Leviticus 3
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And if his offering be a sacrifice of peace-offerings: if he offer of the herd, whether male or female, he shall offer it without blemish before the LORD.
1Wanneer iemand als vredeoffer een rund wil opdragen, een stier of een koe, dan moet hij een gaaf dier aan Jahweh offeren.
2And he shall lay his hand upon the head of his offering, and kill it at the door of the tent of meeting; and Aaron's sons the priests shall dash the blood against the altar round about.
2Hij moet zijn hand op de kop van zijn offerdier leggen, en het slachten bij de ingang van de openbaringstent; en de zonen van Aäron, de priesters, moeten het altaar aan alle kanten met het bloed besprenkelen.
3And he shall present of the sacrifice of peace-offerings an offering made by fire unto the LORD: the fat that covereth the inwards, and all the fat that is upon the inwards,
3Van dit vredeoffer moet hij het vet, dat de ingewanden bedekt, als een vuuroffer aan Jahweh opdragen; bovendien al het vet, dat aan de ingewanden vastzit;
4and the two kidneys, and the fat that is on them, which is by the loins, and the lobe above the liver, which he shall take away hard by the kidneys.
4de beide nieren met het vet, dat daaromheen in de lenden zit, en de kwab aan de lever, die hij met de nieren moet wegnemen.
5And Aaron's sons shall make it smoke on the altar upon the burnt-offering, which is upon the wood that is on the fire; it is an offering made by fire, of a sweet savour unto the LORD.
5De zonen van Aäron moeten het op het altaar tegelijk met het brandoffer, dat op het hout boven het vuur ligt, als een welriekend vuuroffer voor Jahweh in rook doen opgaan.
6And if his offering for a sacrifice of peace-offerings unto the LORD be of the flock, male or female, he shall offer it without blemish.
6Wanneer iemand als vredeoffer een stuk kleinvee aan Jahweh wil opdragen, moet hij een gaaf mannetje of wijfje offeren.
7If he bring a lamb for his offering, then shall he present it before the LORD.
7Wanneer hij een lam als offergave wil opdragen, moet hij het voor het aanschijn van Jahweh brengen,
8And he shall lay his hand upon the head of his offering, and kill it before the tent of meeting; and Aaron's sons shall dash the blood thereof against the altar round about.
8zijn hand op de kop van zijn offerdier leggen, en het voor de openbaringstent slachten; en de zonen van Aäron moeten het altaar aan alle kanten met het bloed besprenkelen.
9And he shall present of the sacrifice of peace-offerings an offering made by fire unto the LORD: the fat thereof, the fat tail entire, which he shall take away hard by the rump-bone; and the fat that covereth the inwards, and all the fat that is upon the inwards,
9Van dit vredeoffer moet hij het vet als een vuuroffer aan Jahweh opdragen: al het staartvet, dat hij dicht bij het staartbeen moet afsnijden; het vet, dat de ingewanden bedekt, met al het vet, dat aan de ingewanden vastzit,
10and the two kidneys, and the fat that is upon them, which is by the loins, and the lobe above the liver, which he shall take away by the kidneys.
10de beide nieren met het vet, dat daaromheen in de lenden zit, en de kwab aan de lever, die hij met de nieren moet wegnemen.
11And the priest shall make it smoke upon the altar; it is the food of the offering made by fire unto the LORD.
11De priester moet het op het altaar als een vuurofferspijs voor Jahweh in rook doen opgaan.
12And if his offering be a goat, then he shall present it before the LORD.
12Wanneer hij echter een geit wil offeren, dan moet hij ze voor het aanschijn van Jahweh brengen,
13And he shall lay his hand upon the head of it, and kill it before the tent of meeting; and the sons of Aaron shall dash the blood thereof against the altar round about.
13zijn hand op haar kop leggen, en ze voor de openbaringstent slachten; en de zonen van Aäron moeten het altaar aan alle kanten met haar bloed besprenkelen.
14And he shall present thereof his offering, even an offering made by fire unto the LORD: the fat that covereth the inwards, and all the fat that is upon the inwards,
14Als zijn offergave moet hij daarvan, als een vuuroffer aan Jahweh, het vet opdragen, dat de ingewanden bedekt; bovendien al het vet, dat aan de ingewanden vastzit;
15and the two kidneys, and the fat that is upon them, which is by the loins, and the lobe above the liver, which he shall take away by the kidneys.
15de beide nieren met het vet, dat daaromheen in de lenden zit, en de kwab aan de lever, die hij met de nieren moet wegnemen.
16And the priest shall make them smoke upon the altar; it is the food of the offering made by fire, for a sweet savour; all the fat is the LORD'S.
16De priester moet dat op het altaar in rook doen opgaan als een welriekende vuurofferspijs; al het vet is voor Jahweh.
17It shall be a perpetual statute throughout your generations in all your dwellings, that ye shall eat neither fat nor blood.
17Dit is een altijd geldende wet voor al uw geslachten, overal waar ge woont: nooit moogt ge vet of bloed nuttigen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.