Osee Propheta
Chapter 2

Osee Propheta

Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Osee Propheta 2

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Dicite fratribus vestris: Populus meus; et sorori vestræ: Misericordiam consecuta.
1Uw broeder zal men noemen: “Mijn volk”; Uw zuster: “Ontferming”!
2[Judicate matrem vestram, judicate, quoniam ipsa non uxor mea, et ego non vir ejus. Auferat fornicationes suas a facie sua, et adulteria sua de medio uberum suorum;
2Klaagt uw moeder aan, Klaagt haar aan, Omdat zij mijn vrouw niet meer is, Ik haar man niet meer ben. Laat ze haar ontucht weg doen van haar gelaat, En haar overspel tussen haar borsten.
3ne forte expoliem eam nudam, et statuam eam secundum diem nativitatis suæ, et ponam eam quasi solitudinem, et statuam eam velut terram inviam, et interficiam eam siti.
3Anders kleed Ik haar uit, helemaal naakt, En laat haar, zoals ze geboren werd; Ik maak van haar een woestijn, een uitgedroogd land, En laat ze sterven van dorst.
4Et filiorum illius non miserebor, quoniam filii fornicationum sunt.
4Ook over haar kinderen ontferm Ik Mij niet; Want het zijn kinderen uit ontucht.
5Quia fornicata est mater eorum, confusa est quæ concepit eos; quia dixit: Vadam post amatores meos, qui dant panes mihi, et aquas meas, lanam meam, et linum meum, oleum meum, et potum meum.
5Want hun moeder heeft ontucht bedreven, Die hen baarde, heeft zich met schande bedekt; Ze sprak: Ik loop mijn minnaars achterna, Die mij brood en water verschaffen, Mijn wol en mijn vlas, Mijn olie en dranken.
6Propter hoc ecce ego sepiam viam tuam spinis, et sepiam eam maceria, et semitas suas non inveniet.
6Daarom zal Ik haar paden met doornen omheinen, Met muren versperren, zodat ze haar weg niet meer vindt.
7Et sequetur amatores suos, et non apprehendet eos; et quæret eos, et non inveniet: et dicet: Vadam, et revertar ad virum meum priorem, quia bene mihi erat tunc magis quam nunc.
7Loopt ze haar minnaars nog na, dan bereikt zij ze niet, Zoekt zij ze nog, dan vindt zij ze niet. Dan zal ze zeggen: Ik keer terug naar mijn vroegeren man Want toen had ik het beter dan nu.
8Et hæc nescivit, quia ego dedi ei frumentum, et vinum, et oleum, et argentum multiplicavi ei, et aurum, quæ fecerunt Baal.
8Zij heeft niet willen erkennen, dat Ik het was, Die haar koren, wijn en olie verschafte, Dat Ik haar zilver in overvloed schonk, En goud, waar zij Báals van maakte;
9Idcirco convertar, et sumam frumentum meum in tempore suo, et vinum meum in tempore suo. Et liberabo lanam meam et linum meum, quæ operiebant ignominiam ejus.
9Daarom zal Ik haar bij de oogst mijn koren ontnemen, De wijn als de tijd ervoor aanbreekt.
10Et nunc revelabo stultitiam ejus in oculis amatorum ejus; et vir non eruet eam de manu mea;
10Ik zal haar mijn wol en mijn vlas onthouden, Die haar naaktheid moeten bedekken; Voor haar minnaars haar schaamte ontbloten, Niemand zal ze uit mijn hand kunnen redden.
11et cessare faciam omne gaudium ejus, solemnitatem ejus, neomeniam ejus, sabbatum ejus, et omnia festa tempora ejus.
11Dan maak Ik een einde aan al haar vreugd, Haar hoogtij, nieuwemaan, haar sabbat en feesten!
12Et corrumpam vineam ejus, et ficum ejus, de quibus dixit: Mercedes hæ meæ sunt, quas dederunt mihi amatores mei; et ponam eam in saltum, et comedet eam bestia agri.
12Ik zal haar wijnstok vernielen, En haar vijg, waarvan ze gezegd heeft: Dit zijn de geschenken, Die mijn minnaars mij gaven; Ik zal er woeste struiken van maken, En de wilde dieren vreten ze kaal.
13Et visitabo super eam dies Baalim, quibus accendebat incensum, et ornabatur in aure sua, et monili suo. Et ibat post amatores suos, et mei obliviscebatur, dicit Dominus.
13Ik zal haar de dagen der Báals doen boeten, Waarop zij offers aan hen heeft gebracht, En zich tooide met ringen en snoeren; Waarop zij haar minnaars achterna is gelopen, Maar Mij heeft vergeten: Is de godsspraak van Jahweh!
14Propter hoc ecce ego lactabo eam, et ducam eam in solitudinem, et loquar ad cor ejus.
14Zie, daarom zal ook Ik haar lokken, Haar brengen in de woestijn, en spreken tot haar hart.
15Et dabo ei vinitores ejus ex eodem loco, et vallem Achor, ad aperiendam spem; et canet ibi juxta dies juventutis suæ, et juxta dies ascensionis suæ de terra Ægypti.
15Dan geef Ik ze haar wijngaarden terug, Het Akordal als poort der hoop.
16Et erit in die illa, ait Dominus: vocabit me, Vir meus, et non vocabit me ultra Baali.
16Dan zal ze weer jubelen als op de dag van haar jeugd, Toen ze optrok uit het land van Egypte. Op die dag zal het zijn, Is de godsspraak van Jahweh, Dat ze Mij zal noemen: “mijn man”, En niet meer “mijn báal”!
17Et auferam nomina Baalim de ore ejus, et non recordabitur ultra nominis eorum.
17Want Ik zal de namen der Báals uit haar mond doen verdwijnen, Zodat ze nooit meer worden genoemd.
18Et percutiam cum eis fœdus in die illa, cum bestia agri, et cum volucre cæli, et cum reptili terræ; et arcum, et gladium, et bellum conteram de terra, et dormire eos faciam fiducialiter.
18Op die dag sluit Ik voor haar een verbond Met de beesten op het veld, Met de vogels in de lucht, En met de kruipende dieren op aarde. Boog, zwaard en krijgsmacht zal Ik uit het land verwijderen, En zorgen, dat men er veilig kan rusten.
19Et sponsabo te mihi in sempiternum; et sponsabo te mihi in justitia, et judicio, et in misericordia, et in miserationibus.
19Ik zal Mij verloven met u, Verloven voor eeuwig: Naar recht en naar wet, In goedheid en liefde;
20Et sponsabo te mihi in fide; et scies quia ego Dominus.
20Mij verloven met u in onwrikbare trouw, En gij zult Jahweh leren kennen!
21Et erit in die illa: exaudiam, dicit Dominus, exaudiam cælos, et illi exaudient terram.
21Op die dag zal Ik mijn gunsten verlenen, Is de godsspraak van Jahweh! Ik zal goedgunstig zijn voor de hemel En die zal het zijn voor de aarde;
22Et terra exaudiet triticum, et vinum, et oleum, et hæc exaudient Jezrahel.
22De aarde weer voor het koren, de wijn en de olie, En zij weer goedgunstig voor Jizreël!
23Et seminabo eam mihi in terra, et miserebor ejus quæ fuit Absque misericordia.
23Ik zal haar weer zaaien in het land: Mij weer ontfermen Over “Zonder ontferming”; Spreken tot “Niet langer mijn volk”: Ge zijt weer mijn volk; En hij zal zeggen: Mijn God!
24Et dicam Non populo meo: Populus meus es tu; et ipse dicet: Deus meus es tu.]
no verse 24 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.