1 Samuel 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1Maar nauwelijks was Saul van zijn krijgstocht tegen de Filistijnen teruggekeerd en had hij de tijding ontvangen, dat David zich in de woestijn van En-Gédi ophield,
1扫罗 追赶 非利士 人回来,有人告诉他说:「 大卫 在 隐·基底 的旷野。」
2of hij koos drieduizend van de beste krijgers uit heel Israël, en ging oostelijk van de Steenbokrotsen David met zijn mannen zoeken.
2扫罗 就从 以色列 人中挑选三千精兵,率领他们往野羊的磐石去,寻索 大卫 和跟随他的人。
3Zo kwam Saul bij de schaapskooien langs de weg. Daar was een spelonk, waar hij binnenging, om zijn behoefte te doen; David met zijn mannen echter zaten achter in de spelonk!
3到了路旁的羊圈,在那里有洞, 扫罗 进去大解。 大卫 和跟随他的人正藏在洞里的深处。
4En de mannen van David zeiden tot hem: Dit is de dag, waarop Jahweh u zegt: Zie, Ik geef u den vijand in uw macht, om met hem naar believen te handelen. David stond op, en sneed ongemerkt de slip van Sauls mantel af.
4跟随的人对 大卫 说:「耶和华曾应许你说:『我要将你的仇敌交在你手里,你可以任意待他。』如今时候到了!」 大卫 就起来,悄悄地割下 扫罗 外袍的衣襟。
5Maar het hart begon hem te bonsen, alleen reeds door het afsnijden van Sauls slip.
5随后 大卫 心中自责,因为割下 扫罗 的衣襟;
6En daarom zeide hij tot zijn mannen: Jahweh beware mij ervoor, zo iets mijn heer, den gezalfde van Jahweh, aan te doen, of zelfs mijn hand tegen hem op te heffen; want hij is de gezalfde van Jahweh.
6对跟随他的人说:「我的主乃是耶和华的受膏者,我在耶和华面前万不敢伸手害他,因他是耶和华的受膏者。」
7Zo bedaarde David zijn mannen, en liet niet toe, dat ze Saul aanrandden. Toen Saul de spelonk had verlaten, en zijn weg vervolgde,
7大卫 用这话拦住跟随他的人,不容他们起来害 扫罗 。 扫罗 起来,从洞里出去行路。
8stond David aanstonds op, verliet de spelonk en riep Saul achterna: Heer koning! En toen Saul omkeek, wierp David zich uit eerbied op zijn knieën, met het gezicht naar de grond.
8随后 大卫 也起来,从洞里出去,呼叫 扫罗 说:「我主,我王!」 扫罗 回头观看, 大卫 就屈身、脸伏于地下拜。
9En David sprak tot Saul: Waarom luistert gij naar de praatjes der mensen, als zou David uw ongeluk willen?
9大卫 对 扫罗 说:「你为何听信人的谗言,说 大卫 想要害你呢?
10Ge kunt nu met eigen ogen zien, dat Jahweh u in de spelonk aan mij had overgeleverd. Maar ik wilde u niet doden; ik heb u gespaard en gezegd: Ik zal mijn hand niet opheffen tegen mijn heer; want hij is de gezalfde van Jahweh.
10今日你亲眼看见在洞中,耶和华将你交在我手里;有人叫我杀你,我却爱惜你,说:『我不敢伸手害我的主,因为他是耶和华的受膏者。』
11Mijn vader, zie, zie de slip van uw mantel, die ik in mijn hand heb! Ja, de slip van uw mantel heb ik afgesneden, maar u niet gedood. Erken dus, dat ik geen boze of misdadige bedoelingen heb. Ik heb u niets willen doen, terwijl gij het op mijn leven gemunt hebt.
11我父啊,看看你外袍的衣襟在我手中。我割下你的衣襟,没有杀你;你由此可以知道我没有恶意叛逆你。你虽然猎取我的命,我却没有得罪你。
12Jahweh zal oordelen tussen mij en u, Jahweh zal mij op u wreken; maar mijn hand wordt niet tegen u opgeheven!
12愿耶和华在你我中间判断是非,在你身上为我伸冤,我却不亲手加害于你。
13Want zoals het oude spreekwoord zegt: Van bozen komt boosheid voort! Daarom wordt mijn hand niet tegen u opgeheven.
13古人有句俗语说:『恶事出于恶人。』我却不亲手加害于你。
14Tegen wien is eigenlijk de koning van Israël opgerukt? Wien achtervolgt gij? Een dode hond, een vlo!
14以色列 王出来要寻找谁呢?追赶谁呢?不过追赶一条死狗,一个虼蚤就是了。
15Jahweh zal rechter zijn, en oordelen tussen mij en u; Hij zal toezien, mijn zaak verdedigen, en mij recht verschaffen tegen u.
15愿耶和华在你我中间施行审判,断定是非,并且鉴察,为我伸冤,救我脱离你的手。」
16Toen David deze toespraak tot Saul had beëindigd, vroeg Saul: Is dat niet uw stem, mijn zoon David? En nu begon Saul luidkeels te wenen.
16大卫 向 扫罗 说完这话, 扫罗 说:「我儿 大卫 ,这是你的声音吗?」就放声大哭,
17En hij sprak tot David: Gij zijt beter dan ik; want gij hebt het kwaad, dat ik u deed, met goed vergolden.
17对 大卫 说:「你比我公义;因为你以善待我,我却以恶待你。
18Vandaag hebt gij getoond, dat ge mij goed gezind zijt. Jahweh heeft mij in uw macht gegeven, en ge hebt mij niet gedood.
18你今日显明是以善待我;因为耶和华将我交在你手里,你却没有杀我。
19Want als iemand zijn vijand ontmoet, laat hij hem dan rustig gaan? Daarom zal Jahweh u belonen voor wat gij vandaag aan mij hebt gedaan.
19人若遇见仇敌,岂肯放他平安无事地去呢?愿耶和华因你今日向我所行的,以善报你。
20Ja, ik weet, dat gij koning wordt, en dat het koningschap van Israël in uw handen bestendig zal zijn.
20我也知道你必要作王, 以色列 的国必坚立在你手里。
21Welnu, zweer mij dan bij Jahweh, dat ge mijn nageslacht niet zult verdelgen en mijn naam niet zult uitwissen uit het huis van mijn vader.
21现在你要指着耶和华向我起誓,不剪除我的后裔,在我父家不灭没我的名。」
22En David bezwoer het hem. Toen ging Saul huiswaarts, en David keerde met zijn mannen naar de bergvesting terug.
22于是 大卫 向 扫罗 起誓, 扫罗 就回家去; 大卫 和跟随他的人上山寨去了。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.