorrows of the wicked, but loving devotion surrounds him who trusts in the LORD.
11Verblijdt u in Jahweh en jubelt, gij vromen, Juicht allen, oprechten van hart!
11Be glad in the LORD and rejoice, O righteous ones; shout for joy, all you upright in heart.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.