Leviticus 26
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Gij moogt u geen afgoden maken, geen afgodsbeelden of wijstenen oprichten, en geen gebeeldhouwde stenen in uw land opstellen, om die te aanbidden; want Ik ben Jahweh, uw God!
1Nedělejte sobě modl, ani obrazu rytého, aneb sloupu nevyzdvihnete sobě, ani kamene malovaného v zemi vaší nestavějte, abyste se jemu klaněli; nebo já jsem Hospodin Bůh váš.
2Onderhoudt mijn sabbatdagen, en hebt eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben Jahweh!
2Sobot mých ostříhejte, a svatyně mé se bojte: Já jsem Hospodin.
3Wanneer ge naar mijn wetten leeft, mijn geboden onderhoudt en ze volbrengt,
3Jestliže v ustanoveních mých choditi budete, a přikázaní mých ostříhajíce, budete je činiti:
4dan schenk Ik u regen op de juiste tijd, zodat het land zijn oogst zal geven en de bomen van het veld hun vruchten.
4Tedy dám vám deště vaše časy svými, a země vydá úrody své, a stromoví polní vydá ovoce své,
5De dorstijd zal tot de wijnoogst duren, en de wijnoogst weer tot de zaaitijd. Gij zult uw brood eten tot verzadigens toe, en onbezorgd in uw land wonen.
5Tak že mlácení postihne vinobraní, a vinobraní postihne setí. I budete jísti chléb svůj do sytosti, a přebývati budete bezpečně v zemi své.
6Dan zal Ik vrede schenken aan het land, zodat gij u ter ruste kunt leggen, zonder dat iemand u opschrikt. Ik zal de wilde dieren uit het land verjagen, en geen zwaard trekt uw land binnen.
6Nebo dám pokoj v zemi, i budete spáti, a nebude, kdo by vás předěsil; vypléním i zvěř zlou z země, a meč nebude procházeti země vaší.
7Gij zult uw vijanden verjagen, en zij zullen vallen door uw zwaard.
7Nýbrž honiti budete nepřátely své, a padnou před vámi od meče.
8Vijf van u zullen er honderd doen vluchten, en honderd van u tienduizend; door uw zwaard zullen uw vijanden vallen.
8Pět vašich honiti jich bude sto, a sto vašich honiti bude deset tisíců, i padnou nepřátelé vaši před vámi od meče.
9Dan zal Ik mijn blik op u richten, u vruchtbaar maken en vermenigvuldigen, en mijn Verbond met u gestand doen.
9Nebo obrátím tvář svou k vám, a dám vám zrůst, a rozmnožím vás, a utvrdím smlouvu svou s vámi.
10Ge zult nog graan van de oude oogst kunnen eten, en het oude voor het nieuwe weg moeten doen.
10A jísti budete úrody několikaleté, a když nové přijdou, staré vyprázdníte.
11Dan zal Ik mijn woning onder u opslaan, u nimmer verwerpen,
11Vzdělám příbytek svůj u prostřed vás, a duše má nebude vás nenáviděti.
12en vertrouwelijk met u omgaan. Ik zal uw God, en gij zult mijn volk zijn.
12A procházeti se budu mezi vámi, a budu Bohem vaším, a vy budete lidem mým.
13Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte heb geleid, zodat ge niet langer hun slaven waart; Ik heb de bomen van uw juk verbroken en u weer recht overeind laten gaan.
13Já jsem Hospodin Bůh váš, kterýž jsem vyvedl vás z země Egyptských, abyste jim nesloužili, a polámal jsem závory jha vašeho, abyste chodili prosti.
14Maar wanneer ge niet naar Mij luistert en al deze geboden niet onderhoudt,
14Pakli nebudete mne poslouchati, a nebudete činiti všech přikázaní těchto,
15wanneer ge mijn voorschriften veracht en mijn wetten versmaadt, mijn geboden verkracht en mijn Verbond verbreekt,
15A jestli ustanovení má zavržete, a soudy mé zoškliví-li sobě duše vaše, tak abyste nečinili všech přikázaní mých, a zrušili byste smlouvu mou:
16dan zal Ik zo met u handelen: Ik zal u met ijselijke rampen bezoeken, met tering en koorts, die de ogen doven en de ziel doen versmachten. Dan zaait ge uw zaad tevergeefs; want uw vijanden eten het op.
16Já také toto učiním vám: Uvedu na vás strach, souchotiny a zimnici pálčivou, což zkazí oči vaše, a bolestí naplní duši. Semeno své nadarmo síti budete, nebo nepřátelé vaši snědí je.
17Ik zal u mijn gramschap doen voelen, zodat gij door uw vijanden wordt verslagen, en die u haten, over u zullen heersen, en gij op de vlucht slaat, ofschoon niemand u achtervolgt.
17Postavím zůřivou tvář svou proti vám, tak že poraženi budete od nepřátel svých, a panovati budou nad vámi ti, kteříž vás nenávidí. Utíkati budete, ano vás žádný nehoní.
18En als ge Mij dan nog niet gehoorzaamt, dan blijf Ik u tuchtigen voor uw zonden tot zevenmaal toe.
18Jestliže ani tak poslouchati mne nebudete, tedy ještě sedmkrát více trestati vás budu pro hříchy vaše.
19Uw trotse kracht zal Ik breken, de hemel boven u van ijzer maken, en de grond onder u van koper.
19A potru vyvýšenost síly vaší, a učiním nebe nad vámi jako železo, a zemi vaši jako měď.
20Dan put gij uw kracht uit om niet; uw bodem geeft u geen oogst en de bomen der aarde geen vruchten.
20Nadarmo bude vynaložena síla vaše, nebo země vaše nevydá vám úrody své, a stromoví země nevydá ovoce svého.
21En zo ge u dan nog tegen Mij blijft verzetten, en naar Mij niet wilt luisteren, dan tuchtig Ik u opnieuw voor uw zonden tot zevenmaal toe.
21Jestliže pak se mnou maní zacházeti budete, a nebudete mne chtíti poslouchati, tedy přidám na vás sedmkrát více ran vedlé hříchů vašich.
22Dan laat Ik wilde dieren op u los, die u kinderloos maken, uw vee verscheuren, en uw getal zo doen slinken, dat uw wegen verlaten liggen.
22A pustím na vás zvěř polní, kteráž uvede na vás sirobu, a vyhubí hovada vaše a umenší vás; i zpustnou cesty vaše.
23En zo ge u nog altijd niet door Mij laat gezeggen en u tegen Mij blijft verzetten,
23Pakli ani potom nenapravíte se, ale vždy se mnou maní zacházeti budete,
24dan zal ook Ik Mij tegen u verzetten, en u tuchtigen om uw zonden tot zevenmaal toe.
24I já s vámi maní zacházeti budu, a bíti vás budu sedmkrát více pro hříchy vaše.
25Dan laat Ik het zwaard op u los, om het Verbond bloedig te wreken. Kruipt ge in uw steden bijeen, dan zend Ik de pest onder u, zodat ge toch in de handen van uw vijanden valt.
25A uvedu na vás meč, kterýž vrchovatě pomstí zrušení smlouvy. I shrnete se do měst svých; tam pošli mor mezi vás, a dáni budete v ruce nepřátelům.
26Dan breek Ik de broodstaf bij u, zodat tien vrouwen uw brood in één oven bakken, het u geven volgens gewicht, en gij niet eens volop kunt eten.
26A když polámi vám hůl chleba, tedy deset žen péci bude chléb váš v peci jedné, a zase chléb váš odvažovati vám budou. Budete pak jísti, a nenasytíte se.
27En wanneer ge dan nog niet gehoorzaamt en u tegen Mij blijft verzetten,
27Pakli i s tím nebudete mne poslouchati, ale předce maní se mnou zacházeti budete:
28dan zal ook Ik in mijn woede Mij tegen u blijven verzetten, en u tuchtigen om uw zonden tot zevenmaal toe.
28I já také v hněvě maní s vámi zacházeti budu, a trestati vás budu i já sedmkrát více pro hříchy vaše.
29Dan zult ge het vlees van uw zonen eten en het vlees van uw dochters.
29A budete jísti těla synů svých, a těla dcer svých.
30Uw offerhoogten zal Ik verwoesten en uw huisaltaren vernielen, uw lijken voor uw afgodsbeelden smijten, en een walg van u krijgen.
30A zkazím výsosti vaše, a vypléním slunečné obrazy vaše, a skladu těla vaše na špalky ukydaných bohů vašich, a duše má bude vás nenáviděti.
31Ik zal uw steden tot puinhopen maken, uw heiligdommen vernielen, de heerlijke geuren van uw reukoffers niet ruiken.
31Města vaše dám v zpuštění, a učiním, aby zpustly svatyně vaše, aniž více zachutnám oběti vůně příjemné vaší.
32Ik zal het land verwoesten, zodat uw vijanden, die het zullen bewonen, er verstomd over staan.
32Já zpustím zemi, tak že ztrnou nad ní nepřátelé vaši, kteříž bydliti budou v ní.
33Ik zal u verstrooien onder de volken, en het zwaard achter u ontbloten. Dan zal uw land een wildernis worden, en uw steden zullen puinhopen zijn.
33Vás pak rozptýlím mezi národy, a učiním, aby s dobytým mečem vás honili. I bude země vaše vyhubena, a města vaše zpustnou.
34Al de tijd, dat het land woest ligt en gij in het land uwer vijanden zijt, haalt het zijn sabbatten in; dan zal het rusten en krijgt het zijn sabbatjaren vergoed.
34A tehdy země užive sobot svých po všecky dny, v nichž pustá bude, vy pak budete v zemi nepřátel svých. Tehdáž, pravím, odpočine země, a užive sobot svých.
35Al de tijd dat het woest ligt, zal het rusten, omdat het op uw sabbatjaren geen rust heeft gehad, zolang gij er bleeft wonen.
35Po všecky dny, v nichž pustá bude, odpočívati bude; nebo neodpočívala v soboty vaše, když jste vy bydlili v ní.
36Dan stort Ik hen, die zijn overgebleven en in het land hunner vijanden zijn, een verbijsterende schrik in het hart; het geritsel van een dor blad jaagt hen op, en zij slaan op de vlucht, zoals men wegrent voor een zwaard. Zij zullen vallen, ofschoon niemand hen achtervolgt;
36Kteříž pak ještě pozůstanou z vás, uvedu strach na srdce jejich v krajinách nepřátel jejich, tak že zažene je chřest listu větrem chřestícího. I budou utíkati, rovně jako před mečem, a padnou, an jich žádný honiti nebude.
37zij struikelen over elkander als zit hen het zwaard op de hielen, ofschoon niemand achter hen is. Voor uw vijanden zult ge geen stand houden,
37A budou padati jeden přes druhého jakožto od meče, ač jich žádný honiti nebude; aniž kdo z vás bude moci ostáti před nepřátely svými.
38maar onder de volken te gronde gaan, en het land uwer vijanden zal u verslinden.
38I zahynete mezi národy, a zžíře vás země nepřátel vašich.
39En wie van u zijn overgebleven, kwijnen weg om hun zonden in de landen hunner vijanden; ook om de zonden van hun vaderen kwijnen ze weg.
39Kteříž pak pozůstanou z vás, svadnouti budou pro nepravost svou v zemi nepřátel vašich, ano i pro nepravosti otců vašich s nimi usvadnou.
40Maar dan zullen zij hun zonde en die hunner vaderen bekennen, hoe zij ontrouw tegen Mij zijn geweest; hoe zij zich tegen Mij hebben verzet,
40Ale jestliže budou vyznávati nepravost svou, a nepravost otců svých vedlé přestoupení svého, kterýmž přestoupili proti mně, a maní se mnou zacházeli,
41en Ik Mij tegen hen moest verzetten, en hen naar het land hunner vijanden heb gevoerd. En wanneer zij dan hun onbesneden hart zullen buigen, en boete doen voor hun zonde,
41I já také že jsem maní s nimi zacházel, a uvedl je do země nepřátel jejich; jestliže, pravím, tehdáž poníží se srdce jejich neobřezané, a schválí pokutu nepravosti své:
42zal Ik mijn Verbond met Jakob gedenken, mijn Verbond met Isaäk en Abraham. Dan zal Ik het land weer gedenken,
42Tedy rozpomenu se na smlouvu svou s Jákobem, a na smlouvu svou s Izákem, i na smlouvu svou s Abrahamem rozpomenu se; také i na tu zemi pamětliv budu.
43het land dat door hen moest worden verlaten en zijn sabbatten inhaalde; dat om hen verwoest bleef liggen, terwijl zij hun zonde moesten boeten, daar ze mijn wetten hadden veracht en mijn voorschriften hadden versmaad.
43Mezi tím země jsuc jich zbavena, užive sobot svých, kdyžto zpuštěna bude pro ně. Tehdáž oni schválí pokutu nepravosti své proto, že všelijak soudy mými pohrdali, a ustanovení má zošklivila sobě duše jejich.
44Neen, zelfs in het land hunner vijanden, verwerp Ik hen niet en stoot ze niet van Mij weg, om hen te verdelgen en mijn Verbond met hen te verbreken; want Ik ben Jahweh, hun God!
44A však i tak, když by v zemi nepřátel svých byli, nezavrhl bych jich, a nezošklivil jich sobě, abych je měl do konce zkaziti, a zrušiti smlouvu svou s nimi; nebo já jsem Hospodin Bůh jejich.
45Maar Ik zal voor hen het Verbond met hun vaderen gedenken, die Ik voor de ogen der volken uit Egypte heb geleid, om hun God te zijn: Ik Jahweh!
45Ale rozpomenu se na ně pro smlouvu učiněnou s předky jejich, kteréž jsem vyvedl z země Egyptské před očima pohanů, abych jim byl za Boha: Já Hospodin.
46Dit zijn de voorschriften, instellingen en wetten, die Jahweh op de berg Sinaï door Moses heeft gegeven als geldend tussen Hem en de kinderen Israëls.
46Ta jsou ustanovení a soudové, i zákonové, kteréž vydal Hospodin na hoře Sinai skrze Mojžíše, aby byli mezi ním a mezi syny Izraelskými.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.