Leviticus 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Jahweh sprak tot Moses.
1And the LORD spoke unto Moses, saying:
2Beveel de Israëlieten, dat zij u voor de kandelaar zuivere olie uit gestoten olijven brengen, om de lamp daarmee voortdurend te onderhouden.
2'Command the children of Israel, that they bring unto thee pure olive oil beaten for the light, to cause a lamp to burn continually.
3In de openbaringstent buiten het voorhangsel voor de verbondsark moet Aäron ze voortdurend voor het aanschijn van Jahweh van de avond tot de morgen onderhouden. Dit is een eeuwig geldende wet voor al uw geslachten.
3Without the veil of the testimony, in the tent of meeting, shall Aaron order it from evening to morning before the LORD continually; it shall be a statute for ever throughout your generations.
4Op de kandelaar van zuiver goud moet hij zonder onderbreking de lampen onderhouden voor het aanschijn van Jahweh.
4He shall order the lamps upon the pure candlestick before the LORD continually.
5Bovendien moet gij meelbloem nemen, en er twaalf koeken van bakken; twee issaron voor iedere koek.
5And thou shalt take fine flour, and bake twelve cakes thereof: two tenth parts of an ephah shall be in one cake.
6Ge moet ze in twee stapels van zes op de tafel van zuiver goud leggen voor het aanschijn van Jahweh.
6And thou shalt set them in two rows, six in a row, upon the pure table before the LORD.
7Leg op iedere stapel zuivere wierook; dit is het reukoffer bij het brood, het vuuroffer voor Jahweh.
7And thou shalt put pure frankincense with each row, that it may be to the bread for a memorial-part, even an offering made by fire unto the LORD.
8Onafgebroken moet men ze iedere sabbat opnieuw voor Jahweh neerleggen; dit is een eeuwige verplichting voor de kinderen Israëls.
8Every sabbath day he shall set it in order before the LORD continually; it is from the children of Israel, an everlasting covenant.
9Het zal Aäron en zijn zonen ten deel vallen, en zij moeten het eten op een heilige plaats. Want het is hoogheilig; het is voor eeuwig zijn wettig deel van de vuuroffers van Jahweh.
9And it shall be for Aaron and his sons; and they shall eat it in a holy place; for it is most holy unto him of the offerings of the LORD made by fire, a perpetual due.'
10Eens mengde zich de zoon van een israëlietische vrouw en van een Egyptenaar onder de Israëlieten, en kreeg in de legerplaats twist met een Israëliet.
10And the son of an Israelitish woman, whose father was an Egyptian, went out among the children of Israel; and the son of the Israelitish woman and a man of Israel strove together in the camp.
11En daar de zoon van de Israëlietische de Naam verwenste en vervloekte, bracht men hem tot Moses. Zijn moeder heette Sjelomit, en was de dochter van Dibri uit de stam van Dan.
11And the son of the Israelitish woman blasphemed the Name, and cursed; and they brought him unto Moses. And his mother's name was Shelomith, the daughter of Dibri, of the tribe of Dan.
12Men zette hem in verzekerde bewaring, tot Moses een beslissing zou nemen volgens de uitspraak van Jahweh.
12And they put him in ward, that it might be declared unto them at the mouth of the LORD.
13En Jahweh sprak tot Moses:
13And the LORD spoke unto Moses, saying:
14Breng den godslasteraar buiten de legerplaats; laat allen, die het gehoord hebben, hun handen op zijn hoofd leggen, en heel de gemeenschap hem stenigen.
14'Bring forth him that hath cursed without the camp; and let all that heard him lay their hands upon his head, and let all the congregation stone him.
15En tot de Israëlieten moet ge zeggen: Iedereen, die zijn God vervloekt, maakt zich schuldig aan zonde;
15And thou shalt speak unto the children of Israel, saying: Whosoever curseth his God shall bear his sin.
16en wie de Naam van Jahweh lastert, moet worden gedood. Heel de gemeenschap moet hem stenigen; zowel de vreemdeling als de ingezetene moet worden gedood, wanneer zij de Naam vervloeken.
16And he that blasphemeth the name of the LORD, he shall surely be put to death; all the congregation shall certainly stone him; as well the stranger, as the home-born, when he blasphemeth the Name, shall be put to death.
17Wanneer iemand een mens, wien ook, doodt, moet hij worden gedood;
17And he that smiteth any man mortally shall surely be put to death.
18leven voor leven.
18And he that smiteth a beast mortally shall make it good: life for life.
19Wanneer iemand zijn naaste letsel toebrengt, moet hem worden vergolden, wat hij een ander heeft aangedaan.
19And if a man maim his neighbour; as he hath done, so shall it be done to him:
20Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; het letsel, dat iemand een ander toebrengt, moet hem worden toegebracht.
20breach for breach, eye for eye, tooth for tooth; as he hath maimed a man, so shall it be rendered unto him.
21Wie een dier doodt, moet het vergoeden; wie een mens doodt, moet worden gedood.
21And he that killeth a beast shall make it good; and he that killeth a man shall be put to death.
22Diezelfde wet moet bij u gelden voor den vreemdeling zowel als voor den ingezetene. Want Ik ben Jahweh, uw God!
22Ye shall have one manner of law, as well for the stranger, as for the home-born; for I am the LORD your God.'
23Zo sprak Moses tot de Israëlieten. Toen bracht men den godslasteraar buiten de legerplaats, en stenigde hem; de Israëlieten deden, wat Jahweh Moses bevolen had.
23And Moses spoke to the children of Israel, and they brought forth him that had cursed out of the camp, and stoned him with stones. And the children of Israel did as the LORD commanded Moses.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.