Leviticus
Chapter 20
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Jahweh sprak tot Moses:
1And the LORD spoke unto Moses, saying:
2Zeg tot de kinderen Israëls: Wie van de Israëlieten en van de vreemden, die in Israël wonen, een van zijn kinderen aan den Molok offert, moet worden gedood. Het volk van het land moet hem stenigen.
2Moreover, thou shalt say to the children of Israel: Whosoever he be of the children of Israel, or of the strangers that sojourn in Israel, that giveth of his seed unto Molech; he shall surely be put to death; the people of the land shall stone him with stones.
3Ik zal zo iemand mijn gramschap doen voelen en hem van zijn volk afsnijden, omdat hij een van zijn kinderen aan den Molok heeft geofferd, om mijn heiligdom te verontreinigen en mijn heilige Naam te ontwijden.
3I also will set My face against that man, and will cut him off from among his people, because he hath given of his seed unto Molech, to defile My sanctuary, and to profane My holy name.
4En al zouden de bewoners van het land voor zo iemand de ogen sluiten en hem niet doden, ofschoon hij een van zijn kinderen aan den Molok heeft geofferd,
4And if the people of the land do at all hide their eyes from that man, when he giveth of his seed unto Molech, and put him not to death;
5Ik zal zo iemand en zijn geslacht mijn gramschap doen voelen, en hem, en allen, die hem volgen in zijn afgodische verering van den Molok, van hun volk afsnijden.
5then I will set My face against that man, and against his family, and will cut him off, and all that go astray after him, to go astray after Molech, from among their people.
6Ook hem, die zijn toevlucht neemt tot spoken of waarzeggende geesten, en ze achterna loopt, zal Ik mijn gramschap doen voelen, en hem van zijn volk afsnijden.
6And the soul that turneth unto the ghosts, and unto the familiar spirits, to go astray after them, I will even set My face against that soul, and will cut him off from among his people.
7Gij moet u heilig gedragen en heilig zijn; want Ik, Jahweh, ben uw God!
7Sanctify yourselves therefore, and be ye holy; for I am the LORD your God.
8Gij moet mijn voorschriften onderhouden, en daarnaar handelen. Ik, Jahweh, ben het, die u heilig!
8And keep ye My statutes, and do them: I am the LORD who sanctify you.
9Iemand die zijn vader of moeder vervloekt, moet worden gedood. Zo hij zijn vader of moeder heeft vervloekt, rust bloedschuld op hem.
9For whatsoever man there be that curseth his father or his mother shall surely be put to death; he hath cursed his father or his mother; his blood shall be upon him.
10Wie overspel begaat met de vrouw van een ander, moet ter dood worden gebracht; de echtbreker zowel als de echtbreekster.
10And the man that committeth adultery with another man's wife, even he that committeth adultery with his neighbour's wife, both the adulterer and the adulteress shall surely be put to death.
11Wie gemeenschap heeft met de vrouw van zijn vader, onteert zijn vader; beiden moeten ter dood worden gebracht: er rust bloedschuld op hen.
11And the man that lieth with his father's wife — he hath uncovered his father's nakedness — both of them shall surely be put to death; their blood shall be upon them.
12Wanneer iemand gemeenschap met zijn schoondochter houdt, moeten beiden ter dood worden gebracht; zij hebben een schanddaad begaan: er rust bloedschuld op hen.
12And if a man lie with his daughter-in-law, both of them shall surely be put to death; they have wrought corruption; their blood shall be upon them.
13Wanneer iemand bij een man ligt als bij een vrouw, bedrijven beiden een gruweldaad; zij moeten ter dood worden gebracht: er rust bloedschuld op hen.
13And if a man lie with mankind, as with womankind, both of them have committed abomination: they shall surely be put to death; their blood shall be upon them.
14Wanneer iemand een dochter tegelijk met haar moeder neemt, begaat hij bloedschande; men moet die beiden verbranden: bloedschande mag onder u niet voorkomen.
14And if a man take with his wife also her mother, it is wickedness: they shall be burnt with fire, both he and they; that there be no wickedness among you.
15Wie een dier misbruikt, moet ter dood worden gebracht; ook het dier moet worden gedood.
15And if a man lie with a beast, he shall surely be put to death; and ye shall slay the beast.
16Wanneer een vrouw zich door een of ander dier laat schenden, moet gij de vrouw en het dier doden; zij moeten worden gedood: er rust bloedschuld op hen.
16And if a woman approach unto any beast, and lie down thereto, thou shalt kill the woman, and the beast: they shall surely be put to death; their blood shall be upon them.
17Wanneer iemand zijn zuster neemt, de dochter van zijn vader of die van zijn moeder, en zij gemeenschap met elkaar houden, dan is dat bloedschande, en zij moeten voor de ogen van hun volksgenoten worden uitgeroeid; zo hij gemeenschap met zijn zuster heeft gehad, moet hij zijn schuld boeten.
17And if a man shall take his sister, his father's daughter, or his mother's daughter, and see her nakedness, and she see his nakedness: it is a shameful thing; and they shall be cut off in the sight of the children of their people: he hath uncovered his sister's nakedness; he shall bear his iniquity.
18Wanneer iemand slaapt bij een vrouw in haar stonden en gemeenschap met haar houdt, zodat hij de plaats van haar vloeiing onthult en zij de plaats van haar bloedvloeiing ontbloot, dan moeten beiden van hun volk worden afgesneden.
18And if a man shall lie with a woman having her sickness, and shall uncover her nakedness — he hath made naked her fountain, and she hath uncovered the fountain of her blood — both of them shall be cut off from among their people.
19Gij moogt geen gemeenschap houden met de zuster van uw moeder of met die van uw vader; want dan heeft men gemeenschap met zijn naaste bloedverwant: hun schuld zullen ze boeten.
19And thou shalt not uncover the nakedness of thy mother's sister, nor of thy father's sister; for he hath made naked his near kin; they shall bear their iniquity.
20Wanneer iemand gemeenschap heeft met zijn tante, onteert hij zijn oom; hun zonde zullen ze boeten en kinderloos sterven.
20And if a man shall lie with his uncle's wife — he hath uncovered his uncle's nakedness — they shall bear their sin; they shall die childless.
21Wanneer iemand de vrouw van zijn broer neemt, bedrijft hij iets afschuwelijks; hij onteert zijn broer; zij zullen kinderloos blijven.
21And if a man shall take his brother's wife, it is impurity: he hath uncovered his brother's nakedness; they shall be childless.
22Onderhoudt al mijn voorschriften en wetten, en volbrengt ze, opdat het land, waarheen Ik u breng, om er te wonen, u niet uitspuwt.
22Ye shall therefore keep all My statutes, and all Mine ordinances, and do them, that the land, whither I bring you to dwell therein, vomit you not out.
23Leeft niet naar de zeden van de volken, die Ik voor u zal verjagen. Want omdat zij dit alles hebben gedaan, heb Ik een afschuw van hen gekregen,
23And ye shall not walk in the customs of the nation, which I am casting out before you; for they did all these things, and therefore I abhorred them.
24en u gezegd: Neemt gij hun land in bezit; Ik geef het u in eigendom, een land, dat druipt van melk en honing: Ik Jahweh, uw God, die u van de volken heb afgezonderd!
24But I have said unto you: 'Ye shall inherit their land, and I will give it unto you to possess it, a land flowing with milk and honey.' I am the LORD your God, who have set you apart from the peoples.
25Maakt dus onderscheid tussen reine en onreine viervoetige dieren, tussen onreine en reine vogels, en bezoedelt u niet aan de viervoetige dieren, de vogels, en aan al wat over de aarde kruipt, die Ik u als onrein heb onthouden.
25Ye shall therefore separate between the clean beast and the unclean, and between the unclean fowl and the clean; and ye shall not make your souls detestable by beast, or by fowl, or by any thing wherewith the ground teemeth, which I have set apart for you to hold unclean.
26Gij moet heilig voor Mij zijn, omdat Ik, Jahweh, heilig ben en u van de volken heb afgezonderd, om Mij toe te behoren.
26And ye shall be holy unto Me; for I the LORD am holy, and have set you apart from the peoples, that ye should be Mine.
27De man of vrouw, die onder u als tovenaar of waarzegger optreedt, moet worden gedood; men moet hen stenigen, er rust bloedschuld op hen.
27A man also or a woman that divineth by a ghost or a familiar spirit, shall surely be put to death; they shall stone them with stones; their blood shall be upon them.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.