Leviticus 14
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the LORD spoke unto Moses, saying:
1Jahweh sprak tot Moses:
2This shall be the law of the leper in the day of his cleansing: he shall be brought unto the priest.
2Dit is de wet op den melaatse. Op de dag van zijn reinverklaring moet hij voor den priester worden gebracht,
3And the priest shall go forth out of the camp; and the priest shall look, and, behold, if the plague of leprosy be healed in the leper;
3die zich buiten de legerplaats moet begeven. Ziet de priester, dat de melaatse van zijn melaatsheid is genezen,
4then shall the priest command to take for him that is to be cleansed two living clean birds, and cedar-wood, and scarlet, and hyssop.
4dan moet hij voor hem, die rein verklaard moet worden, twee levende reine vogels laten halen met cederhout, karmozijn en hysop.
5And the priest shall command to kill one of the birds in an earthen vessel over running water.
5De priester moet een der vogels boven een aarden vat met levend water laten slachten.
6As for the living bird, he shall take it, and the cedar-wood, and the scarlet, and the hyssop, and shall dip them and the living bird in the blood of the bird that was killed over the running water.
6Vervolgens moet hij de levende vogel nemen; bovendien het cederhout, het karmozijn en de hysop, en die met de levende vogel in het bloed dopen van de vogel, die boven het levend water is geslacht.
7And he shall sprinkle upon him that is to be cleansed from the leprosy seven times, and shall pronounce him clean, and shall let go the living bird into the open field.
7Hiermee moet hij zeven maal hem besprenkelen, die van de melaatsheid gereinigd moet worden. Zo reinigt hij hem. Daarna moet hij de levende vogel in het vrije veld loslaten.
8And he that is to be cleansed shall wash his clothes, and shave off all his hair, and bathe himself in water, and he shall be clean; and after that he may come into the camp, but shall dwell outside his tent seven days.
8Vervolgens moet hij, die gereinigd werd, nog zijn kleren wassen, al zijn haar afscheren, en zich baden; dan is hij rein, en mag hij in de legerplaats komen. Maar hij moet nog zeven dagen lang buiten zijn tent blijven.
9And it shall be on the seventh day, that he shall shave all his hair off his head and his beard and his eyebrows, even all his hair he shall shave off; and he shall wash his clothes, and he shall bathe his flesh in water, and he shall be clean.
9Op de zevende dag moet hij al zijn haar afscheren, zijn hoofdhaar, zijn baard en zijn wenkbrauwen; al zijn haar moet hij wegscheren, zijn kleren wassen en zijn lichaam baden; dan is hij rein.
10And on the eighth day he shall take two he-lambs without blemish, and one ewe-lamb of the first year without blemish, and three tenth parts of an ephah of fine flour for a meal-offering, mingled with oil, and one log of oil.
10Op de achtste dag moet hij twee gave lammeren nemen en een eenjarig ooilam zonder gebrek; verder drie issaron meelbloem met olie gemengd voor het spijsoffer, en bovendien één log olie.
11And the priest that cleanseth him shall set the man that is to be cleansed, and those things, before the LORD, at the door of the tent of meeting.
11De priester, die de reiniging voltrekt, zal hem, die rein verklaard moet worden, met die gaven voor Jahweh’s aanschijn plaatsen aan de ingang van de openbaringstent.
12And the priest shall take one of the he-lambs, and offer him for a guilt-offering, and the log of oil, and wave them for a wave-offering before the LORD.
12Nu moet de priester een van de lammeren nemen, en dit met de log olie als schuldoffer opdragen, en ze als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden.
13And he shall kill the he-lamb in the place where they kill the sin-offering and the burnt-offering, in the place of the sanctuary; for as the sin-offering is the priest's, so is the guilt-offering; it is most holy.
13Dan moet hij het lam slachten op de heilige plaats, waar men het zonde(-) en brandoffer slacht; want dit schuldoffer komt evenals het zondeoffer den priester toe; het is hoogheilig.
14And the priest shall take of the blood of the guilt-offering, and the priest shall put it upon the tip of the right ear of him that is to be cleansed, and upon the thumb of his right hand, and upon the great toe of his right foot.
14Daarna moet de priester wat bloed van het schuldoffer nemen, en het hem, die rein moet worden verklaard op de rechteroorlel strijken, op de rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet.
15And the priest shall take of the log of oil, and pour it into the palm of his own left hand.
15Vervolgens moet de priester iets van de log olie nemen, op zijn eigen linker handpalm gieten,
16And the priest shall dip his right finger in the oil that is in his left hand, and shall sprinkle of the oil with his finger seven times before the LORD.
16de vinger van zijn rechterhand in de olie dopen, die op zijn linkerhand ligt, en een weinig van die olie met zijn vinger zeven maal voor het aanschijn van Jahweh sprenkelen.
17And of the rest of the oil that is in his hand shall the priest put upon the tip of the right ear of him that is to be cleansed, and upon the thumb of his right hand, and upon the great toe of his right foot, upon the blood of the guilt-offering.
17Van de rest van de olie, die op zijn hand ligt, moet de priester iets op de rechteroorlel, op de rechterduim en op de grote teen van de rechtervoet strijken van hem, die rein verklaard moet worden, en wel bovenop het bloed van het schuldoffer.
18And the rest of the oil that is in the priest's hand he shall put upon the head of him that is to be cleansed; and the priest shall make atonement for him before the LORD.
18Wat dan nog over is van de olie, die op zijn hand ligt, moet de priester op het hoofd uitstorten van hem, die rein verklaard moet worden; zo zal de priester verzoening voor hem verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh.
19And the priest shall offer the sin-offering, and make atonement for him that is to be cleansed because of his uncleanness; and afterward he shall kill the burnt-offering.
19Vervolgens moet de priester het zondeoffer opdragen, en voor hem, die gereinigd moet worden, verzoening verkrijgen van de onreinheid. Tenslotte moet de priester het brandoffer slachten,
20And the priest shall offer the burnt-offering and the meal-offering upon the altar; and the priest shall make atonement for him, and he shall be clean.
20en het op het altaar met het spijsoffer opdragen. Zo zal de priester voor hem verzoening verkrijgen, en is hij rein.
21And if he be poor, and his means suffice not, then he shall take one he-lamb for a guilt-offering to be waved, to make atonement for him, and one tenth part of an ephah of fine flour mingled with oil for a meal-offering, and a log of oil;
21Wanneer hij te arm is en die kosten niet kan betalen, behoeft hij maar één lam te nemen voor het schuldoffer om het als strekoffer aan te bieden en voor zich verzoening te verkrijgen; bovendien een issaron meelbloem met olie gemengd voor het spijsoffer en een log olie.
22and two turtle-doves, or two young pigeons, such as his means suffice for; and the one shall be a sin-offering, and the other a burnt-offering.
22Verder twee tortels of twee jonge duiven, naar gelang hij kan betalen; de ene voor het zondeoffer, de andere voor het brandoffer.
23And on the eighth day he shall bring them for his cleansing unto the priest, unto the door of the tent of meeting, before the LORD.
23Op de achtste dag moet hij ze voor zijn reiniging naar den priester brengen bij de ingang van de openbaringstent, voor het aanschijn van Jahweh.
24And the priest shall take the lamb of the guilt-offering, and the log of oil, and the priest shall wave them for a wave-offering before the LORD.
24Nu moet de priester het lam voor het schuldoffer nemen met de log olie, en ze voor het aanschijn van Jahweh als een strekoffer aanbieden;
25And he shall kill the lamb of the guilt-offering, and the priest shall take of the blood of the guilt-offering, and put it upon the tip of the right ear of him that is to be cleansed, and upon the thumb of his right hand, and upon the great toe of his right foot.
25en het lam voor het schuldoffer slachten. Daarna moet de priester wat bloed van dat schuldoffer nemen, het hem, die gereinigd moet worden, op de rechteroorlel strijken, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet.
26And the priest shall pour of the oil into the palm of his own left hand.
26Vervolgens moet de priester wat van de olie op zijn eigen linker handpalm gieten,
27And the priest shall sprinkle with his right finger some of the oil that is in his left hand seven times before the LORD.
27en met zijn rechtervinger zeven maal een weinig van de olie, die op zijn linkerhand ligt, voor het aanschijn van Jahweh sprenkelen.
28And the priest shall put of the oil that is in his hand upon the tip of the right ear of him that is to be cleansed, and upon the thumb of his right hand, and upon the great toe of his right foot, upon the place of the blood of the guilt-offering.
28Van de rest van de olie, die op zijn hand ligt, moet de priester hem, die gereinigd moet worden, iets op de rechteroorlel strijken, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet, en wel boven op het bloed van het schuldoffer.
29And the rest of the oil that is in the priest's hand he shall put upon the head of him that is to be cleansed, to make atonement for him before the LORD.
29Wat er dan nog over is van de olie, die op de hand van den priester ligt, moet hij op het hoofd van hem, die gereinigd moet worden, uitstorten om voor het aanschijn van Jahweh verzoening te verkrijgen.
30And he shall offer one of the turtle-doves, or of the young pigeons, such as his means suffice for;
30Vervolgens moet hij een van de tortels of een van de jonge duiven, die hij kon betalen,
31even such as his means suffice for, the one for a sin-offering, and the other for a burnt-offering, with the meal-offering; and the priest shall make atonement for him that is to be cleansed before the LORD.
31als zondeoffer, en de andere als brandoffer opdragen tegelijk met het spijsoffer. Zo zal de priester voor het aanschijn van Jahweh verzoening verkrijgen voor hem, die gereinigd moet worden.
32This is the law of him in whom is the plague of leprosy, whose means suffice not for that which pertaineth to his cleansing.
32Dit is de wet voor hem, die door de melaatsheid werd getroffen, en de onkosten van zijn reiniging niet kan betalen.
33And the LORD spoke unto Moses and unto Aaron, saying:
33Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
34When ye are come into the land of Canaan, which I give to you for a possession, and I put the plague of leprosy in a house of the land of your possession;
34Wanneer gij in het land Kanaän komt, dat Ik u in bezit zal geven, en Ik op uw grondgebied een huis met melaatsheid sla,
35then he that owneth the house shall come and tell the priest, saying: 'There seemeth to me to be as it were a plague in the house.'
35dan moet de eigenaar van het huis den priester gaan zeggen: Er is iets in mijn huis, dat op melaatsheid lijkt.
36And the priest shall command that they empty the house, before the priest go in to see the plague, that all that is in the house be not made unclean; and afterward the priest shall go in to see the house.
36En nog voor hij de ziekte komt onderzoeken, zal de priester bevelen, het huis te ontruimen, opdat niet al wat in het huis is, onrein wordt. Daarna zal de priester het huis gaan bezichtigen.
37And he shall look on the plague, and, behold, if the plague be in the walls of the house with hollow streaks, greenish or reddish, and the appearance thereof be lower than the wall;
37Bemerkt hij nu, dat de ziekte werkelijk in de wanden van het huis zit, en er groene of roodachtige kuiltjes in zijn, die opvallend dieper liggen dan het muurvlak,
38then the priest shall go out of the house to the door of the house, and shut up the house seven days.
38dan moet de priester het huis verlaten, zich naar de deur van het huis begeven, en het huis zeven dagen lang sluiten.
39And the priest shall come again the seventh day, and shall look; and, behold, if the plague be spread in the walls of the house;
39Op de zevende dag moet de priester terugkomen. Bemerkt hij nu, dat de ziekte zich verder over de wanden van het huis heeft verspreid,
40then the priest shall command that they take out the stones in which the plague is, and cast them into an unclean place without the city.
40dan moet hij gelasten, de stenen weg te breken waarin de ziekte zit, en die buiten de stad op een onreine plaats te werpen.
41And he shall cause the house to be scraped within round about, and they shall pour out the mortar that they scrape off without the city into an unclean place.
41Vervolgens moet men het huis van binnen aan alle kanten afkrabben, en het afgekrabde leem buiten de stad op een onreine plaats werpen.
42And they shall take other stones, and put them in the place of those stones; and he shall take other mortar, and shall plaster the house.
42Daarna moet men andere stenen nemen en ze in de plaats van die stenen zetten, en andere leem, om daarmee het huis te bestrijken.
43And if the plague come again, and break out in the house, after that the stones have been taken out, and after the house hath been scraped, and after it is plastered;
43Wanneer na het wegbreken der stenen en het afkrabben en het bepleisteren van het huis de ziekte opnieuw in het huis uitbreekt,
44then the priest shall come in and look; and, behold, if the plague be spread in the house, it is a malignant leprosy in the house: it is unclean.
44dan moet de priester nog eens komen. Bemerkt hij nu, dat de ziekte zich verder in het huis heeft verspreid, dan is er kwaadaardige melaatsheid in het huis; het is onrein.
45And he shall break down the house, the stones of it, and the timber thereof, and all the mortar of the house; and he shall carry them forth out of the city into an unclean place.
45Men moet het huis afbreken, en de stenen, de balken en al het leemwerk van het huis buiten de stad naar een onreine plaats brengen.
46Moreover he that goeth into the house all the while that it is shut up shall be unclean until the even.
46Wie het huis binnengaat al de tijd, dat men het gesloten heeft, is tot de avond onrein,
47And he that lieth in the house shall wash his clothes; and he that eateth in the house shall wash his clothes.
47en wie in het huis slaapt, of er in eet, moet zijn kleren wassen.
48And if the priest shall come in, and look, and, behold, the plague hath not spread in the house, after the house was plastered; then the priest shall pronounce the house clean, because the plague is healed.
48Maar wanneer de priester bij zijn komst bemerkt, dat de ziekte, nadat men het huis opnieuw heeft bepleisterd, zich niet verder daarin heeft verspreid, dan moet de priester het huis rein verklaren; want dan is de ziekte genezen.
49And he shall take to cleanse the house two birds, and cedar-wood, and scarlet, and hyssop.
49Om de smet van het huis weg te nemen, moet hij twee vogels nemen, met cederhout, karmozijn en hysop.
50And he shall kill one of the birds in an earthen vessel over running water.
50Een der vogels moet hij boven een aarden vat met levend water slachten.
51And he shall take the cedar-wood, and the hyssop, and the scarlet, and the living bird, and dip them in the blood of the slain bird, and in the running water, and sprinkle the house seven times.
51Vervolgens moet hij het cederhout nemen, de hysop met het karmozijn en de levende vogel, ze in het bloed van de geslachte vogel en in het levende water dompelen, en er zeven maal het huis mee besprenkelen.
52And he shall cleanse the house with the blood of the bird, and with the running water, and with the living bird, and with the cedar-wood, and with the hyssop, and with the scarlet.
52Zo moet hij de smet van het huis wegnemen door het bloed van de vogel, door het levend water, door de levende vogel, door het cederhout, de hysop en het karmozijn.
53But he shall let go the living bird out of the city into the open field; so shall he make atonement for the house; and it shall be clean.
53De levende vogel moet hij buiten de stad in het vrije veld loslaten. Zo zal hij voor het huis de verzoeningsplechtigheid verrichten, en wordt het weer rein.
54This is the law for all manner of plague of leprosy, and for a scall;
54Dit is de wet op alle soorten van melaatsheid en kwaadaardige uitslag,
55and for the leprosy of a garment, and for a house;
55op de melaatsheid in kleren en huizen,
56and for a rising, and for a scab, and for a bright spot;
56op roof, uitslag en witte vlekken;
57to teach when it is unclean, and when it is clean; this is the law of leprosy.
57ze dient om te leren, wanneer iets onrein is of rein. Dit is de wet op de melaatsheid.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.