Ii Samuele 8
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ORA, dopo queste cose, Davide percosse i Filistei, e li abbassò; e prese Metegamma di mano de' Filistei.
1Daarna versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp ze, en ontnam hun Gat met onderhorige steden.
2Percosse ancora i Moabiti, e fattili giacere in terra, li misurò con una funicella; e ne misurò due parti per farli morire, e una parte intiera per salvar loro la vita. Ed i Moabiti furono renduti soggetti a Davide, e tributari.
2Ook de Moabieten versloeg hij. Hij legde ze plat op de grond, en nam met een snoer hun aantal op; twee derde van de snoerlengte was ten dode gedoemd, een volle derde mocht blijven leven. Zo werden de Moabieten aan David schatplichtig.
3Davide, oltre a ciò, percosse Hadadezer, figliuolo di Rehob, re di Soba, andando per ridurre il paese sotto alla sua mano fino al fiume Eufrate.
3Vervolgens versloeg David Hadadézer, den zoon van Rechob en koning van Soba, juist toen deze op weg was, zijn zegeteken aan de Rivier op te richten.
4E Davide gli prese mille settecent'uomini a cavallo, e ventimila uomini a piè. E Davide tagliò i garetti a' cavalli di tutti i carri; ma ne riserbò i cavalli di cento carri.
4David nam zeventienhonderd van zijn ruiters en tienduizend man van zijn voetvolk gevangen, en van alle paarden, op honderd na, sneed hij de pezen door.
5Ora i Siri di Damasco erano venuti per soccerrere Hadadezer, re di Soba. E Davide percosse di essi ventiduemila uomini.
5En daar de Arameën van Damascus Hadadézer, den koning van Soba, te hulp waren gekomen, doodde David van de Arameën twee en twintigduizend man.
6Poi pose guernigioni nella Siria di Damasco; e i Siri furono renduti soggetti a Davide, e tributari. E il Signore salvava Davide, dovunque egli andava.
6Hij stelde in Aram van Damascus stadhouders aan, en het werd aan David schatplichtig. Zo werd David op al zijn tochten door Jahweh geholpen.
7E Davide prese gli scudi d'oro ch'erano de' servitori di Hadadezer, e li portò in Gerusalemme.
7De gouden schilden, die Hadadézers soldaten droegen, maakte David buit en bracht ze naar Jerusalem,
8Il re Davide prese ancora grandissima quantità di rame da Beta, e da Berotai, città di Hadadezer.
8terwijl hij uit Bétach en Berotai, twee steden van Hadadézer, een zeer grote hoeveelheid koper meenam.
9Or Toi, re di Hamat, avendo udito che Davide avea sconfitto tutto l'esercito di Hadadezer,
9Toen Tói, de koning van Chamat, vernam, dat David de gehele legermacht van Hadadézer had verslagen,
10mandò al re Davide Ioram, suo figliuolo, per salutarlo, e per benedirlo, di ciò ch'egli avea guerreggiato contro a Hadadezer, e l'avea sconfitto; imperocchè Hadadezer avea guerra aperta con Toi. E Ioram portò seco vasellamenti d'argento, e vasellamenti di oro e vasellamenti di rame.
10zond hij zijn zoon Joram naar koning David, om hem te groeten en geluk te wensen met zijn overwinning op Hadadézer. Hadadézer was namelijk een tegenstander van Tói. Joram bracht zilveren, gouden en koperen voorwerpen mede,
11E il re Davide consacrò eziandio quelli al Signore, insieme con l'argento, e con l'oro, che egli avea consacrato della preda di tutte le nazioni ch'egli avea soggiogate;
11en ook deze wijdde koning David aan Jahweh, zoals hij gedaan had met het zilver en goud van alle door hem onderworpen volken,
12dei Siri, e de' Moabiti, e de' figliuoli di Ammon, e de' Filistei, e degli Amalechiti; e della preda di Hadadezer, figliuolo di Rehob, re di Soba.
12(van Edom, Moab, de Ammonieten, de Filistijnen en Amalekieten), en met de buit, op Hadadézer behaald, den zoon van Rechob en koning van Soba.
13Davide ancora acquistò fama di ciò che, ritornando dalla rotta de' Siri, sconfisse diciottomila uomini nella Valle del sale.
13Verder heeft David zich beroemd gemaakt, door, bij zijn terugkeer van de overwinning op Aram, in de Zoutvallei achttienduizend Edomieten te verslaan.
14E pose guernigioni in Idumea; egli ne pose per tutta l'Idumea; e tutti gl'Idumei furono renduti soggetti a Davide; e il Signore salvava Davide, dovunque egli andava.
14Hij stelde in heel Edom stadhouders aan, zodat heel Edom aan David bleef. Zo werd David op al zijn tochten door Jahweh geholpen.
15Così Davide regnò sopra tutto Israele, facendo ragione e giustizia a tutto il suo popolo.
15David regeerde dus over geheel Israël, en handelde met heel zijn volk naar wet en recht.
16E Ioab, figliuolo di Seruia, era sopra l'esercito; e Iosafat, figliuolo di Ahilud, era Cancelliere;
16Joab, de zoon van Seroeja, stond over het leger; Jehosjafat, de zoon van Achiloed, was kanselier;
17e Sadoc, figliuolo di Ahitub, ed Ahimelec, figliuolo di Ebiatar, erano Sacerdoti; e Seraia era Segretario;
17Sadok, de zoon van Achitoeb, en Ebjatar, de zoon van Achimélek, waren priesters; Seraja was schrijver;
18e Benaia, figliuolo di Ioiada, era capo dei Cheretei, e de' Peletei; ed i figliuoli di Davide erano principi.
18Benajáhoe, de zoon van Jehojada, ging over de Kretenzen en Peletiërs; de zonen van David waren priesters.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.