וַיִּקְרָא 21
Modern Hebrew BibleTranslation
Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ויאמר יהוה אל משה אמר אל הכהנים בני אהרן ואמרת אלהם לנפש לא יטמא בעמיו׃
1Jahweh sprak tot Moses: Beveel de priesters, de zonen van Aäron, en zeg hun: Niemand van hen mag zich aan een dode van zijn familie verontreinigen,
2כי אם לשארו הקרב אליו לאמו ולאביו ולבנו ולבתו ולאחיו׃
2behalve aan zijn naaste verwanten, aan zijn moeder, vader, zoon, dochter en broer.
3ולאחתו הבתולה הקרובה אליו אשר לא היתה לאיש לה יטמא׃
3Ook aan zijn zuster mag hij zich verontreinigen, wanneer zij nog maagd is, daar ze dan tot de zijnen behoort en niet aan een man;
4לא יטמא בעל בעמיו להחלו׃
4maar aan een getrouwde vrouw in zijn familie mag hij zich niet verontreinigen en daardoor ontwijden.
5לא יקרחה קרחה בראשם ופאת זקנם לא יגלחו ובבשרם לא ישרטו שרטת׃
5Zij mogen zich echter nooit het hoofd kaal scheren, de rand van hun baard korten noch hun lichaam kerven.
6קדשים יהיו לאלהיהם ולא יחללו שם אלהיהם כי את אשי יהוה לחם אלהיהם הם מקריבם והיו קדש׃
6Heilig moeten zij zijn voor hun God, en de Naam van hun God niet ontwijden; want ze dragen de vuuroffers van Jahweh op, de spijs van hun God: daarom moeten zij heilig zijn.
7אשה זנה וחללה לא יקחו ואשה גרושה מאישה לא יקחו כי קדש הוא לאלהיו׃
7Ook mogen zij geen ontuchtige of onteerde vrouw huwen, of een vrouw, die door haar man is verstoten; want hij is aan zijn God toegewijd.
8וקדשתו כי את לחם אלהיך הוא מקריב קדש יהיה לך כי קדוש אני יהוה מקדשכם׃
8Gij moet hem als heilig beschouwen; want hij offert de spijs van uw God. Hij moet voor u heilig zijn, omdat Ik Jahweh, die hen heilig, zelf heilig ben.
9ובת איש כהן כי תחל לזנות את אביה היא מחללת באש תשרף׃
9De dochter van een priester, die zich door een ontuchtig leven onteert, ontwijdt haar vader; zij moet worden verbrand.
10והכהן הגדול מאחיו אשר יוצק על ראשו שמן המשחה ומלא את ידו ללבש את הבגדים את ראשו לא יפרע ובגדיו לא יפרם׃
10Maar de priester, die hoger staat dan zijn broeders, op wiens hoofd de zalfolie is uitgestort, en die is aangesteld om de heilige gewaden te dragen, mag zijn haren niet losbinden en zijn kleren niet scheuren.
11ועל כל נפשת מת לא יבא לאביו ולאמו לא יטמא׃
11Hij mag bij geen dode komen, en zich zelfs aan zijn vader of moeder niet verontreinigen.
12ומן המקדש לא יצא ולא יחלל את מקדש אלהיו כי נזר שמן משחת אלהיו עליו אני יהוה׃
12Hij mag het heiligdom niet verlaten, en het heiligdom van zijn God niet ontwijden; want hij is gewijd met de zalfolie van zijn God. Ik ben Jahweh!
13והוא אשה בבתוליה יקח׃
13Hij moet een vrouw nemen, die maagd is.
14אלמנה וגרושה וחללה זנה את אלה לא יקח כי אם בתולה מעמיו יקח אשה׃
14Hij mag dus geen weduwe, of verstotene, geen onteerde of ontuchtige huwen, slechts een maagd uit zijn familie mag hij tot vrouw nemen,
15ולא יחלל זרעו בעמיו כי אני יהוה מקדשו׃
15om zijn nageslacht in zijn familie niet te ontwijden. Want Ik ben Jahweh, die hem heilig!
16וידבר יהוה אל משה לאמר׃
16Jahweh sprak tot Moses:
17דבר אל אהרן לאמר איש מזרעך לדרתם אשר יהיה בו מום לא יקרב להקריב לחם אלהיו׃
17Zeg aan Aäron: Wanneer iemand van uw kinderen, ook in uw volgende geslachten, een lichaamsgebrek heeft, mag hij niet naderbij komen, om de spijs van zijn God te offeren.
18כי כל איש אשר בו מום לא יקרב איש עור או פסח או חרם או שרוע׃
18Want niemand, die een lichaamsgebrek heeft, mag Mij naderen: geen blinde of lamme, geen verminkte of vergroeide;
19או איש אשר יהיה בו שבר רגל או שבר יד׃
19niemand met een gebroken been of arm;
20או גבן או דק או תבלל בעינו או גרב או ילפת או מרוח אשך׃
20geen bult of dwerg; niemand met een witte vlek op zijn oog, of met uitslag of schurft; niemand ook, die ontmand is.
21כל איש אשר בו מום מזרע אהרן הכהן לא יגש להקריב את אשי יהוה מום בו את לחם אלהיו לא יגש להקריב׃
21Niemand van het geslacht van den priester Aäron, die een gebrek heeft, mag naderbij komen, om de vuuroffers van Jahweh te offeren; heeft hij dus een gebrek, dan mag hij de spijs van zijn God niet komen offeren.
22לחם אלהיו מקדשי הקדשים ומן הקדשים יאכל׃
22Wel mag hij eten van de spijs van zijn God, van het hoogheilige en van het heilige;
23אך אל הפרכת לא יבא ואל המזבח לא יגש כי מום בו ולא יחלל את מקדשי כי אני יהוה מקדשם׃
23maar hij mag niet binnen het voorhangsel komen en niet tot het altaar naderen; want hij heeft een gebrek, en mag mijn heiligdom niet ontwijden. Want Ik ben Jahweh, die hen heilig!
24וידבר משה אל אהרן ואל בניו ואל כל בני ישראל׃
24Moses bracht het Aäron, zijn zonen en alle Israëlieten over.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.