Osee Propheta 5
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Audite hoc, sacerdotes, et attendite, domus Israël, et domus regis, auscultate: quia vobis judicium est, quoniam laqueus facti estis speculationi, et rete expansum super Thabor.
1Luistert nu, priesters; Huis van Israël, let op; Huis des konings, hoort toe: Want u geldt het vonnis! Want gij zijt een strik voor Mispa geworden, Een net over de Tabor gespannen,
2Et victimas declinastis in profundum; et ego eruditor omnium eorum.
2Een diepe groeve voor Sjittim: Maar Ik zal u allen een gesel zijn!
3Ego scio Ephraim, et Israël non est absconditus a me: quia nunc fornicatus est Ephraim; contaminatus est Israël.
3Efraïm ligt voor Mij open, En Israël kan zich voor Mij niet verbergen: Gij, Efraïm, hebt ontucht bedreven, En Israël heeft zich bezoedeld.
4Non dabunt cogitationes suas ut revertantur ad Deum suum, quia spiritus fornicationum in medio eorum, et Dominum non cognoverunt.
4Hun daden zijn er niet op gericht, Om zich tot hun God te bekeren; Want een geest van ontucht heerst in hun midden, En Jahweh kennen ze niet!
5Et respondebit arrogantia Israël in facie ejus, et Israël et Ephraim ruent in iniquitate sua: ruet etiam Judas cum eis.
5De onbeschaamdheid Ligt Israël op het gelaat; Efraïm komt door zijn eigen misdaad ten val, Ook Juda struikelt met hem.
6In gregibus suis et in armentis suis vadent ad quærendum Dominum, et non invenient: ablatus est ab eis.
6Met hun schapen en vee Willen ze Jahweh gaan zoeken; Maar ze vinden Hem niet: Hij onttrekt zich aan hen.
7In Dominum prævaricati sunt, quia filios alienos genuerunt: nunc devorabit eos mensis, cum partibus suis.
7Want ze hebben hun trouw aan Jahweh gebroken, En bastaardkinderen verwekt; Nu zal de verdelger ze verslinden, Henzelf en hun akkers.
8Clangite buccina in Gabaa, tuba in Rama; ululate in Bethaven, post tergum tuum, Benjamin.
8Blaast de bazuin in Giba, De trompet in Rama; Schreeuwt het uit in Bet-Awen, Schrikt Benjamin op!
9Ephraim in desolatione erit in die correptionis; in tribubus Israël ostendi fidem.
9Efraïm zal een wildernis worden, Op de dag der kastijding; De stammen Israëls kondig Ik aan Wat vast is besloten.
10Facti sunt principes Juda quasi assumentes terminum; super eos effundam quasi aquam iram meam.
10De vorsten van Juda zijn grenzenvervalsers; Als water stort Ik mijn gramschap over hen uit.
11Calumniam patiens est Ephraim, fractus judicio, quoniam cœpit abire post sordes.
11Efraïm verdrukt en verkracht het recht, Want hunkerend loopt hij het bederf achterna!
12Et ego quasi tinea Ephraim, et quasi putredo domui Juda.
12Voor Efraïm zal Ik zijn als de mot, Voor het huis van Juda als wormsteek!
13Et vidit Ephraim languorem suum, et Juda vinculum suum; et abiit Ephraim ad Assur, et misit ad regem ultorem: et ipse non poterit sanare vos, nec solvere poterit a vobis vinculum.
13Efraïm zal zijn broosheid bemerken, Juda zijn etterende wonde. Efraïm zal zich tot Assjoer wenden, Juda gezanten zenden naar “Grote Koning”; Maar die zal u niet kunnen genezen, Uw wonde niet helen.
14Quoniam ego quasi leæna Ephraim, et quasi catulus leonis domui Juda. Ego, ego capiam, et vadam; tollam, et non est qui eruat.
14Want Ik zal voor Efraïm zijn als de leeuw, Als een leeuwenwelp voor het huis van Juda. Ik zal ze verscheuren, dan loop Ik heen; Ik sleep ze weg, en niemand, die Mij mijn prooi ontrukt. Dan keer Ik terug naar mijn plaats,
15Vadens revertar ad locum meum, donec deficiatis, et quæratis faciem meam.]
15Totdat ze boete doen, mijn aangezicht zoeken, En hunkeren naar Mij in hun nood:
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.