ΛΕΥΙΤΙΚΟΝ 14
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν λέγων·
1Jahweh sprak tot Moses:
2οὗτος ὁ νόμος τοῦ λεπροῦ, ᾗ ἂν ἡμέρᾳ καθαρισθῇ· καὶ προσαχθήσεται πρὸς τὸν ἱερέα,
2Dit is de wet op den melaatse. Op de dag van zijn reinverklaring moet hij voor den priester worden gebracht,
3καὶ ἐξελεύσεται ὁ ἱερεὺς ἔξω τῆς παρεμβολῆς, καὶ ὄψεται ὁ ἱερεύς, καὶ ἰδοὺ ἰᾶται ἡ ἁφὴ τῆς λέπρας ἀπὸ τοῦ λεπροῦ.
3die zich buiten de legerplaats moet begeven. Ziet de priester, dat de melaatse van zijn melaatsheid is genezen,
4καὶ προστάξει ὁ ἱερεύς, καὶ λήψονται τῷ κεκαθαρισμένῳ δύο ὀρνίθια ζῶντα καθαρὰ καὶ ξύλον κέδρινον καὶ κεκλωσμένον κόκκινον καὶ ὕσσωπον·
4dan moet hij voor hem, die rein verklaard moet worden, twee levende reine vogels laten halen met cederhout, karmozijn en hysop.
5καὶ προστάξει ὁ ἱερεύς, καὶ σφάξουσι τὸ ὀρνίθιον τὸ ἓν εἰς ἀγγεῖον ὀστράκινον ἐφ᾿ ὕδατι ζῶντι.
5De priester moet een der vogels boven een aarden vat met levend water laten slachten.
6καὶ τὸ ὀρνίθιον τὸ ζῶν λήψεται αὐτὸ καὶ τὸ ξύλον τὸ κέδρινον καὶ τὸ κλωστὸν κόκκινον καὶ τὸν ὕσσωπον, καὶ βάψει αὐτὰ καὶ τὸ ὀρνίθιον τὸ ζῶν εἰς τὸ αἷμα τοῦ ὀρνιθίου τοῦ σφαγέντος ἐφ᾿ ὕδατι ζῶντι·
6Vervolgens moet hij de levende vogel nemen; bovendien het cederhout, het karmozijn en de hysop, en die met de levende vogel in het bloed dopen van de vogel, die boven het levend water is geslacht.
7καὶ περιρρανεῖ ἐπὶ τὸν καθαρισθέντα ἀπὸ τῆς λέπρας ἑπτάκις, καὶ καθαρὸς ἔσται· καὶ ἐξαποστελεῖ τὸ ὀρνίθιον τὸ ζῶν εἰς τὸ πεδίον.
7Hiermee moet hij zeven maal hem besprenkelen, die van de melaatsheid gereinigd moet worden. Zo reinigt hij hem. Daarna moet hij de levende vogel in het vrije veld loslaten.
8καὶ πλυνεῖ ὁ καθαρισθεὶς τὰ ἱμάτια αὐτοῦ καὶ ξυρηθήσεται αὐτοῦ πᾶσαν τὴν τρίχα, καὶ λούσεται ἐν ὕδατι, καὶ καθαρὸς ἔσται, καὶ μετὰ ταῦτα εἰσελεύσεται εἰς τὴν παρεμβολήν, καὶ διατρίψει ἔξω τοῦ οἴκου αὐτοῦ ἑπτὰ ἡμέρας.
8Vervolgens moet hij, die gereinigd werd, nog zijn kleren wassen, al zijn haar afscheren, en zich baden; dan is hij rein, en mag hij in de legerplaats komen. Maar hij moet nog zeven dagen lang buiten zijn tent blijven.
9καὶ ἔσται τῇ ἡμέρᾳ τῇ ἑβδόμῃ, ξυρηθήσεται πᾶσαν τὴν τρίχα αὐτοῦ, τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ καὶ τὸν πώγωνα καὶ τὰς ὀφρῦς καὶ πᾶσαν τὴν τρίχα αὐτοῦ ξυρηθήσεται· καὶ πλυνεῖ τὰ ἱμάτια, καὶ λούσεται τὸ σῶμα αὐτοῦ ὕδατι, καὶ καθαρὸς ἔσται.
9Op de zevende dag moet hij al zijn haar afscheren, zijn hoofdhaar, zijn baard en zijn wenkbrauwen; al zijn haar moet hij wegscheren, zijn kleren wassen en zijn lichaam baden; dan is hij rein.
10καὶ τῇ ἡμέρᾳ τῇ ὀγδόῃ λήψεται δύο ἀμνοὺς ἀμώμους ἐνιαυσίους καὶ πρόβατον ἄμωμον ἐνιαύσιον καὶ τρία δέκατα σεμιδάλεως εἰς θυσίαν περυραμένης ἐν ἐλαίῳ καὶ κοτύλην ἐλαίου μίαν.
10Op de achtste dag moet hij twee gave lammeren nemen en een eenjarig ooilam zonder gebrek; verder drie issaron meelbloem met olie gemengd voor het spijsoffer, en bovendien één log olie.
11καὶ στήσει ὁ ἱερεὺς ὁ καθαρίζων τὸν ἄνθρωπον τὸν καθαριζόμενον καὶ ταῦτα ἔναντι Κυρίου, ἐπὶ τὴν θύραν τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου.
11De priester, die de reiniging voltrekt, zal hem, die rein verklaard moet worden, met die gaven voor Jahweh’s aanschijn plaatsen aan de ingang van de openbaringstent.
12καὶ λήψεται ὁ ἱερεὺς τὸν ἀμνὸν τὸν ἕνα, καὶ προσάξει αὐτὸν τῆς πλημμελείας, καὶ τὴν κοτύλην τοῦ ἐλαίου, καὶ ἀφοριεῖ αὐτὰ ἀφόρισμα ἔναντι Κυρίου·
12Nu moet de priester een van de lammeren nemen, en dit met de log olie als schuldoffer opdragen, en ze als een strekoffer voor het aanschijn van Jahweh aanbieden.
13καὶ σφάξουσι τὸν ἀμνὸν ἐν τόπῳ, οὗ σφάζουσι τὰ ὁλοκαυτώματα καὶ τὰ περὶ ἁμαρτίας, ἐν τόπῳ ἁγίῳ· ἔστι γὰρ τὸ περὶ ἁμαρτίας, ὥσπερ τὸ τῆς πλημμελείας ἐστὶ τῷ ἱερεῖ, ἅγια ἁγίων ἐστί.
13Dan moet hij het lam slachten op de heilige plaats, waar men het zonde(-) en brandoffer slacht; want dit schuldoffer komt evenals het zondeoffer den priester toe; het is hoogheilig.
14καὶ λήψεται ὁ ἱερεὺς ἀπὸ τοῦ αἵματος τοῦ τῆς πλημμελείας, καὶ ἐπιθήσει ὁ ἱερεὺς ἐπὶ τὸν λοβὸν τοῦ ὠτὸς τοῦ καθαριζομένου τοῦ δεξιοῦ, καὶ ἐπὶ τὸ ἄκρον τῆς χειρὸς τῆς δεξιᾶς καὶ ἐπὶ τὸ ἄκρον τοῦ ποδὸς τοῦ δεξιοῦ.
14Daarna moet de priester wat bloed van het schuldoffer nemen, en het hem, die rein moet worden verklaard op de rechteroorlel strijken, op de rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet.
15καὶ λαβὼν ὁ ἱερεὺς ἀπὸ τῆς κοτύλης τοῦ ἐλαίου ἐπιχεεῖ ἐπὶ τὴν χεῖρα τοῦ ἱερέως τὴν ἀριστερὰν
15Vervolgens moet de priester iets van de log olie nemen, op zijn eigen linker handpalm gieten,
16καὶ βάψει τὸν δάκτυλον τὸν δεξιὸν ἀπὸ τοῦ ἐλαίου τοῦ ὄντος ἐπὶ τῆς χειρὸς αὐτοῦ τῆς ἀριστερᾶς καὶ ρανεῖ τῷ δακτύλῳ ἑπτάκις ἔναντι Κυρίου·
16de vinger van zijn rechterhand in de olie dopen, die op zijn linkerhand ligt, en een weinig van die olie met zijn vinger zeven maal voor het aanschijn van Jahweh sprenkelen.
17τὸ δὲ καταλειφθὲν ἔλαιον τὸ ὂν ἐν τῇ χειρὶ ἐπιθήσει ὁ ἱερεὺς ἐπὶ τὸν λοβὸν τοῦ ὠτὸς τοῦ καθαριζομένου τοῦ δεξιοῦ καὶ ἐπὶ τὸ ἄκρον τῆς χειρὸς τῆς δεξιᾶς καὶ ἐπὶ τὸ ἄκρον τοῦ ποδὸς τοῦ δεξιοῦ. ἐπὶ τὸν τόπον τοῦ αἵματος τοῦ τῆς πλημμελείας·
17Van de rest van de olie, die op zijn hand ligt, moet de priester iets op de rechteroorlel, op de rechterduim en op de grote teen van de rechtervoet strijken van hem, die rein verklaard moet worden, en wel bovenop het bloed van het schuldoffer.
18τὸ δὲ καταλειφθὲν ἔλαιον τὸ ἐπὶ τῆς χειρὸς τοῦ ἱερέως ἐπιθήσει ὁ ἱερεὺς ἐπὶ τὴν κεφαλὴν τοῦ καθαρισθέντος, καὶ ἐξιλάσεται περὶ αὐτοῦ ὁ ἱερεὺς ἔναντι Κυρίου.
18Wat dan nog over is van de olie, die op zijn hand ligt, moet de priester op het hoofd uitstorten van hem, die rein verklaard moet worden; zo zal de priester verzoening voor hem verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh.
19καὶ ποιήσει ὁ ἱερεὺς τὸ περὶ τῆς ἁμαρτίας, καὶ ἐξιλάσεται ὁ ἱερεὺς περὶ τοῦ καθαριζομένου ἀπὸ τῆς ἁμαρτίας αὐτοῦ· καὶ μετά τοῦτο σφάξει ὁ ἱερεὺς τὸ ὁλοκαύτωμα.
19Vervolgens moet de priester het zondeoffer opdragen, en voor hem, die gereinigd moet worden, verzoening verkrijgen van de onreinheid. Tenslotte moet de priester het brandoffer slachten,
20καὶ ἀνοίσει ὁ ἱερεὺς τὸ ὁλοκαύτωμα καὶ τὴν θυσίαν ἐπὶ τὸ θυσιαστήριον ἔναντι Κυρίου· καὶ ἐξιλάσεται περὶ αὐτοῦ ὁ ἱερεύς, καὶ καθαρισθήσεται.
20en het op het altaar met het spijsoffer opdragen. Zo zal de priester voor hem verzoening verkrijgen, en is hij rein.
21Ἐὰν δὲ πένηται καὶ ἡ χεὶρ αὐτοῦ μὴ εὑρίσκῃ, λήψεται ἀμνὸν ἕνα εἰς ὃ ἐπλημμέλησεν εἰς ἀφαίρεμα, ὥστε ἐξιλάσασθαι περὶ αὐτοῦ, καὶ δέκατον σεμιδάλεως πεφυραμένης ἐν ἐλαίῳ εἰς θυσίαν, καὶ κοτύλην ἐλαίου μίαν,
21Wanneer hij te arm is en die kosten niet kan betalen, behoeft hij maar één lam te nemen voor het schuldoffer om het als strekoffer aan te bieden en voor zich verzoening te verkrijgen; bovendien een issaron meelbloem met olie gemengd voor het spijsoffer en een log olie.
22καὶ δύο τρυγόνας, ἢ δύο νεοσσοὺς περιστερῶν, ὅσα εὗρεν ἡ χεὶρ αὐτοῦ, καὶ ἔσται ἡ μία περὶ ἁμαρτίας καὶ ἡ μία εἰς ὁλοκαύτωμα·
22Verder twee tortels of twee jonge duiven, naar gelang hij kan betalen; de ene voor het zondeoffer, de andere voor het brandoffer.
23καὶ προσοίσει αὐτὰ τῇ ἡμέρᾳ τῇ ὀγδόῃ εἰς τὸ καθαρίσαι αὐτὸν πρὸς τὸν ἱερέα, ἐπὶ τὴν θύραν τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου ἔναντι Κυρίου.
23Op de achtste dag moet hij ze voor zijn reiniging naar den priester brengen bij de ingang van de openbaringstent, voor het aanschijn van Jahweh.
24καὶ λαβὼν ὁ ἱερεύς τὸν ἀμνὸν τῆς πλημμελείας καὶ τὴν κοτύλην τοῦ ἐλαίου, ἐπιθήσει αὐτὰ ἐπίθεμα ἔναντι Κυρίου.
24Nu moet de priester het lam voor het schuldoffer nemen met de log olie, en ze voor het aanschijn van Jahweh als een strekoffer aanbieden;
25καὶ σφάξει τὸν ἀμνὸν τὸν τῆς πλημμελείας, καὶ λήψεται ὁ ἱερεὺς ἀπὸ τοῦ αἵματος τοῦ τῆς πλημμελείας καὶ ἐπιθήσει ἐπὶ τὸν λοβὸν τοῦ ὠτὸς τοῦ καθαριζομένου τοῦ δεξιοῦ καὶ ἐπὶ τὸ ἄκρον τῆς χειρὸς τῆς δεξιᾶς καὶ ἐπὶ τὸ ἄκρον τοῦ ποδὸς τοῦ δεξιοῦ.
25en het lam voor het schuldoffer slachten. Daarna moet de priester wat bloed van dat schuldoffer nemen, het hem, die gereinigd moet worden, op de rechteroorlel strijken, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet.
26καὶ ἀπὸ τοῦ ἐλαίου ἐπιχεεῖ ὁ ἱερεὺς ἐπὶ τὴν χεῖρα τοῦ ἱερέως τὴν ἀριστεράν,
26Vervolgens moet de priester wat van de olie op zijn eigen linker handpalm gieten,
27καὶ ρανεῖ ὁ ἱερεὺς τῷ δακτύλῳ τῷ δεξιῷ ἀπὸ τοῦ ἐλαίου τοῦ ἐν τῇ χειρὶ αὐτοῦ τῇ ἀριστερᾷ ἑπτάκις ἔναντι Κυρίου·
27en met zijn rechtervinger zeven maal een weinig van de olie, die op zijn linkerhand ligt, voor het aanschijn van Jahweh sprenkelen.
28καὶ ἐπιθήσει ὁ ἱερεὺς ἀπὸ τοῦ ἐλαίου τοῦ ἐπὶ τῆς χειρὸς αὐτοῦ ἐπὶ τὸν λοβὸν τοῦ ὠτὸς τοῦ καθαριζομένου τοῦ δεξιοῦ καὶ ἐπὶ τὸ ἄκρον τῆς χειρὸς αὐτοῦ τῆς δεξιᾶς καὶ ἐπὶ τὸ ἄκρον τοῦ ποδὸς αὐτοῦ τοῦ δεξιοῦ, ἐπὶ τὸν τόπον τοῦ αἵματος τοῦ τῆς πλημμελείας·
28Van de rest van de olie, die op zijn hand ligt, moet de priester hem, die gereinigd moet worden, iets op de rechteroorlel strijken, op zijn rechterduim en op de grote teen van zijn rechtervoet, en wel boven op het bloed van het schuldoffer.
29τὸ δὲ καταλειφθὲν ἀπὸ τοῦ ἐλαίου τὸ ὂν ἐπὶ τῆς χειρὸς τοῦ ἱερέως ἐπιθήσει ἐπὶ τὴν κεφαλὴν τοῦ καθαρισθέντος, καὶ ἐξιλάσεται περὶ αὐτοῦ ὁ ἱερεὺς ἔναντι Κυρίου.
29Wat er dan nog over is van de olie, die op de hand van den priester ligt, moet hij op het hoofd van hem, die gereinigd moet worden, uitstorten om voor het aanschijn van Jahweh verzoening te verkrijgen.
30καὶ ποιήσει μίαν ἀπὸ τῶν τρυγόνων ἢ ἀπὸ τῶν νεοσσῶν τῶν περιστερῶν, καθότι εὗρεν αὐτοῦ ἡ χείρ,
30Vervolgens moet hij een van de tortels of een van de jonge duiven, die hij kon betalen,
31τὴν μίαν περὶ ἁμαρτίας καὶ τὴν μίαν εἰς ὁλοκαύτωμα σὺν τῇ θυσίᾳ, καὶ ἐξιλάσεται ὁ ἱερεὺς περὶ τοῦ καθαριζομένου ἔναντι Κυρίου.
31als zondeoffer, en de andere als brandoffer opdragen tegelijk met het spijsoffer. Zo zal de priester voor het aanschijn van Jahweh verzoening verkrijgen voor hem, die gereinigd moet worden.
32οὗτος ὁ νόμος, ἐν ᾧ ἐστιν ἡ ἁφὴ τῆς λέπρας, καὶ τοῦ μὴ εὑρίσκοντος τῇ χειρὶ εἰς τὸν καθαρισμὸν αὐτοῦ.
32Dit is de wet voor hem, die door de melaatsheid werd getroffen, en de onkosten van zijn reiniging niet kan betalen.
33Καὶ ἐλάλησε Κύριος πρὸς Μωυσῆν καὶ Ἀαρὼν λέγων·
33Jahweh sprak tot Moses en Aäron:
34ὡς ἂν εἰσέλθητε εἰς τὴν γῆν τῶν Χαναναίων, ἣν ἐγὼ δίδωμι ὑμῖν ἐν κτήσει, καὶ δώσω ἁφὴν λέπρας ἐν ταῖς οἰκίαις τῆς γῆς τῆς ἐγκτήτου ὑμῖν,
34Wanneer gij in het land Kanaän komt, dat Ik u in bezit zal geven, en Ik op uw grondgebied een huis met melaatsheid sla,
35καὶ ἥξει τινὸς αὐτοῦ ἡ οἰκία, καὶ ἀναγγελεῖ τῷ ἱερεῖ λέγων· ὥσπερ ἁφὴ ἑώραταί μοι ἐν τῇ οἰκίᾳ.
35dan moet de eigenaar van het huis den priester gaan zeggen: Er is iets in mijn huis, dat op melaatsheid lijkt.
36καὶ προστάξει ὁ ἱερεὺς ἀποσκευάσαι τὴν οἰκίαν, πρὸ τοῦ εἰσελθόντα τὸν ἱερέα ἰδεῖν τὴν ἁφήν, καὶ οὐ μὴ ἀκάθαρτα γένηται ὅσα ἂν ᾖ ἐν τῇ οἰκίᾳ, καὶ μετὰ ταῦτα εἰσελεύσεται ὁ ἱερεὺς καταμαθεῖν τὴν οἰκίαν.
36En nog voor hij de ziekte komt onderzoeken, zal de priester bevelen, het huis te ontruimen, opdat niet al wat in het huis is, onrein wordt. Daarna zal de priester het huis gaan bezichtigen.
37καὶ ὄψεται τὴν ἁφήν, καὶ ἰδοὺ ἡ ἁφὴ ἐν τοῖς τοίχοις τῆς οἰκίας, κοιλάδας χλωριζούσας, ἢ πυρριζούσας, καὶ ἡ ὄψις αὐτῶν ταπεινοτέρα τῶν τοίχων,
37Bemerkt hij nu, dat de ziekte werkelijk in de wanden van het huis zit, en er groene of roodachtige kuiltjes in zijn, die opvallend dieper liggen dan het muurvlak,
38καὶ ἐξελθὼν ὁ ἱερεὺς ἐκ τῆς οἰκίας ἐπὶ τὴν θύραν τῆς οἰκίας, καὶ ἀφοριεῖ ὁ ἱερεὺς τὴν οἰκίαν ἑπτὰ ἡμέρας.
38dan moet de priester het huis verlaten, zich naar de deur van het huis begeven, en het huis zeven dagen lang sluiten.
39καὶ ἐπανήξει ὁ ἱερεὺς τῇ ἑβδόμῃ καὶ ὄψεται τὴν οἰκίαν, καὶ ἰδοὺ διεχύθη ἡ ἁφὴ ἐν τοῖς τοίχοις τῆς οἰκίας,
39Op de zevende dag moet de priester terugkomen. Bemerkt hij nu, dat de ziekte zich verder over de wanden van het huis heeft verspreid,
40καὶ προστάξει ὁ ἱερεύς, καὶ ἐξελοῦσι τοὺς λίθους, ἐν οἷς ἐστιν ἡ ἁφή, καὶ ἐκβαλοῦσιν αὐτοὺς ἔξω τῆς πόλεως εἰς τόπον ἀκάθαρτον.
40dan moet hij gelasten, de stenen weg te breken waarin de ziekte zit, en die buiten de stad op een onreine plaats te werpen.
41καὶ τὴν οἰκίαν ἀποξύσουσιν ἔσωθεν κύκλῳ καὶ ἐκχεοῦσι τὸν χοῦν τὸν ἀπεξυσμένον ἔξω τῆς πόλεως εἰς τόπον ἀκάθαρτον.
41Vervolgens moet men het huis van binnen aan alle kanten afkrabben, en het afgekrabde leem buiten de stad op een onreine plaats werpen.
42καὶ λήψονται λίθους ἀπεξυσμένους ἑτέρους, καὶ ἀντιθήσουσιν ἀντὶ τῶν λίθων καὶ χοῦν ἕτερον λήψονται καὶ ἐξαλείψουσι τὴν οἰκίαν.
42Daarna moet men andere stenen nemen en ze in de plaats van die stenen zetten, en andere leem, om daarmee het huis te bestrijken.
43ἐὰν δὲ ἐπέλθῃ πάλιν ἁφὴ καὶ ἀνατείλῃ ἐν τῇ οἰκίᾳ μετὰ τὸ ἐξελεῖν τοὺς λίθους καὶ μετά τὸ ἀποξυσθῆναι τὴν οἰκίαν καὶ μετὰ τὸ ἐξαλειφθῆναι,
43Wanneer na het wegbreken der stenen en het afkrabben en het bepleisteren van het huis de ziekte opnieuw in het huis uitbreekt,
44καὶ εἰσελεύσεται ὁ ἱερεὺς καὶ ὄψεται· εἰ διακέχυται ἡ ἁφὴ ἐν τῇ οἰκίᾳ, λέπρα ἔμμονός ἐστιν ἐν τῇ οἰκίᾳ, ἀκάθαρτός ἐστι.
44dan moet de priester nog eens komen. Bemerkt hij nu, dat de ziekte zich verder in het huis heeft verspreid, dan is er kwaadaardige melaatsheid in het huis; het is onrein.
45καὶ καθελοῦσι τὴν οἰκίαν καὶ τὰ ξύλα αὐτῆς καὶ τοὺς λίθους αὐτῆς καὶ πάντα τὸν χοῦν ἐξοίσουσιν ἔξω τῆς πόλεως εἰς τόπον ἀκάθαρτον.
45Men moet het huis afbreken, en de stenen, de balken en al het leemwerk van het huis buiten de stad naar een onreine plaats brengen.
46καὶ ὁ εἰσπορευόμενος εἰς τὴν οἰκίαν πάσας τὰς ἡμέρας, ἃς ἀφωρισμένη ἐστίν, ἀκάθαρτος ἔσται ἕως ἑσπέρας.
46Wie het huis binnengaat al de tijd, dat men het gesloten heeft, is tot de avond onrein,
47καὶ ὁ κοιμώμενος ἐν τῇ οἰκίᾳ πλυνεῖ τὰ ἱμάτια αὐτοῦ, καὶ ἀκάθαρτος ἔσται ἕως ἑσπέρας· καὶ ὁ ἔσθων ἐν τῇ οἰκίᾳ πλυνεῖ τὰ ἱμάτια αὐτοῦ, καὶ ἀκάθαρτος ἔσται ἕως ἑσπέρας.
47en wie in het huis slaapt, of er in eet, moet zijn kleren wassen.
48ἐὰν δὲ παραγενόμενος εἰσέλθῃ ὁ ἱερεὺς καὶ ἴδῃ, καὶ ἰδοὺ διαχύσει οὐ διαχεῖται ἡ ἁφὴ ἐν τῇ οἰκίᾳ μετὰ τὸ ἐξαλειφθῆναι τὴν οἰκίαν, καὶ καθαριεῖ ὁ ἱερεὺς τὴν οἰκίαν, ὅτι ἰάθη ἡ ἁφή.
48Maar wanneer de priester bij zijn komst bemerkt, dat de ziekte, nadat men het huis opnieuw heeft bepleisterd, zich niet verder daarin heeft verspreid, dan moet de priester het huis rein verklaren; want dan is de ziekte genezen.
49καὶ λήψεται ἀφαγνίσαι τὴν οἰκίαν δύο ὀρνίθια ζῶντα καθαρὰ καὶ ξύλον κέδρινον καὶ κεκλωσμένον κόκκινον καὶ ὕσσωπον·
49Om de smet van het huis weg te nemen, moet hij twee vogels nemen, met cederhout, karmozijn en hysop.
50καὶ σφάξει τὸ ὀρνίθιον τὸ ἓν εἰς σκεῦος ὀστράκινον ἐφ᾿ ὕδατι ζῶντι,
50Een der vogels moet hij boven een aarden vat met levend water slachten.
51καὶ λήψεται τὸ ξύλον τὸ κέδρινον καὶ τὸ κεκλωσμένον κόκκινον καὶ τὸν ὕσσωπον καὶ τὸ ὀρνίθιον τὸ ζῶν, καὶ βάψει αὐτὸ εἰς τὸ αἷμα τοῦ ὀρνιθίου τοῦ ἐσφαγμένου ἐφ᾿ ὕδατι ζῶντι, καὶ περιρρανεῖ ἐν αὐτοῖς ἐπὶ τὴν οἰκίαν ἑπτάκις,
51Vervolgens moet hij het cederhout nemen, de hysop met het karmozijn en de levende vogel, ze in het bloed van de geslachte vogel en in het levende water dompelen, en er zeven maal het huis mee besprenkelen.
52καὶ ἀφαγνιεῖ τὴν οἰκίαν ἐν τῷ αἵματι τοῦ ὀρνιθίου καὶ ἐν τῷ ὕδατι τῷ ζῶντι καὶ ἐν τῷ ὀρνιθίῳ τῷ ζῶντι καὶ ἐν τῷ ξύλῳ τῷ κεδρίνῳ καὶ ἐν τῷ ὑσσώπῳ καὶ ἐν τῷ κεκλωσμένῳ κοκκίνῳ.
52Zo moet hij de smet van het huis wegnemen door het bloed van de vogel, door het levend water, door de levende vogel, door het cederhout, de hysop en het karmozijn.
53καὶ ἐξαποστελεῖ τὸ ὀρνίθιον τὸ ζῶν ἔξω τῆς πόλεως εἰς τὸ πεδίον καὶ ἐξιλάσεται περὶ τῆς οἰκίας, καὶ καθαρὰ ἔσται.
53De levende vogel moet hij buiten de stad in het vrije veld loslaten. Zo zal hij voor het huis de verzoeningsplechtigheid verrichten, en wordt het weer rein.
54Οὗτος ὁ νόμος κατὰ πᾶσαν ἁφὴν λέπρας καὶ θραύσματος
54Dit is de wet op alle soorten van melaatsheid en kwaadaardige uitslag,
55καὶ τῆς λέπρας ἱματίου καὶ οἰκίας
55op de melaatsheid in kleren en huizen,
56καὶ οὐλῆς καὶ σημασίας καὶ τοῦ αὐγάζοντος
56op roof, uitslag en witte vlekken;
57καὶ τοῦ ἐξηγήσασθαι ᾗ ἡμέρᾳ ἀκάθαρτον, καὶ ᾗ ἡμέρᾳ καθαρισθήσεται. οὗτος ὁ νόμος τῆς λέπρας.
57ze dient om te leren, wanneer iets onrein is of rein. Dit is de wet op de melaatsheid.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.