Exodus 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Nu sprak Jahweh tot Moses:
1ΚΑΙ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
2Zeg de kinderen Israëls, dat zij van richting veranderen en zich moeten legeren bij Pi-Hachirot, tussen Migdol en de zee; bij de zee recht tegenover Baal-Sefon moet ge uw legerplaats opslaan.
2λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ, καὶ ἀποστρέψαντες στρατοπεδευσάτωσαν ἀπέναντι τῆς ἐπαύλεως, ἀνὰ μέσον Μαγδώλου καὶ ἀνὰ μέσον τῆς θαλάσσης, ἐξεναντίας Βεελσεπφῶν, ἐνώπιον αὐτῶν στρατοπεδεύσεις ἐπὶ τῆς θαλάσσης.
3Dan zal Farao denken, dat de Israëlieten in het land zijn verdwaald en in de woestijn zijn blijven steken.
3καὶ ἐρεῖ Φαραὼ τῷ λαῷ αὐτοῦ· οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ πλανῶνται οὗτοι ἐν τῇ γῇ· συγκέκλεικε γὰρ αὐτοὺς ἡ ἔρημος.
4En Ik zal het hart van Farao verharden, zodat hij hen achterna zal zetten. Dan zal Ik mijn heerlijkheid tonen aan Farao en heel zijn legermacht, en de Egyptenaren zullen weten, dat Ik Jahweh ben. Zo deden ze dan.
4ἐγὼ δὲ σκληρυνῶ τὴν καρδίαν Φαραώ, καὶ καταδιώξεται ὀπίσω αὐτῶν· καὶ ἐνδοξασθήσομαι ἐν Φαραὼ καὶ ἐν πᾶσι τῇ στρατιᾷ αὐτοῦ, καὶ γνώσονται πάντες οἱ Αἰγύπτιοι ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος. καὶ ἐποίησαν οὕτως.
5Toen dan ook aan den koning van Egypte werd bericht, dat het volk was gevlucht, sloeg de stemming van Farao en zijn hovelingen jegens het volk om, en ze dachten: Wat hebben we toch gedaan, dat we Israël uit onze dienst hebben laten wegtrekken?
5καὶ ἀνηγγέλη τῷ βασιλεῖ τῶν Αἰγυπτίων ὅτι πέφευγεν ὁ λαός· καὶ μετεστράφη ἡ καρδία Φαραὼ καὶ τῶν θεραπόντων αὐτοῦ ἐπὶ τὸν λαόν, καὶ εἶπαν· τί τοῦτο ἐποιήσαμεν τοῦ ἐξαποστεῖλαι τοὺς υἱοὺς Ἰσραήλ, τοῦ μὴ δουλεύειν ἡμῖν;
6Hij liet zijn wagen inspannen, riep zijn krijgsvolk op,
6ἔζευξεν οὖν Φαραὼ τὰ ἅρματα αὐτοῦ καὶ πάντα τὸν λαὸν αὐτοῦ συναπήγαγε μεθ᾿ ἑαυτοῦ
7en nam zes honderd van de beste strijdwagens, behalve de overige wagens van Egypte, alle met de dapperste strijders bezet.
7καὶ λαβὼν ἑξακόσια ἅρματα ἐκλεκτὰ καὶ πᾶσαν τὴν ἵππον τῶν Αἰγυπτίων καὶ τριστάτας ἐπὶ πάντων.
8Want Jahweh had het hart van Farao, den koning van Egypte, verhard, zodat hij de Israëlieten achtervolgde, ofschoon de kinderen Israëls waren vertrokken onder de schutse van een machtige hand.
8καὶ ἐσκλήρυνε Κύριος τὴν καρδίαν Φαραὼ βασιλέως Αἰγύπτου καὶ τῶν θεραπόντων αὐτοῦ, καὶ κατεδίωξεν ὀπίσω τῶν υἱῶν Ἰσραήλ· οἱ δὲ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐξεπορεύοντο ἐν χειρὶ ὑψηλῇ.
9De Egyptenaren joegen hen na met al de paarden en wagens van Farao, met zijn ruiters en leger, en bereikten hen, terwijl ze nog aan de zee waren gelegerd bij Pi-Hachirot, tegenover Baal-Sefon.
9καὶ κατεδίωξαν οἱ Αἰγύπτιοι ὀπίσω αὐτῶν καὶ εὕροσαν αὐτοὺς παρεμβεβληκότας παρὰ τὴν θάλασσαν, καὶ πᾶσα ἡ ἵππος καὶ τὰ ἅρματα Φαραὼ καὶ οἱ ἱππεῖς καὶ ἡ στρατιὰ αὐτοῦ ἀπέναντι τῆς ἐπαύλεως ἐξεναντίας Βεελσεπφῶν.
10Toen Farao zo dicht was genaderd, en de Israëlieten hun ogen opsloegen, zagen zij ineens de Egyptenaren achter zich aan. Nu werden de kinderen Israëls zeer beangst, riepen Jahweh aan,
10καὶ Φαραὼ προσῆγε· καὶ ἀναβλέψαντες οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ τοῖς ὀφθαλμοῖς ὁρῶσι, καὶ οἱ Αἰγύπτιοι ἐστρατοπέδευσαν ὀπίσω αὐτῶν, καὶ ἐφοβήθησαν σφόδρα· ἀνεβόησαν δὲ οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ πρὸς Κύριον,
11en zeiden tot Moses: Waren er in Egypte geen graven genoeg, dat ge ons hebt meegenomen, om te sterven in de woestijn? Wat hebt ge gedaan, met ons uit Egypte weg te voeren!
11καὶ εἶπαν πρὸς Μωυσῆν· παρὰ τὸ μὴ ὑπάρχειν μνήματα ἐν γῇ Αἰγύπτῳ ἐξήγαγες ἡμᾶς θανατῶσαι ἐν τῇ ἐρήμῳ; τί τοῦτο ἐποίησας ἡμῖν ἐξαγαγὼν ἐξ Αἰγύπτου;
12Hebben we u al niet in Egypte gezegd: Laat ons met rust! We willen de Egyptenaren blijven dienen; want het is beter, de Egyptenaren te dienen, dan te sterven in de woestijn.
12οὐ τοῦτο ἦν τὸ ρῆμα, ὃ ἐλαλήσαμεν πρὸς σὲ ἐν Αἰγύπτῳ, λέγοντες· πάρες ἡμᾶς, ὅπως δουλεύσωμεν τοῖς Αἰγυπτίοις; κρεῖσσον γὰρ ἡμᾶς δουλεύειν τοῖς Αἰγυπτίοις ἢ ἀποθανεῖν ἐν τῇ ἐρήμῳ ταύτῃ.
13Maar Moses sprak tot het volk: Weest maar niet bang; blijft staan en ge zult de hulp van Jahweh ondervinden, die Hij u heden verleent. Waarachtig, de Egyptenaren, die ge op het ogenblik ziet, zult ge nooit meer zien, in der eeuwigheid niet!
13εἶπε δὲ Μωυσῆς πρὸς τὸν λαόν· θαρσεῖτε, στῆτε καὶ ὁρᾶτε τὴν σωτηρίαν τὴν παρὰ τοῦ Κυρίου, ἣν ποιήσει ἡμῖν σήμερον· ὃν τρόπον γὰρ ἑωράκατε τοὺς Αἰγυπτίους σήμερον, οὐ προσθήσεσθε ἔτι ἰδεῖν αὐτοὺς εἰς τὸν αἰῶνα χρόνον·
14Jahweh zal voor u strijden; gij kunt rustig toeschouwen.
14Κύριος πολεμήσει περὶ ὑμῶν, καὶ ὑμεῖς σιγήσετε.
15Nu sprak Jahweh tot Moses: Wat roept ge tot Mij? Beveel de Israëlieten, op te breken!
15Εἶπε δὲ Κύριος πρὸς Μωυσῆν· τί βοᾷς πρός με; λάλησον τοῖς υἱοῖς Ἰσραήλ, καὶ ἀναζευξάτωσαν·
16Steek uw staf in de hoogte, strek uw hand uit over de zee en splijt haar in tweeën, zodat de kinderen Israëls droogvoets door de zee kunnen gaan.
16καὶ σὺ ἔπαρον τῇ ράβδῳ σου καὶ ἔκτεινον τὴν χεῖρά σου ἐπὶ τὴν θάλασσαν καὶ ρῆξον αὐτήν, καὶ εἰσελθάτωσαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ εἰς μέσον τῆς θαλάσσης κατὰ τὸ ξηρόν.
17Zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verharden, zodat ze achter hen aan zullen trekken; dan zal Ik mijn heerlijkheid tonen aan Farao en zijn legermacht, aan zijn wagens en ruiters.
17καὶ ἰδοὺ ἐγὼ σκληρυνῶ τὴν καρδίαν Φαραὼ καὶ τῶν Αἰγυπτίων πάντων, καὶ εἰσελεύσονται ὀπίσω αὐτῶν· καὶ ἐνδοξασθήσομαι ἐν Φαραὼ καὶ ἐν πάσῃ τῇ στρατιᾷ αὐτοῦ καὶ ἐν τοῖς ἅρμασι καὶ ἐν τοῖς ἵπποις αὐτοῦ.
18En wanneer Ik mijn heerlijkheid aan Farao, zijn wagens en ruiters getoond heb, zullen de Egyptenaren weten, dat Ik Jahweh ben!
18καὶ γνώσονται πάντες οἱ Αἰγύπτιοι ὅτι ἐγώ εἰμι Κύριος, ἐνδοξαζομένου μου ἐν Φαραὼ καὶ ἐν τοῖς ἅρμασι καὶ ἵπποις αὐτοῦ.
19Toen veranderde de engel Gods, die het leger van Israël vooruitging, van plaats, en stelde zich achter hen; de wolkkolom verliet de plaats aan hun spits en ging achter hen staan.
19ἐξῇρε δὲ ὁ ἄγγελος τοῦ Θεοῦ ὁ προπορευόμενος τῆς παρεμβολῆς τῶν υἱῶν Ἰσραὴλ καὶ ἐπορεύθη ἐκ τῶν ὄπισθεν· ἐξῇρε δὲ καὶ ὁ στῦλος τῆς νεφέλης ἀπὸ προσώπου αὐτῶν καὶ ἔστη ἐκ τῶν ὀπίσω αὐτῶν.
20Zo stond de wolk tussen het leger der Egyptenaren en dat van Israël in: aan de ene kant was zij donker, aan de andere kant verlichtte zij de nacht, zodat gedurende de hele nacht de een den ander niet kon naderen.
20καὶ εἰσῆλθεν ἀνὰ μέσον τῆς παρεμβολῆς τῶν Αἰγυπτίων καὶ ἀνὰ μέσον τῆς παρεμβολῆς Ἰσραὴλ καὶ ἔστη· καὶ ἐγένετο σκότος καὶ γνόφος, καὶ διῆλθεν ἡ νύξ, καὶ οὐ συνέμιξαν ἀλλήλοις ὅλην τὴν νύκτα·
21Nu strekte Moses zijn hand uit over de zee. En Jahweh wierp de zee terug door een sterke oostenwind, die de hele nacht bleef waaien. Hij maakte de zee droog land; want de wateren waren in tweeën gespleten.
21ἐξέτεινε δὲ Μωυσῆς τὴν χεῖρα ἐπὶ τὴν θάλασσαν, καὶ ὑπήγαγε Κύριος τὴν θάλασσαν ἐν ἀνέμῳ νότῳ βιαίῳ ὅλην τὴν νύκτα καὶ ἐποίησε τὴν θάλασσαν ξηράν, καὶ ἐσχίσθη τὸ ὕδωρ.
22En de kinderen Israëls trokken droogvoets midden door de zee, daar de wateren aan hun rechter(-) en hun linkerzij als een muur bleven staan.
22καὶ εἰσῆλθον οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ εἰς μέσον τῆς θαλάσσης κατὰ τὸ ξηρόν, καὶ τὸ ὕδωρ αὐτῆς τεῖχος ἐκ δεξιῶν καὶ τεῖχος ἐξ εὐωνύμων·
23De Egyptenaren joegen hen na, en alle paarden van Farao met zijn wagens en ruiters trokken achter hen aan naar het midden der zee.
23καὶ κατεδίωξαν οἱ Αἰγύπτιοι καὶ εἰσῆλθον ὀπίσω αὐτῶν, πᾶς ἵππος Φαραὼ καὶ τὰ ἅρματα καὶ οἱ ἀναβάται, εἰς μέσον τῆς θαλάσσης.
24Maar in de morgenstond wierp Jahweh in de vuur(-) en wolkkolom een blik op het leger der Egyptenaren: Hij bracht het leger der Egyptenaren in verwarring,
24ἐγενήθη δὲ ἐν τῇ φυλακῇ τῇ ἑωθινῇ καὶ ἐπέβλεψε Κύριος ἐπὶ τὴν παρεμβολὴν τῶν Αἰγυπτίων ἐν στύλῳ πυρὸς καὶ νεφέλης καὶ συνετάραξε τὴν παρεμβολὴν τῶν Αἰγυπτίων
25liet de raderen van hun wagens aflopen, en vertraagde hun mars. En de Egyptenaren riepen: Laat ons vluchten voor Israël; want Jahweh strijdt voor hen tegen Egypte!
25καὶ συνέδησε τοὺς ἄξονας τῶν ἁρμάτων αὐτῶν καὶ ἤγαγεν αὐτοὺς μετὰ βίας. καὶ εἶπαν οἱ Αἰγύπτιοι· φύγωμεν ἀπὸ προσώπου Ἰσραήλ, ὁ γὰρ Κύριος πολεμεῖ περὶ αὐτῶν τοὺς Αἰγυπτίους.
26Nu sprak Jahweh tot Moses: Strek uw hand uit over de zee; dan golven de wateren terug over de Egyptenaren met hun wagens en ruiters.
26εἶπε δὲ Κύριος πρὸς Μωυσῆν· ἔκτεινον τὴν χεῖρά σου ἐπὶ τὴν θάλασσαν, καὶ ἀποκαταστήτω τὸ ὕδωρ καὶ ἐπικαλυψάτω τοὺς Αἰγυπτίους, ἐπί τε τὰ ἅρματα καὶ τοὺς ἀναβάτας.
27Moses strekte zijn hand uit over het water, en tegen de morgen golfde de zee naar haar oude plaats terug. En toen de Egyptenaren naar de andere kant wilden vluchten, dreef Jahweh ze terug naar het midden der zee;
27ἐξέτεινε δὲ Μωυσῆς τὴν χεῖρα ἐπὶ τὴν θάλασσαν, καὶ ἀποκατέστη τὸ ὕδωρ πρὸς ἡμέραν ἐπὶ χώρας· οἱ δὲ Αἰγύπτιοι ἔφυγον ὑπὸ τὸ ὕδωρ, καὶ ἐξετίναξε Κύριος τοὺς Αἰγυπτίους μέσον τῆς θαλάσσης.
28de wateren stroomden terug en overstelpten al de wagens en ruiters van het leger van Farao, die hen in de zee achtervolgden; geen een bleef er over.
28καὶ ἐπαναστραφὲν τὸ ὕδωρ ἐκάλυψε τὰ ἅρματα καὶ τοὺς ἀναβάτας καὶ πᾶσαν τὴν δύναμιν Φαραώ, τοὺς εἰσπορευομένους ὀπίσω αὐτῶν, εἰς τὴν θάλασσαν, καὶ οὐ κατελήφθη ἐξ αὐτῶν οὐδὲ εἷς.
29Maar Israëls kinderen waren droogvoets midden door de zee getrokken, daar de wateren aan hun rechter(-) en linkerzij als een muur bleven staan.
29οἱ δὲ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐπορεύθησαν διὰ ξηρᾶς ἐν μέσῳ τῆς θαλάσσης, τὸ δὲ ὕδωρ αὐτῆς τεῖχος ἐκ δεξιῶν, καὶ τεῖχος ἐξ εὐωνύμων.
30Zo redde Jahweh Israël op die dag uit de greep van Egypte, en zag Israël de lijken der Egyptenaren op het strand der zee.
30καὶ ἐρρύσατο Κύριος τὸν Ἰσραὴλ ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἐκ χειρὸς τῶν Αἰγυπτίων· καὶ εἶδεν Ἰσραὴλ τοὺς Αἰγυπτίους τεθνηκότας παρὰ τὸ χεῖλος τῆς θαλάσσης.
31En toen het volk van Israël het machtige wonder aanschouwde, dat Jahweh aan de Egyptenaren had gewrocht, kreeg het ontzag voor Jahweh, en vertrouwde het op Jahweh en op zijn dienaar Moses.
31εἶδε δὲ Ἰσραὴλ τὴν χεῖρα τὴν μεγάλην, ἃ ἐποίησε Κύριος τοῖς Αἰγυπτίοις· ἐφοβήθη δὲ ὁ λαὸς τὸν Κύριον καὶ ἐπίστευσαν τῷ Θεῷ καὶ Μωυσῇ τῷ θεράποντι αὐτοῦ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.