Ecclesiastes
Chapter 3

Ecclesiastes

JPS Tanakh (Jewish Publi…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1To every thing there is a season, and a time to every purpose under the heaven:
1Alles heeft zijn uur; Voor al wat er onder de hemel gebeurt, is er een vaste tijd:
2A time to be born, and a time to die; a time to plant, and a time to pluck up that which is planted;
2Een tijd van baren, en een tijd van sterven; Een tijd van planten, en een tijd van ontwortelen;
3A time to kill, and a time to heal; a time to break down, and a time to build up;
3Een tijd van moorden, en een tijd van genezen; Een tijd van afbreken, en een tijd van opbouwen;
4A time to weep, and a time to laugh; a time to mourn, and a time to dance;
4Een tijd van schreien, en een tijd van lachen; Een tijd van rouwen, en een tijd van dansen.
5A time to cast away stones, and a time to gather stones together; a time to embrace, and a time to refrain from embracing;
5Een tijd van stenen wegwerpen, een tijd van stenen rapen; Een tijd van omhelzen, en een tijd van gescheiden zijn;
6A time to seek, and a time to lose; a time to keep, and a time to cast away;
6Een tijd van zoeken, en een tijd van verliezen; Een tijd van bewaren, en een tijd van verspillen;
7A time to rend, and a time to sew; a time to keep silence, and a time to speak;
7Een tijd van scheuren, en een tijd van naaien; Een tijd van zwijgen, en een tijd van spreken;
8A time to love, and a time to hate; a time for war, and a time for peace.
8Een tijd van beminnen, en een tijd van haten; Een tijd van oorlog, en een tijd van vrede.
9What profit hath he that worketh in that he laboureth?
9Wat heeft de zwoeger dan nog voor nut Van de moeite, die hij zich getroost?
10I have seen the task which God hath given to the sons of men to be exercised therewith.
10Ik begreep, hoe God aan de mensen hun taak heeft gegeven, Om er zich mee af te tobben.
11He hath made every thing beautiful in its time; also He hath set the world in their heart, yet so that man cannot find out the work that God hath done from the beginning even to the end.
11Al wat Hij maakte, is goed op zijn tijd; En al heeft Hij ook de eeuwigheid gelegd in het hart van den mens, Toch kan de mens de daden van God Niet van het begin tot het einde doorgronden.
12I know that there is nothing better for them, than to rejoice, and to get pleasure so long as they live.
12Zo begreep ik, dat er niets beter is voor den mens, Dan zich verheugen en zich te goed doen in het leven.
13But also that every man should eat and drink, and enjoy pleasure for all his labour, is the gift of God.
13Want als iemand kan eten en drinken En van al zijn zwoegen genieten, Dan is dat een gave van God!
14I know that, whatsoever God doeth, it shall be for ever; nothing can be added to it, nor any thing taken from it; and God hath so made it, that men should fear before Him.
14Ik begreep, dat al wat God doet, voor altijd blijft; Daar kan men niets aan toevoegen of van afdoen: God maakt het zo, dat men Hem vreest.
15That which is hath been long ago, and that which is to be hath already been; and God seeketh that which is pursued.
15Wat thans bestaat, was er reeds lang; En wat er zijn zal, bestond al vroeger; Want God zoekt wat voorbij is, telkens weer op.
16And moreover I saw under the sun, in the place of justice, that wickedness was there; and in the place of righteousness, that wickedness was there.
16Ook zag ik onder de zon, Dat het onrecht zetelt op de plaats van het recht, En de boze op de plaats van den vrome.
17I said in my heart: 'The righteous and the wicked God will judge; for there is a time there for every purpose and for every work.'
17Maar ik dacht bij mijzelf: Eens zal God den vrome en den boze richten; Want ieder ding en ieder werk heeft bij Hem zijn tijd.
18I said in my heart: 'It is because of the sons of men, that God may sift them, and that they may see that they themselves are but as beasts.'
18Maar als ik mijn gedachten over de mensen liet gaan, Zag ik, dat zij wel door God zijn geschapen, Maar feitelijk gelijk zijn aan het dier;
19For that which befalleth the sons of men befalleth beasts; even one thing befalleth them; as the one dieth, so dieth the other; yea, they have all one breath; so that man hath no pre-eminence above a beast; for all is vanity.
19Want mens en dier hebben hetzelfde lot. De één moet sterven even goed als de ander; Want beiden hebben zij dezelfde adem. De mens heeft niets vóór boven het dier; Waarachtig, alles is ijdelheid!
20All go unto one place; all are of the dust, and all return to dust.
20Zij gaan beiden naar dezelfde plaats; Beiden kwamen zij voort uit stof, En beiden keren zij terug tot stof.
21Who knoweth the spirit of man whether it goeth upward, and the spirit of the beast whether it goeth downward to the earth?
21Wie weet of ‘s mensen levensadem opstijgt naar boven, En die van het dier naar beneden gaat in de grond?
22Wherefore I perceived that there is nothing better, than that a man should rejoice in his works; for that is his portion; for who shall bring him to see what shall be after him?
22Zo begreep ik, dat er niets beter is voor den mens, Dan te genieten van zijn werken; want dat komt hem toe. Wie toch kan hem zekerheid geven Van wat de toekomst hem brengt?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.