I Samuelis
Chapter 8
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

I Samuelis 8

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Factum est autem cum senuisset Samuel, posuit filios suos judices Israël.
1Toen Samuël oud begon te worden, stelde hij zijn zonen als rechters over Israël aan.
2Fuitque nomen filii ejus primogeniti Joël: et nomen secundi Abia, judicum in Bersabee.
2Zijn oudste zoon heette Joël, de tweede Abija; zij spraken recht te Beër-Sjéba.
3Et non ambulaverunt filii illius in viis ejus: sed declinaverunt post avaritiam, acceperuntque munera, et perverterunt judicium.
3Zij volgden echter zijn voorbeeld niet, maar waren op eigen voordeel uit, namen steekpenningen aan en verkrachtten het recht.
4Congregati ergo universi majores natu Israël, venerunt ad Samuelem in Ramatha.
4Daarom kwamen al de oudsten van Israël bijeen, begaven zich naar Samuël te Rama,
5Dixeruntque ei: Ecce tu senuisti, et filii tui non ambulant in viis tuis: constitue nobis regem, ut judicet nos, sicut et universæ habent nationes.
5en zeiden tot hem: Gij zijt oud geworden, en uw zonen volgen uw voorbeeld niet. Geef ons liever een koning, om ons te regeren, zoals ook alle andere volken hebben.
6Displicuit sermo in oculis Samuelis, eo quod dixissent: Da nobis regem, ut judicet nos. Et oravit Samuel ad Dominum.
6Maar het voorstel, dat ze gedaan hadden: “Geef ons een koning, om ons te regeren”, was in de ogen van Samuël een misdaad. Hij bad tot Jahweh,
7Dixit autem Dominus ad Samuelem: Audi vocem populi in omnibus quæ loquuntur tibi: non enim te abjecerunt, sed me, ne regnem super eos.
7en Jahweh sprak tot Samuël: Wees het volk terwille in alles wat ze u voorstellen. Want niet u hebben ze verworpen, maar Mij; Mij willen ze niet meer als Koning over zich hebben.
8Juxta omnia opera sua quæ fecerunt, a die qua eduxi eos de Ægypto usque ad diem hanc: sicut dereliquerunt me, et servierunt diis alienis, sic faciunt etiam tibi.
8Juist zoals ze met Mij hebben gedaan van de dag af, dat Ik hen opvoerde uit Egypte tot heden toe, door Mij te verlaten en vreemde goden te dienen, zo doen ze ook nu met u.
9Nunc ergo vocem eorum audi: verumtamen contestare eos, et prædic eis jus regis, qui regnaturus est super eos.
9Welnu, geef ze hun zin; alleen moet ge ze uitdrukkelijk waarschuwen, en hun het recht van den koning voorhouden, die over hen regeren zal.
10Dixit itaque Samuel omnia verba Domini ad populum, qui petierat a se regem.
10Samuël bracht aan het volk, dat hem een koning had gevraagd, alles over wat Jahweh gezegd had.
11Et ait: Hoc erit jus regis, qui imperaturus est vobis: filios vestros tollet, et ponet in curribus suis: facietque sibi equites et præcursores quadrigarum suarum,
11Hij sprak tot hen: Aldus is het recht van den koning, die over u gaat heersen. Over uw zonen mag hij beschikken, om ze bij zijn wagens en ruiterij onder te brengen, en ze vóór zijn wagen te laten lopen;
12et constituet sibi tribunos, et centuriones, et aratores agrorum suorum, et messores segetum, et fabros armorum et curruum suorum.
12om ze in zijn dienst te stellen als hoofdman van duizend en vijftig; om zijn akker om te ploegen, zijn oogst binnen te halen en zijn oorlogs- en wapentuig te vervaardigen.
13Filias quoque vestras faciet sibi unguentarias, et focarias, et panificas.
13Over uw dochters mag hij beschikken als zalvenmengsters, keukenmeisjes en kooksters.
14Agros quoque vestros, et vineas, et oliveta optima tollet, et dabit servis suis.
14Van uw akkers, uw wijngaarden en olijftuinen mag hij de beste in beslag nemen, om die weg te schenken aan zijn dienaars.
15Sed et segetes vestras et vinearum reditus addecimabit, ut det eunuchis et famulis suis.
15Van uw zaailanden en uw wijngaarden mag hij het tiende heffen, om het aan zijn hovelingen en ambtenaren te geven.
16Servos etiam vestros, et ancillas, et juvenes optimos, et asinos, auferet, et ponet in opere suo.
16Uw slaven en slavinnen, uw beste runderen en ezels mag hij opeisen, om die voor zijn eigen werk te gebruiken.
17Greges quoque vestros addecimabit, vosque eritis ei servi.
17Van uw schapen mag hij het tiende heffen; en zelf zult gij zijn slaven zijn.
18Et clamabitis in die illa a facie regis vestri, quem elegistis vobis: et non exaudiet vos Dominus in die illa, quia petistis vobis regem.
18En mocht gij in de toekomst u beklagen over den koning, dien ge u verkozen hebt, dan zal Jahweh u niet verhoren.
19Noluit autem populus audire vocem Samuelis, sed dixerunt: Nequaquam: rex enim erit super nos,
19Maar het volk wilde niet luisteren naar de waarschuwing van Samuël, en zeide: Toch moet er een koning over ons zijn!
20et erimus nos quoque sicut omnes gentes: et judicabit nos rex noster, et egredietur ante nos, et pugnabit bella nostra pro nobis.
20We willen gelijk zijn aan alle andere volken; onze koning moet ons besturen, aan onze spits voor ons uitrukken en onze oorlogen voeren.
21Et audivit Samuel omnia verba populi, et locutus est ea in auribus Domini.
21Toen Samuël al de eisen van het volk had gehoord, bracht hij ze aan Jahweh over.
22Dixit autem Dominus ad Samuelem: Audi vocem eorum, et constitue super eos regem. Et ait Samuel ad viros Israël: Vadat unusquisque in civitatem suam.
22En Jahweh sprak tot Samuël: Geef ze hun zin, en stel een koning over hen aan. Nu sprak Samuël tot de Israëlieten: Gaat allen terug naar uw stad!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.