Ezechiele
Chapter 10
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ezechiele 10

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1POI riguardai, ed ecco, sopra la distesa ch' era sopra il capo dei Cherubini, vi era come una pietra di zaffiro, simigliante in vista ad un trono, il quale appariva sopra loro.
1Ik keek op, en boven de vloer, die op het hoofd der cherubs rustte, zag ik iets als saffiersteen; het had de vorm van een troon, die zich daarboven vertoonde.
2E colui che sedeva sopra il trono disse all'uomo ch'era vestito di panni lini: Entra per mezzo le ruote, di sotto a' Cherubini, ed empiti le pugna di brace di fuoco, d'infra i Cherubini, e spargi le sopra la città. Ed egli vi entrò nel mio cospetto.
2Daarop sprak Hij tot den man in het linnen gewaad: Ga tussen het raderwerk onder de cherubs door, haal een handvol gloeiende kolen uit de ruimte tussen de cherubs, en strooi die over de stad. Ik zag hem erheen gaan.
3Ed i Cherubini erano fermi dal lato destro della Casa, quando quell'uomo entrò là ; e la nuvola riempiè il cortile di dentro.
3Toen nu de man erheen ging, stonden de cherubs ten zuiden van het tempelhuis, terwijl de wolk de binnenhof vervulde.
4Poi la gloria del Signore si levò d'in su i Cherubini, traendo verso la soglia della Casa; e la Casa fu ripiena della nuvola; e il cortile fu ripieno dello splendor della gloria del Signore.
4Intussen had de heerlijkheid van Jahweh zich van de cherubs verheven, en was naar de drempel van de tempel gegaan, waardoor de tempel van de wolk werd vervuld, en de binnenvoorhof vol was van de glans van Jahweh’s heerlijkheid.
5Ed il suono dell'ali de' Cherubini si udiva fino al cortile di fuori, simile alla voce dell'Iddio onnipotente, quando egli parla.
5Het ruisen van de vleugelen der cherubs was tot in den buitenvoorhof hoorbaar, alsof de stem van den almachtigen God weerklonk.
6Ora, quando colui ebbe comandato all'uomo vestito di panni lini, dicendo: Prendi del fuoco di mezzo delle ruote, d'infra i Cherubini, egli venne, e si fermò presso ad una delle ruote.
6Toen Hij nu den man in het linnen gewaad had bevolen: “Haal vuur uit de ruimte tussen het raderwerk, uit de ruimte tussen de cherubs”, en deze naast het wiel kwam staan,
7E l'uno de' Cherubini distese la sua mano, d'infra i Cherubini, verso il fuoco, ch' era per mezzo i Cherubini, e ne prese, e lo diede nelle pugna di colui ch'era vestito di panni lini; il quale lo pigliò, ed uscì fuori.
7stak de cherub zijn hand uit naar het vuur, in de ruimte tussen de cherubs, en legde het in de handen van den man in het linnen gewaad; deze nam het aan, en trok zich terug.
8Or ne' Cherubini appariva una figura d'una man d'uomo, sotto alle loro ali.
8Want onder de vleugels der cherubs was de vorm van een mensenhand zichtbaar.
9Ed io riguardai, ed ecco quattro ruote allato a' Cherubini, ciascuna ruota allato a ciascun Cherubino; e le ruote rassomigliavano in vista al color della pietra del grisolito.
9Ook zag ik vier wielen naast de cherubs, naast elke cherub één, die blonken als de glans van chrysoliet.
10E quant'è alla lor sembianza, tutte e quattro erano d'una medesima sembianza; come se una ruota fosse stata in mezzo d'un' altra ruota.
10Alle vier hadden ze éénzelfde vorm: als stond er een wiel in het wiel.
11Quando si movevano, si movevano tutte e quattro, ciascuna dal lato suo; e movendosi, non si volgevano qua e là ; anzi là dove si volgeva il capo, esse si volgevano dietro a lui; movendosi, non si volgevano qua e là .
11Als ze zich voortbewogen, konden ze in vier richtingen rijden, zonder bij die beweging te draaien; want in welke richting het voorste wiel zich ook bewoog, volgden de anderen, zonder bij die beweging te draaien.
12Vi era eziandio tutta la carne de' Cherubini , e i lor dossi, e le lor mani, e le loro ali; e quant'è alle ruote, le lor quattro ruote erano piene d'occhi d'ogn'intorno.
12Hun hele lijf, hun rug, hun handen en vleugels, alsook de wielen, waren bij alle vier aan alle kanten met ogen bezet.
13E fu gridato alle ruote, udente me: O ruote.
13Ik hoorde, hoe hun wielen het raderwerk werden genoemd.
14E ciascun Cherubino avea quattro facce; la prima faccia era faccia di Cherubino; la seconda, faccia d'uomo; la terza, faccia di leone; e la quarta, faccia d'aquila.
14Elke cherub had vier gezichten: het ene was een cherubsgezicht, het tweede een mensengezicht, het derde een leeuwenkop, het vierde een adelaarskop.
15E i Cherubini si alzarono. Questi erano i medesimi animali, che io avea veduti presso al fiume Chebar.
15De cherubs waren dezelfde wezens, die ik aan de Kebar-rivier gezien had.
16E quando i Cherubini camminavano, le ruote ancora si movevano allato a loro; e quando i Cherubini alzavano le loro ali, per elevarsi da terra, le ruote ancora non si rivolgevano d'appresso a loro.
16Telkens als zij zich verhieven en vooruitgingen, draaiden ook de wielen met hen mee, en als de cherubs hun vleugels uitsloegen om van de grond op te stijgen, weken ook de wielen niet van hun zijde;
17Quando quelli si fermavano, le ruote altresì si fermavano; quando essi si alzavano, le ruote si alzavano insieme con loro; perciocchè lo spirito degli animali era in esse.
17bleven de cherubs staan, dan stonden ook de wielen stil; verhieven zij zich, dan gingen ook de wielen omhoog; want de geest der wezens beheerste hen.
18Poi la gloria del Signore si partì d'in su la soglia della Casa, stando sopra i Cherubini.
18Toen verliet de heerlijkheid van Jahweh de drempel van de tempel, en ging op de cherubs staan.
19E i Cherubini, uscendo fuori, alzarono le loro ali, e si elevarono da terra nel mio cospetto; e le ruote si elevarono parimente con loro; e quelli si fermarono all'entrata della porta orientale, della Casa del Signore; e la gloria dell'Iddio d'Israele era al disopra di loro.
19En de cherubs sloegen hun vleugels uit, en verhieven zich gelijktijdig met de wielen van de grond, om halt te maken bij de ingang van de oostelijke poort van Jahweh’s huis, terwijl de heerlijkheid van Israëls God boven op hen stond.
20Questi erano gli stessi animali, che io avea veduti sotto l'Iddio d'Israele, presso al fiume Chebar; ed io riconobbi che erano Cherubini.
20Het waren dezelfde wezens, die ik onder Israëls God aan de Kebar-rivier gezien had; maar nú wist ik, dat het cherubs waren.
21Ciascun di loro avea quattro facce e quattro ali; ed aveano sotto alle loro ali una sembianza di mani d'uomo.
21Ze hadden namelijk ieder vier gezichten en vier vleugels, met daaronder de vorm van een mensenhand;
22E quant'è alla sembianza delle lor facce, erano le medesime, che io avea vedute presso al fiume Chebar; erano i medesimi aspetti di quelli anzi i Cherubini erano gli stessi; ciascuno camminava diritto davanti a sè.
22en hun gezichten waren juist als die ik aan de Kebar-rivier gezien had; ieder ging recht voor zich uit.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.